NK
Filosofie Emoties (Denkbewegingen)
VWO 5
H1 t/m H5.2
1. Twee theorieën.
1.1 Wat is een emotie?
Emoties beïnvloeden ons handelen. Sommige emoties zijn duidelijk, maar niet alle emoties
spelen een acute en zichtbare rol. Emoties kunnen tot actie leiden, maar ze kunnen ons ook
verlammen. Allerlei gebeurtenissen kunnen emoties bij ons losmaken. Iemand toevallig
tegenkomen verrast ons; jaloezie komt op als we iemand die we aantrekkelijk vinden met een
ander zien zoenen. In deze gevallen worden we door de emoties overvallen. We zijn passief
of aangedaan. Daarom worden emoties ook wel passies of (gemoeds)aandoeningen
genoemd.
Emoties kunnen dus drijfveren zijn bij ons doen en laten, en spelen een rol bij onze acties;
maar ze kunnen ons ook overweldigen en ons handelen in de weg staan. Dit is verwarrend.
Filosofisch nadenken over emoties roept vele vragen op. Degene die over emoties hebben
nagedacht, hebben verschillende antwoorden op deze vragen. Gelukkig zijn ze wel
overeengekomen tot één definitie van het begrip emotie:
Een emotie is een reactie of respons van een levend wezen op een gebeurtenis of situatie die
door dat wezen als belangrijk wordt ervaren.
1.2 Emoties en emocultuur
Emoties kunnen op veel manier duidelijk worden. Non-verbale en verbale middelen kunnen
onze emoties uitten. Emoties als blijdschap of angst zijn rechttoe rechtaan en zijn makkelijk
af te lezen van iemands gezicht. Maar emoties als schuld, wraak en liefdesverdriet hebben
een ingewikkelde context. Voorbeelden uit bijvoorbeeld boeken of films laten zien dat emoties
uitermate complex kunnen zijn, en er kunnen vele diverse aspecten aan de orde zijn. Maar
voorbeelden laten nog iets anders zien. Ze maken gevoelens los bij lezers en kijkers. Toch
zijn deze emoties vaak niet hetzelfde. Films en boeken zijn niet alleen bruikbare media om
emoties te beschrijven, maar ook om ze op te wekken.
Heel wat programma’s beogen emoties los te maken. Een programma over slachtoffers van
een aardbeving wekt medelijden bij ons op. Maar bij deze programma’s is het niet de
bedoeling dat we slechts geraakt worden door de beelden; we worden geacht iets te doen. In
deze gevallen worden we moreel getroffen. Andere programma’s, zoals reality-tv, lijken kijkers
alleen maar te schokken. Ze hebben als doel emotioneel vermaak.
Voor sommige critici zijn deze verschijnselen een reden om onze samenleving te typeren als
een emotiecultuur, oftewel emocultuur. Deze aanduiding is vaak niet positief gedoeld. Het is
volgens critici een signaal dat men zich tegenwoordig liever laat meeslepen door hevige
beelden van gebeurtenissen dan dat men rustig en bezonnen ergens over nadenkt.
De cognitivistische emotietheorie:
Zijn emoties lichamelijke verschijnselen of hebben ze met onze geest en ons denken te
maken? Ze lijken in eerste instantie lichamelijk: angstzweet, grote ogen van verbazing, enz.
Toch hoeven emoties niet perse lichamelijk te zijn. Als iemand argumenten aandraagt voor
zijn emoties en uitleg bij zijn emoties geeft, dan is de emotie niet alleen maar een lichamelijke
reactie, dan zijn er ook gedachten in het spel.
Martha Nussbaum noemt emoties ook wel ‘gevoelige gedachten’, en hebben volgens haar
een cognitieve, evaluatieve lading. Dit wil zeggen dat ze verbonden zijn met kennis, of ten
,NK
minste met informatieverwerking (cognitief aspect) en waardeoordelen (evaluatief aspect).
