(Hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7)
Hoofdstuk 1 – Zin in Lezen
Young Adult literatuur herkennen:
- Thema is vaak opgroeien = overgangsliteratuur
- Situaties zijn erg herkenbaar
Herkenbaarheid gevoelens (verliefd, verward, onbegrepen…)
- Geschreven vanuit standpunt tienerleven
Gewoonlijk tegenwoordige tijd
- Schrijfstijl erg direct
- Zware onderwerpen
Binnen verschillende YA zijn er verschillende literaire genres:
Psychologische roman Vooral gericht op de gedachten en gevoelens van het
hoofdpersonage, dat een ontwikkeling doormaakt. Er is
weinig actie en het verteltempo is traag.
Thriller Nadruk ligt op actie en gevaar. Het verteltempo ligt hoog
en de spanning wordt opgedreven. Hoofdpersonage is een
echte held.
Science iction ‘Wetenschappelijke ictie’ speelt zich af in een
denkbeeldige, meestal in de toekomst gesitueerde tijd en
ruimte.
Fantasy Gekenmerkt door onbestaande elementen, verzonnen
wezens en denkbeeldige werelden. Magie en andere
bovennatuurlijke elementen spelen een belangrijke rol in
dit genre.
Historische roman Verhaalstof is gebaseerd op historische feiten en/of
historische personen. Kern wordt aangevuld met
ictionele elementen.
Oorlogsroman Soort historische roman, waarbij een oorlog de setting
vormt.
, Hoofdstuk 2 – De tutorial
In een prescriptieve tekst staan instructies die heel wat kenmerken hebben:
- Beschrijving verschillende stappen
- Stappen in chronologische volgorde (cijfers/symbolen/signaalwoorden)
Ten eerste, dan, daarna, verder, ten slotte…
- Korte en duidelijke zinnen
Imperatief gebruiken
- Soms illustraties ter verduidelijking
- Vermelding benodigdheden
Hoofdstuk 3 – Close reading
Leesstrategieë n:
Context, andere talen, woordenboek, computer…
VASK (visueel, auditief, schrijven, kinetisch)
Hoofdstuk 4 – Taalvariatie
Alle mogelijke vormen van taalvariatie:
Standaardnederlands De standaardvariant van het Nederlands en wordt
gebruikt in formele situaties.
‘Heeft u nog een potlood voor mij?’
Tussentaal De omgangstaal waarin de meerderheid van de Vlamingen
zich mondeling vlot en verstaanbaar uitdrukt.
‘Ebde gij nog een potlood vo mij?’
Dialect Plaatselijke, lokale vorm van het Nederlands en bevat
minder zuivere tonen.
‘Edde nog een krijong veu maai?’
Sociolect De term die een eigen is aan een bepaalde sociale groep,
dit kan een groepstaal of vaktaal zijn.
Groepstaal Onderscheid op vlak van woordenschat, enkele
voorbeelden zijn: jongerentaal, straattaal, mannentaal,
vrouwentaal, studententaal…
Vaktaal Onderscheid op vlak van vak of beroep. Hierbij wordt er
gebruik gemaakt van vaktermen die eigen zijn aan het
beroep: booten, elan … dit noemt men vakjargon.