Examencijfer: 9,2
1.1
De kandidaat benoemt welk overheidsorgaan of overheidsinstantie een gegeven belasting of
heffing kan opleggen.
- Het rijk inkomstenbelasting
- Provincie motorrijtuigbelasting
- Gemeente hondenbelasting, onroerendezaakbelasting
1.2
De kandidaat benoemt wie belastingplichtig is in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting.
Binnenlands belastingplichtig = alle natuurlijke personen wonend in Nederland
Buitenlands belastingplichtig = alle natuurlijke personen wonend in het buitenland, maar heeft een
inkomen in Nederland
1.3 + 1.4
(schijventarief)
1.5
De kandidaat legt uit wat het verband is tussen de loon- en de inkomstenbelasting.
- De loonbelasting mag je verrekenen met de inkomstenbelasting
- Het loon voor de loonbelasting is hetzelfde loon als het loon in box 1 voor de inkomstenbelasting
1.6
De kandidaat berekent voor een situatie en met een tabel het eigenwoningforfait.
1. WOZ-waarde erbij pakken
2. Tabel aflezen wat erbij hoort
3. Dan neem je dat % van de WOZ-waarde
Verhuizen ze pas 1 september? Dan reken je 4 maand uit. Eerst delen door 12, dan keer 4.
Als het op 31 mei zou zijn, dan ga je uit van begin juni.
1.7
De kandidaat bepaalt voor een situatie de aftrekposten.
De renten of kosten van een geldlening die gebruikt wordt voor de eigen woning (aankoop,
verbouwen of onderhoud van de eigen woning)
Bijvoorbeeld:
- Afsluitprovisie
- Notariskosten (hyp.kosten wel, koopakte niet)
- Rente
- Kadasterkosten
1.8
De kandidaat berekent voor een situatie het belastbare inkomen uit eigen woning.
Eigenwoningforfait – aftrekposten = belastbaar inkomen
1.9
De kandidaat bepaalt voor een situatie in welke box een inkomstenbestanddeel valt.
Er zijn 7 inkomstenbestanddelen
In box 1 zitten er 5:
, - Inkomen uit tegenwoordige arbeid ook BV en NV
- Inkomen uit verleden arbeid
- Inkomen uit overige werkzaamheden
- Winst uit onderneming geen rechtspersonen, wel eenmanszaken
- Inkomen uit eigen woning
Box 2: (25%)
- Aanmerkelijk belang (meer dan 5% van het totale aandelen vermogen)
Box 3 (30%):
- Sparen en beleggen, fictief rendement
1.10
De kandidaat stelt voor een situatie vast welke gegevens nodig zijn voor de aangifte.
- Alle bewijzen van inkomen
- WOZ-waarde
- Jaaropgave
- Bankafschriften
Niks wat met huur te maken heeft!
1.11
De kandidaat somt aftrekposten op die niet-ondernemers kunnen opvoeren.
Aftrekbaar:
- Ziektekosten (niet premie en eigen risico)
- Studiekosten (alleen als je geen recht hebt op studiefinanciering en je moet het doen voor je
beroep)
- Reiskosten woon-werk (alleen met openbaar vervoer)
- Alimentatie betalen (alleen voor de partner, die het betaalt)
1.12
De kandidaat motiveert een situatie of iemand in aanmerking komt voor een bepaalde
heffingskorting.
Heffingskortingen:
- algemene heffingskorting iedereen
- arbeidskorting iedereen die werkt
1.13
De kandidaat bepaalt voor een situatie wie inhoudingsplichtige en belastingplichtige is.
Inhoudingsplichtige werkgever
Belastingplichtige werknemer
1.14
De kandidaat beschrijft wat de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) regelt.
In de AWR worden algemene regels gegeven die betrekking hebben op onderwerpen uit het formele
belastingrecht, zoals aangiften en aanslagen, en rechtsbescherming, waaronder de
belastingrechtspraak
1.15
De kandidaat benoemt of een rijksbelasting een aangifte- of een aanslagbelasting is.
Er zijn twee aanslagbelastingen:
- Inkomstenbelasting
- Vennootschapsbelasting
De rest zijn allemaal aangiftebelastingen