Maar hoe zit dit nou precies in elkaar? Nussbaum geeft aan dat er vier factoren zijn bij emoties:
1. emoties hebben een object, ze gaan ergens over
2. we interpreteren dat object op een bepaalde manier, uit de aard van onze emoties
3. het is niet zomaar een manier van zien: er zijn overtuigingen in het geding die zeer complex
zijn.
4. er zijn altijd waarden in het spel, het object is waardevol.
Een persoonlijk voorbeeld van Nussbaum om dit duidelijker te maken:
Ze was bang (emotie) omdat haar moeder zou gaan sterven (object: het sterven van haar
moeder). Ze zag haar moeder als een belangrijk persoon, en ze zag haar als iemand wier
leven bedreigd werd. Er was dus een bepaalde interpretatie van de situatie in het geding. De
complexe emotie angst: om angst te voelen moet ik de overtuiging hebben dat er nare dingen
dreigen te gebeuren, en dan werkelijk ernstige gebeurtenissen die ik niet zomaar zelf onder
controle heb. En ten vierde, Nussbaums moeder was belangrijk voor haar.
Emoties gaan dus ergens over, behelzen een bepaalde manier van zien, hebben een basis in
overtuigingen en hebben betrekking op het eigen welzijn.
Nussbaum en Solomon, beide belangrijke hedendaagse filosofen, vinden dat emoties een
rationele lading hebben. Hun positie wordt meestal cognitivisme genoemd. Emoties zijn
volgens cognitivisten dus gegrond in redenen, maar het staat telkens te bezien of de redenen
die we voor onze emoties hebben ook kloppen, of het góéde redenen zijn. Cognitivisten
hebben wortels in het denken van Aristoteles.
1.4 De fysiologische emotietheorie
De fysiologische emotietheorie staat tegenover de cognitivistische emotietheorie. De
fysiologische emotietheorie zouden we ook wel de gevoelstheorie kunnen noemen.
Empiristen als John Locke en David Hume zijn wegbereiders voor deze theorie, en aan het
eind van de 19e eeuw werd het geformuleerd door Amerikaans psycholoog en filosoof William
James. James spreekt over emoties in termen van lichamelijke gewaarwordingen en
aangename of onaangename gevoelens; oftewel arousal (het Engelse woord voor
‘lichamelijke’ prikkel). Geen emotie zonder arousal.
Volgens James kan er geen emotie bestaan zonder een lichamelijk gevoel. We kunnen de
lichamelijke gevoelens niet wegdenken uit de emoties. Een emotie, schrijft James, zou bleek
en kleurloos zijn zonder die lichamelijkheid.
Dit is dus tegenovergesteld aan Nussbaum en Solomon.
Nussbaum lichamelijke verschijnselen komen wel voor als er een emotie speelt, maar ze zijn
er geen wezenlijk onderdeel van. Boosheid kan ook zonder uit ons vel te springen.
Solomon het is een misverstand te denken dat emoties lichamelijke verschijnselen zijn.
Volgens James en de zijnen zijn lichamelijke aspecten wezenlijk voor emoties.
Volgens cognitivisten zijn overtuigingen wezenlijk voor emoties.
Paul Ekman (hedendaags antropoloog) werkt in de traditie van James, en heeft bestudeerd
hoe gezichtsuitdrukkingen corresponderen met emoties. Voor Ekman zijn gelaatsexpressies
het soort jamesiaans-lichamelijke veranderingen die duidelijk maken wat emoties zijn.
Het zal niet altijd zo zijn dat er lichamelijke veranderingen zijn aan te wijzen bij een emotie,
maar vaak is dat wel het geval. Verschillende taaluitingen lijken te kennen te geven dat er wel
gelijk een verband bestaat tussen emoties en lichamelijke verschijnselen. Dit verband wordt
ook verondersteld door voorstanders van de leugendetector, ook wel de emotiemeter
genoemd. Het apparaat meet de mate van stress. Er valt natuurlijk te discussiëren over de
vraag wat je precies meet als je iemand vragen stelt, het kan namelijk ook zo zijn dat mensen
, NK
zenuwachtig en gestrest raken als iemand ze ergens van verdenkt. Wie een dergelijk apparaat
een emotiemeter noemt, legt een onmiddellijk verband tussen lichamelijke verschijnselen en
emoties.
