Hoofdstuk : habitatfragmentatie
Wat is habitatfragmentatie?
Omvat 3 processen:
1. Afnemende fragmentoppervlakte
2. Toenemende ruimtelijke isolatie van de fragmenten
3. Toenemende hoeveelheid randhabitat (som van de omtrek van alle
fragmenten)
Fragmentatie kan optreden door verschillende processen zoals landbouw,
bosbouw,…
Het kan ook minder opvallend zijn zoals bijvoorbeeld een grasland met minder en
meer voedselrijke stukken. Het is hetzelfde habitat is totaliteit maar er
ontstaat fragmentatie op basis van kwaliteitsverlies. Wat wel invloed heeft op
de ES. Niet elk habitatfragment is nog een geschikt fragment. Soms is ons
referentiekader van ‘oorspronkelijk’ habitat enkel maar zo goed als de
historische bronnen on toelaten.
Verschillende typen
fragmentatie
1. Intacte fragmentatie: Er is een fragment in het intacte landschap
2. Variegated fragmentatie: Mozaïek patroon van onbewerkt en bewerkte
fragmenten
3. Fragmentatie: Kleine fragmenten van beide
4. Relictual: Enkel nog maar kleine fragmenten van bewerkte zones
Voorbeelden
☺ oorzaken
Fragmentatie ten gevolge van een toename aan agrarische gebieden en
urbanisatie
☺ Landschapsinversie: oorspronkelijk zie je open systemen en open
heidesystemen die dan omgekeerd geraken doordat er meer hoog
gemodificeerd bos komt en akkers komen.
o Open landschappen krijgen meestal de hardste klappen, deels omdat ze
al gemodificeerd waren, bossen iets minder hard
☺ Fragmentatie ten gevolge van de doorsnijding van verkeer.
☺ Fragmentatie door kolonisatie van mensen
☺ Verwoestijning van door het kappen van bomen
Pioneerstudies
Soort-oppervlakte
S=
relaties
cAz: hoe groter de oppervlakte van het habitat, hoe meer
soorten je kan verwachten.
, ☺ Log S = z log A + log c (log-lineair verband tussen
opp. en aantal soorten)
☺ c = start aantal soorten (min)
☺ z = rico/steilheid van de rechte
De z-waarde zijn zeer constant over de taxonomische groepen
heen over de verschillende regio’s heen (0,2-0,5).
2 vaststellingen:
☺ De eilandcurves zijn steiler dan de curves op het vaste land.
☺ Positieve S-A-relatie
Hypothese 1:
Dit komt omdat grote eilanden meer habitatten en dus meer mogelijkheden hebben
om soorten te herbergen. Hoe meer habitat, hoe meer soorten. Van zodra er meer
dan 1 habitattype is, dan verdwijnt dit verband zo goed als en ziet men dat het
nog altijd verband houdt met de hoeveelheid oppervlakte. De positieve S-A-
relatie is te danken aan de diversiteit aan habitat maar kan niet het verschil
in helling tussen vastelands- en eilandcurves niet verklaren
Hypothese 2:
Contrast tussen habitat op eilanden is groter dan op vasteland, kleine
populaties zijn dus gevoeliger voor uitsterven en worden niet ‘gered’ indien ze
geïsoleerd voorkomen. Op het vasteland maken de subpopulaties deel uit van 1
grote populatie (samples). Op eilanden zijn de subpopulaties klein en volledig
geïsoleerd (isolates). Zeer geïsoleerde eilanden kunnen moeilijk terug
gekoloniseerd geraken waardoor de z-waarde veel hoger ligt.
Deze vaststellingen hebben geleid tot de eilandtheorie
Experimenten van
Hij Simberlof
heeft de relatie tussen
kolonisatie en extinctie bestudeert. Hij is
eilanden gaan kleiner maken en dan gaan zien wat het doet met de soorten op het
eiland. Hij zag dat als de eilanden kleiner werden dat er soorten-relaxatie
optrad (verlies van soorten na habitatverkleining) en hij zag dat in totaliteit
de log-lineaire relatie bleef bestaan tussen het oppervlakte en het aantal
soorten
Hij heeft ook kolonisatie bestudeerd waarbij hij alle vertebraten op een eiland
heeft uitegmoord met methylbromide om dan te zien hoe de herkolonisatie
gebeurde. Eilanden die weinig geïsoleerd waren raken veel sneller gekoloniseerd
dan eilanden die meer geïsoleerd waren. Hij zag ook dat kleinere eilanden
minder soorten krijgen dan groter eilanden.
Hij stelde ook vast dat de evenwicht-soortenrijkdoom van een bepaald eiland
relatief constant is. Wat weer een extra bewijs is van de eilandtheorie. Ook de
soorten-relaxatie op voormalige schiereilanden is hier een bewijs van. Het
aantal soorten neemt af in functie van de duur van de isolatie van het vaste
land. Hoe kleiner het eiland hoe groter de extinctiegraad. Bij voormalige
schiereilanden gaat er een verlies zijn van soorten tot een bepaald evenwicht.
Bij oceanische eilanden is er een toenemende kolonisatie tot een bepaald
evenwicht
Dus:
Wat is habitatfragmentatie?
