Overdrachts- en omzetbelasting | jaargang 2024/2025
Werkgroep-opdrachten week 4
Onderwerpen: art. 4 WBR
Nb. licht uw antwoorden steeds toe en geef daarbij aan (voor zover van toepassing) welke wettelijke
bepalingen en eventuele beleidsbesluiten van toepassing zijn. Tip: bij de beantwoording van de
vragen is het raadzaam om aan te sluiten bij het behandelde stappenplan:
• WAT voor belastbare handeling wordt verricht?
• WIE is de verkrijger?
• WANNEER doet het belastbare feit zich voor
• WAAROVER dient de overdrachtsbelasting te worden voldaan (indien geen vrijstelling)?
• WELKE vrijstelling(en) geldt voor deze belastbare handeling?
• HOE vindt de heffing plaats
Aantekeningen tijdens werkgroep:
Om te beoordelen of een lichaam kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon (OZR) moet
je langs drie kerncriteria: het moet gaan om een rechtspersoon, er moet zijn voldaan aan de
bezitseis en aan de doeleis.
Bij de bezitseis kijk je naar de activazijde van de balans en beoordeel je de bezittingen op
basis van de waarde in het economisch verkeer. Meer dan 50% van de totale bezittingen moet
uit onroerende zaken bestaan en ten minste 30% van de totale bezittingen moet bestaan uit in
Nederland gelegen vastgoed. Als hieraan wordt voldaan, kan sprake zijn van een OZR, mits
ook aan de doeleis wordt voldaan.
De doeleis houdt in dat de onroerende zaken als geheel voor ten minste 70% dienstbaar
moeten zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van vastgoed, zoals verhuur. Het
gedeelte dat in de eigen onderneming wordt gebruikt – maximaal circa 30% – telt niet als
beleggingsexploitatie. Wordt niet aan deze dienstbaarheid voldaan, dan is geen sprake van
een OZR.
Wanneer eenmaal is vastgesteld dat een lichaam een OZR is, betekent dat nog niet
automatisch dat overdrachtsbelasting verschuldigd is. Daarna moet nog worden beoordeeld of
een kwalificerend belang wordt verkregen of uitgebreid. De belangeis vormt dus een tweede
‘poort’: pas als zowel aan de OZR-criteria als aan de belangeis wordt voldaan, kan sprake
zijn van een belastbare verkrijging voor de overdrachtsbelasting.
3. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt ter zake van de verkrijging
van aandelen alleen belasting geheven wanneer de verkrijger met inbegrip van de
, reeds aan hem toebehorende aandelen en ingevolge dezelfde of een
samenhangende overeenkomst nog te verkrijgen aandelen:
a. als natuurlijk persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot,
zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede
graad van de zijlinie of een verbonden lichaam, voor ten minste een
derde gedeelte, en, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor
meer dan zeven percent belang in de rechtspersoon heeft;
b. als rechtspersoon, al dan niet tezamen met een verbonden
lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor ten minste een
derde gedeelte belang in de rechtspersoon heeft.
Het onderscheid tussen art. 4 lid 3 onderdeel a en onderdeel b WBR zit in het type
verkrijger en de manier waarop het kwalificerend belang wordt beoordeeld.
Art. 4 lid 3 sub a WBR – natuurlijke personen
Deze bepaling ziet op verkrijging door een natuurlijk persoon. Bij de beoordeling van het
belang worden ook de belangen van de echtgenoot, bloed- en aanverwanten in rechte lijn en
tweede graad zijlijn en verbonden lichamen meegeteld. Er gelden daarbij twee drempels: de
verkrijger moet – al dan niet samen met deze kring – een belang van ten minste één derde
hebben én zelf (al dan niet samen met de echtgenoot) een belang van meer dan 7%. Die 7%-
grens voorkomt dat iemand met slechts een zeer klein eigen belang wordt geconfronteerd met
overdrachtsbelasting enkel omdat familieleden aandelen houden.
Heb je bijvoorbeeld zelf 28% en een kind 6%, dan wordt gezamenlijk gekeken of de 1/3-
grens wordt gehaald. Wordt die grens overschreden en voldoe je zelf aan de minimale eigen
betrokkenheid, dan kan sprake zijn van een belastbare verkrijging.
Art. 4 lid 3 sub b WBR – rechtspersonen
Dit onderdeel ziet op verkrijging door een rechtspersoon. Hier geldt alleen de eis dat de
rechtspersoon, al dan niet samen met verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen,
een belang van ten minste één derde heeft. Een aparte 7%-drempel bestaat hier niet.
De achtergrond hiervan is anti-misbruik: zonder deze regeling zou het belang eenvoudig
kunnen worden opgesplitst over meerdere vennootschappen of personen om onder de 1/3-
grens te blijven. Daarom wordt gekeken naar de gehele kring van verbonden partijen en het
gezamenlijke economische belang.