1.5 Een filosofie van emoties
Soms lijkt het erop dat de emoties waar de cognitivisten over spreken andere verschijnselen
zijn dan die waar fysiologisch georiënteerde denkers het over hebben. Cognitivisten spreken
doorgaans over de rustige, van zelfzelf al tamelijk bezonnen emoties, terwijl fysiologen juist
meestal voorbeelden geven van emoties waarbij flink gebibberd en gesidders wordt. Denkers
die vooral oog hebben voor de lichamelijke emoties zullen gemakkelijker uitkomen bij een
fysiologische theorie dan denkers die belangstelling hebben voor medelijden (een
cognitivistische emotie).
2. Emoties tussen natuur en cultuur
2.1 ontelbare emoties
Er zijn vele emoties, ontelbare, niemand zou kunnen zeggen hoeveel het er zijn. Als we
emoties in willen delen moeten we op zoek gaan naar een criterium waarmee we dat kunnen
doen. Er lijken twee indelingscriteria te zijn:
1. we kunnen een onderscheid maken tussen emoties die fundamenteel of basaal zijn en
emoties die afgeleid zijn. Verdriet lijkt fundamenteler dan heimwee.
2. emoties die worden bepaald door culturele omstandigheden onderscheiden van emoties
die daar onafhankelijk van zijn.
2.2 Basisemoties en afgeleide emoties
De meeste denkers gaan uit van een beperkt aantal emoties, die ze dan primaire emoties of
basisemoties noemen. Om emoties in kaart te brengen is het handiger ze te groeperen en te
zoeken naar wat fundamenteel is. Dit is wat René Descartes en Benedictus de Spinoza ook
hebben gedaan. Ze zijn de emoties gaan herleiden naar basisemoties. Een basisemotie is
een emotie die niet afgeleid kan worden van een andere emotie. Hoewel Descartes en
Spinoza het hierover eens waren, zijn ze allebei tot verschillende basisemoties gekomen.
Descartes (1596 - 1650) kwam tot zes basisemoties: verwondering, liefde, haat, begeerte,
vreugde en droefheid. Deze emoties gaan gepaard met bepaalde veranderingen in het hart of
bloed. Verwondering vormt echter een uitzondering omdat deze emotie vooral met kennis te
maken heeft. Kennis heeft niet met het lichaam te doen maar met de geest. Voor Descartes
hebben emoties een lichamelijke oorsprong, met verwondering als een soort grensgeval. De
fysiologische inslag van Descartes’ emotiefilosofie het hart, bloed en de maag een rol spelen
als het om emoties gaat.
Verwondering werd door Plato en Aristoteles gezien als aanzet tot het stellen van vragen en
het bedrijven van wetenschap. Verwondering is zo bezien een machtige emotie; wie zich niet
verwondert over de wereld zal er geen vragen over stellen en waarschijnlijk weinig aan de
weet komen.
Spinoza (1632 - 1677) onderscheidt drie basisemoties: begeerte, blijdschap en droefheid. Ook
haat zou terug te leiden zijn tot droefheid. Voor Spinoza zijn emoties gedachten, waarmee hij
tot een cognitivsitsche denker gerekend kan worden. Deze gedachten beschouwt hij als
vergissingen, een bron van dwaling. Deze visie vinden we ook terug bij de stoïcijnen.