Omvat 3 processen:
1. Afnemende fragmentoppervlakte
2. Toenemende ruimtelijke isolatie van de fragmenten
3. Toenemende hoeveelheid randhabitat (som van de omtrek van alle
fragmenten)
Fragmentatie kan optreden door verschillende processen zoals landbouw,
bosbouw,…
Het kan ook minder opvallend zijn zoals bijvoorbeeld een grasland met minder en
meer voedselrijke stukken. Het is hetzelfde habitat is totaliteit maar er
ontstaat fragmentatie op basis van kwaliteitsverlies. Wat wel invloed heeft op
de ES. Niet elk habitatfragment is nog een geschikt fragment. Soms is ons
referentiekader van ‘oorspronkelijk’ habitat enkel maar zo goed als de
historische bronnen on toelaten.
Verschillende typen
fragmentatie
1. Intacte fragmentatie: Er is een fragment in het intacte landschap
2. Variegated fragmentatie: Mozaïek patroon van onbewerkt en bewerkte
fragmenten
3. Fragmentatie: Kleine fragmenten van beide
4. Relictual: Enkel nog maar kleine fragmenten van bewerkte zones
Voorbeelden
☺ oorzaken
Fragmentatie ten gevolge van een toename aan agrarische gebieden en
urbanisatie
☺ Landschapsinversie: oorspronkelijk zie je open systemen en open
heidesystemen die dan omgekeerd geraken doordat er meer hoog
gemodificeerd bos komt en akkers komen.
o Open landschappen krijgen meestal de hardste klappen, deels omdat ze
al gemodificeerd waren, bossen iets minder hard
☺ Fragmentatie ten gevolge van de doorsnijding van verkeer.
☺ Fragmentatie door kolonisatie van mensen
☺ Verwoestijning van door het kappen van bomen
Pioneerstudies
Soort-oppervlakte
S=
relaties
cAz: hoe groter de oppervlakte van het habitat, hoe meer
soorten je kan verwachten.
, ☺ Log S = z log A + log c (log-lineair verband tussen
opp. en aantal soorten)
☺ c = start aantal soorten (min)
☺ z = rico/steilheid van de rechte
De z-waarde zijn zeer constant over de taxonomische groepen
heen over de verschillende regio’s heen (0,2-0,5).
2 vaststellingen:
☺ De eilandcurves zijn steiler dan de curves op het vaste land.
☺ Positieve S-A-relatie
Hypothese 1:
Dit komt omdat grote eilanden meer habitatten en dus meer mogelijkheden hebben
om soorten te herbergen. Hoe meer habitat, hoe meer soorten. Van zodra er meer
dan 1 habitattype is, dan verdwijnt dit verband zo goed als en ziet men dat het
nog altijd verband houdt met de hoeveelheid oppervlakte. De positieve S-A-
relatie is te danken aan de diversiteit aan habitat maar kan niet het verschil
in helling tussen vastelands- en eilandcurves niet verklaren
Hypothese 2:
Contrast tussen habitat op eilanden is groter dan op vasteland, kleine
populaties zijn dus gevoeliger voor uitsterven en worden niet ‘gered’ indien ze
geïsoleerd voorkomen. Op het vasteland maken de subpopulaties deel uit van 1
grote populatie (samples). Op eilanden zijn de subpopulaties klein en volledig
geïsoleerd (isolates). Zeer geïsoleerde eilanden kunnen moeilijk terug
gekoloniseerd geraken waardoor de z-waarde veel hoger ligt.
Deze vaststellingen hebben geleid tot de eilandtheorie
Experimenten van
Hij Simberlof
heeft de relatie tussen
kolonisatie en extinctie bestudeert. Hij is
eilanden gaan kleiner maken en dan gaan zien wat het doet met de soorten op het
eiland. Hij zag dat als de eilanden kleiner werden dat er soorten-relaxatie
optrad (verlies van soorten na habitatverkleining) en hij zag dat in totaliteit
de log-lineaire relatie bleef bestaan tussen het oppervlakte en het aantal
soorten
Hij heeft ook kolonisatie bestudeerd waarbij hij alle vertebraten op een eiland
heeft uitegmoord met methylbromide om dan te zien hoe de herkolonisatie
gebeurde. Eilanden die weinig geïsoleerd waren raken veel sneller gekoloniseerd
dan eilanden die meer geïsoleerd waren. Hij zag ook dat kleinere eilanden
minder soorten krijgen dan groter eilanden.
Hij stelde ook vast dat de evenwicht-soortenrijkdoom van een bepaald eiland
relatief constant is. Wat weer een extra bewijs is van de eilandtheorie. Ook de
soorten-relaxatie op voormalige schiereilanden is hier een bewijs van. Het
aantal soorten neemt af in functie van de duur van de isolatie van het vaste
land. Hoe kleiner het eiland hoe groter de extinctiegraad. Bij voormalige
schiereilanden gaat er een verlies zijn van soorten tot een bepaald evenwicht.
Bij oceanische eilanden is er een toenemende kolonisatie tot een bepaald
evenwicht
Dus: