• ICF: een classificatiemodel dat beschrijft hoe mensen functioneren in het dagelijks
leven. Het kijkt niet alleen naar ziekte, maar ook naar hoe iemand kan meedoen in de
maatschappij en op het werk.
• Uitgangspunten van de ICF:
o Richt zich op menselijk functioneren
o Wereldwijd bruikbaar
o Combineert het medisch model en het sociaal model
o Is neutraal (kijkt naar mogelijkheden en beperkingen)
o Context speelt belangrijke rol
• Voorbeeld ICF:
, • Onderdelen van de ICF:
1. Ziekte of aandoening:
De medische diagnose of gezondheidsproblemen dat iemand heeft.
2. Functies en anatomische eigenschappen (stoornissen):
Problemen in het lichaam of geest, bijvoorbeeld:
o Pijn
o Vermoeidheid
o Verminderde geheugen of concentratie
o Lichamelijke beperkingen
3. Activiteiten (beperkingen):
Problemen met het uitvoeren van dagelijkse handelingen, zoals:
o lopen
o zitten
o huishoudelijke taken uitvoeren
4. Participatie (participatieproblemen):
Problemen met meedoen in de maatschappij, bijvoorbeeld:
o Werken
o Sociale contacten
o Vrijetijdsbesteding
5. Externe factoren (omgeving)
Factoren buiten de persoon die invloed hebben op functioneren. Deze kunnen
worden onderverdeeld in:
o Werkgerelateerd:
o Arbeidsinhoud (taken, werktempo, moeilijkheid)
o Arbeidsomstandigheden (lawaai, werkplek, fysieke belasting)
o Arbeidsvoorwaarden (werktijden, contract, verlof)
o Arbeidsverhoudingen (relaties met collega’s en leidinggevenden)
o Niet-werkgerelateerd
o Thuissituatie
o Sociale steun
o Zorg en behandeling
o Financiële situatie
6. Persoonlijke factoren
Eigenschappen van de persoon zelf die invloed hebben op functioneren, zoals:
o Algemeen:
o Leeftijd en geslacht
o Opleiding
o Motivatie en zelfvertrouwen
o Leefstijl
o Werkgerelateerd:
o Arbeidsmotivatie en werkervaring
o Angst voor baanverlies
o Competenties en kennis