Bij Spinoza is goed te zien hoe hij zijn visie op emoties een plaats heeft in zijn denksysteem,
zoals dat in de Ethica wordt opgebouwd door middel van definities, stellingen en
commentaren. Spinoza onderscheidt in zijn werk verschillende kennisniveaus. Op het laatste
Filosofie Emoties (Denkbewegingen)
VWO 5
H1 t/m H5.2
1. Twee theorieën.
1.1 Wat is een emotie?
Emoties beïnvloeden ons handelen. Sommige emoties zijn duidelijk, maar niet alle emoties
spelen een acute en zichtbare rol. Emoties kunnen tot actie leiden, maar ze kunnen ons ook
verlammen. Allerlei gebeurtenissen kunnen emoties bij ons losmaken. Iemand toevallig
tegenkomen verrast ons; jaloezie komt op als we iemand die we aantrekkelijk vinden met een
ander zien zoenen. In deze gevallen worden we door de emoties overvallen. We zijn passief
of aangedaan. Daarom worden emoties ook wel passies of (gemoeds)aandoeningen
genoemd.
Emoties kunnen dus drijfveren zijn bij ons doen en laten, en spelen een rol bij onze acties;
maar ze kunnen ons ook overweldigen en ons handelen in de weg staan. Dit is verwarrend.
Filosofisch nadenken over emoties roept vele vragen op. Degene die over emoties hebben
nagedacht, hebben verschillende antwoorden op deze vragen. Gelukkig zijn ze wel
overeengekomen tot één definitie van het begrip emotie:
Een emotie is een reactie of respons van een levend wezen op een gebeurtenis of situatie die
door dat wezen als belangrijk wordt ervaren.
1.2 Emoties en emocultuur
Emoties kunnen op veel manier duidelijk worden. Non-verbale en verbale middelen kunnen
onze emoties uitten. Emoties als blijdschap of angst zijn rechttoe rechtaan en zijn makkelijk
af te lezen van iemands gezicht. Maar emoties als schuld, wraak en liefdesverdriet hebben
een ingewikkelde context. Voorbeelden uit bijvoorbeeld boeken of films laten zien dat emoties
uitermate complex kunnen zijn, en er kunnen vele diverse aspecten aan de orde zijn. Maar
voorbeelden laten nog iets anders zien. Ze maken gevoelens los bij lezers en kijkers. Toch
zijn deze emoties vaak niet hetzelfde. Films en boeken zijn niet alleen bruikbare media om
emoties te beschrijven, maar ook om ze op te wekken.
Heel wat programma’s beogen emoties los te maken. Een programma over slachtoffers van
een aardbeving wekt medelijden bij ons op. Maar bij deze programma’s is het niet de
bedoeling dat we slechts geraakt worden door de beelden; we worden geacht iets te doen. In
deze gevallen worden we moreel getroffen. Andere programma’s, zoals reality-tv, lijken kijkers
alleen maar te schokken. Ze hebben als doel emotioneel vermaak.
Voor sommige critici zijn deze verschijnselen een reden om onze samenleving te typeren als
een emotiecultuur, oftewel emocultuur. Deze aanduiding is vaak niet positief gedoeld. Het is
volgens critici een signaal dat men zich tegenwoordig liever laat meeslepen door hevige
beelden van gebeurtenissen dan dat men rustig en bezonnen ergens over nadenkt.
De cognitivistische emotietheorie:
Zijn emoties lichamelijke verschijnselen of hebben ze met onze geest en ons denken te
maken? Ze lijken in eerste instantie lichamelijk: angstzweet, grote ogen van verbazing, enz.
Toch hoeven emoties niet perse lichamelijk te zijn. Als iemand argumenten aandraagt voor
zijn emoties en uitleg bij zijn emoties geeft, dan is de emotie niet alleen maar een lichamelijke
reactie, dan zijn er ook gedachten in het spel.
Martha Nussbaum noemt emoties ook wel ‘gevoelige gedachten’, en hebben volgens haar
een cognitieve, evaluatieve lading. Dit wil zeggen dat ze verbonden zijn met kennis, of ten
,NK
minste met informatieverwerking (cognitief aspect) en waardeoordelen (evaluatief aspect).
Maar hoe zit dit nou precies in elkaar? Nussbaum geeft aan dat er vier factoren zijn bij emoties:
1. emoties hebben een object, ze gaan ergens over
2. we interpreteren dat object op een bepaalde manier, uit de aard van onze emoties
3. het is niet zomaar een manier van zien: er zijn overtuigingen in het geding die zeer complex
zijn.
4. er zijn altijd waarden in het spel, het object is waardevol.
Een persoonlijk voorbeeld van Nussbaum om dit duidelijker te maken:
Ze was bang (emotie) omdat haar moeder zou gaan sterven (object: het sterven van haar
moeder). Ze zag haar moeder als een belangrijk persoon, en ze zag haar als iemand wier
leven bedreigd werd. Er was dus een bepaalde interpretatie van de situatie in het geding. De
complexe emotie angst: om angst te voelen moet ik de overtuiging hebben dat er nare dingen
dreigen te gebeuren, en dan werkelijk ernstige gebeurtenissen die ik niet zomaar zelf onder
controle heb. En ten vierde, Nussbaums moeder was belangrijk voor haar.
Emoties gaan dus ergens over, behelzen een bepaalde manier van zien, hebben een basis in
overtuigingen en hebben betrekking op het eigen welzijn.
Nussbaum en Solomon, beide belangrijke hedendaagse filosofen, vinden dat emoties een
rationele lading hebben. Hun positie wordt meestal cognitivisme genoemd. Emoties zijn
volgens cognitivisten dus gegrond in redenen, maar het staat telkens te bezien of de redenen
die we voor onze emoties hebben ook kloppen, of het góéde redenen zijn. Cognitivisten
hebben wortels in het denken van Aristoteles.
1.4 De fysiologische emotietheorie
De fysiologische emotietheorie staat tegenover de cognitivistische emotietheorie. De
fysiologische emotietheorie zouden we ook wel de gevoelstheorie kunnen noemen.
Empiristen als John Locke en David Hume zijn wegbereiders voor deze theorie, en aan het
eind van de 19e eeuw werd het geformuleerd door Amerikaans psycholoog en filosoof William
James. James spreekt over emoties in termen van lichamelijke gewaarwordingen en
aangename of onaangename gevoelens; oftewel arousal (het Engelse woord voor
‘lichamelijke’ prikkel). Geen emotie zonder arousal.
Volgens James kan er geen emotie bestaan zonder een lichamelijk gevoel. We kunnen de
lichamelijke gevoelens niet wegdenken uit de emoties. Een emotie, schrijft James, zou bleek
en kleurloos zijn zonder die lichamelijkheid.
Dit is dus tegenovergesteld aan Nussbaum en Solomon.
Nussbaum lichamelijke verschijnselen komen wel voor als er een emotie speelt, maar ze zijn
er geen wezenlijk onderdeel van. Boosheid kan ook zonder uit ons vel te springen.
Solomon het is een misverstand te denken dat emoties lichamelijke verschijnselen zijn.
Volgens James en de zijnen zijn lichamelijke aspecten wezenlijk voor emoties.
Volgens cognitivisten zijn overtuigingen wezenlijk voor emoties.
Paul Ekman (hedendaags antropoloog) werkt in de traditie van James, en heeft bestudeerd
hoe gezichtsuitdrukkingen corresponderen met emoties. Voor Ekman zijn gelaatsexpressies
het soort jamesiaans-lichamelijke veranderingen die duidelijk maken wat emoties zijn.
Het zal niet altijd zo zijn dat er lichamelijke veranderingen zijn aan te wijzen bij een emotie,
maar vaak is dat wel het geval. Verschillende taaluitingen lijken te kennen te geven dat er wel
gelijk een verband bestaat tussen emoties en lichamelijke verschijnselen. Dit verband wordt
ook verondersteld door voorstanders van de leugendetector, ook wel de emotiemeter
genoemd. Het apparaat meet de mate van stress. Er valt natuurlijk te discussiëren over de
vraag wat je precies meet als je iemand vragen stelt, het kan namelijk ook zo zijn dat mensen
, NK
zenuwachtig en gestrest raken als iemand ze ergens van verdenkt. Wie een dergelijk apparaat
een emotiemeter noemt, legt een onmiddellijk verband tussen lichamelijke verschijnselen en
emoties.
1.5 Een filosofie van emoties
Soms lijkt het erop dat de emoties waar de cognitivisten over spreken andere verschijnselen
zijn dan die waar fysiologisch georiënteerde denkers het over hebben. Cognitivisten spreken
doorgaans over de rustige, van zelfzelf al tamelijk bezonnen emoties, terwijl fysiologen juist
meestal voorbeelden geven van emoties waarbij flink gebibberd en gesidders wordt. Denkers
die vooral oog hebben voor de lichamelijke emoties zullen gemakkelijker uitkomen bij een
fysiologische theorie dan denkers die belangstelling hebben voor medelijden (een
cognitivistische emotie).
2. Emoties tussen natuur en cultuur
2.1 ontelbare emoties
Er zijn vele emoties, ontelbare, niemand zou kunnen zeggen hoeveel het er zijn. Als we
emoties in willen delen moeten we op zoek gaan naar een criterium waarmee we dat kunnen
doen. Er lijken twee indelingscriteria te zijn:
1. we kunnen een onderscheid maken tussen emoties die fundamenteel of basaal zijn en
emoties die afgeleid zijn. Verdriet lijkt fundamenteler dan heimwee.
2. emoties die worden bepaald door culturele omstandigheden onderscheiden van emoties
die daar onafhankelijk van zijn.
2.2 Basisemoties en afgeleide emoties
De meeste denkers gaan uit van een beperkt aantal emoties, die ze dan primaire emoties of
basisemoties noemen. Om emoties in kaart te brengen is het handiger ze te groeperen en te
zoeken naar wat fundamenteel is. Dit is wat René Descartes en Benedictus de Spinoza ook
hebben gedaan. Ze zijn de emoties gaan herleiden naar basisemoties. Een basisemotie is
een emotie die niet afgeleid kan worden van een andere emotie. Hoewel Descartes en
Spinoza het hierover eens waren, zijn ze allebei tot verschillende basisemoties gekomen.
Descartes (1596 - 1650) kwam tot zes basisemoties: verwondering, liefde, haat, begeerte,
vreugde en droefheid. Deze emoties gaan gepaard met bepaalde veranderingen in het hart of
bloed. Verwondering vormt echter een uitzondering omdat deze emotie vooral met kennis te
maken heeft. Kennis heeft niet met het lichaam te doen maar met de geest. Voor Descartes
hebben emoties een lichamelijke oorsprong, met verwondering als een soort grensgeval. De
fysiologische inslag van Descartes’ emotiefilosofie het hart, bloed en de maag een rol spelen
als het om emoties gaat.
Verwondering werd door Plato en Aristoteles gezien als aanzet tot het stellen van vragen en
het bedrijven van wetenschap. Verwondering is zo bezien een machtige emotie; wie zich niet
verwondert over de wereld zal er geen vragen over stellen en waarschijnlijk weinig aan de
weet komen.
Spinoza (1632 - 1677) onderscheidt drie basisemoties: begeerte, blijdschap en droefheid. Ook
haat zou terug te leiden zijn tot droefheid. Voor Spinoza zijn emoties gedachten, waarmee hij
tot een cognitivsitsche denker gerekend kan worden. Deze gedachten beschouwt hij als
vergissingen, een bron van dwaling. Deze visie vinden we ook terug bij de stoïcijnen.
Bij Spinoza is goed te zien hoe hij zijn visie op emoties een plaats heeft in zijn denksysteem,
zoals dat in de Ethica wordt opgebouwd door middel van definities, stellingen en
commentaren. Spinoza onderscheidt in zijn werk verschillende kennisniveaus. Op het laatste