Mechanisms
of
disease
1
Thema
1
Commensale
bacteriën:
produceren
vitaminen
en
houden
andere
bacteriën
weg
(in
darmflora)
Oppurtunistische
pathogenen:
veroorzaken
alleen
ziekte
als
ze
de
kans
krijgen,
maar
zijn
normaal
gesproken
niet
ziekteverwekkend.
Epitheel
huid:
1. Scheidt
antimicrobiële
stoffen
uit
(vetzuren,
lactaat),
voorkomt
groei.
2. Maakt
defensines
(peptiden),
deze
doorboren
membranen
van
indringers.
Tranen
en
speeksel
bevatten
lysosomen:
deze
breken
celwanden
af.
Cytokines
(interferonen):
• Lokale
vasodilatatie
• Verhoging
vaatpermeabiliteit
• Triggeren
migraine,
adhesie
en
migratie
van
leukocyten
Adaptieve
immuunsysteem
maakt
gebruik
van
celreceptoren,
in
tegenstelling
tot
het
innate
immuunsysteem.
Megakaryocyten
‘reuzencellen’
in
beenmerg.
Voorloper
van
bloedplaatjes.
Granulocyt
Bevat
granules
met
stofjes
die
micro-‐
organismen
doden
en
ontstkingsreacties
voorkomen.
Neutrofiele
granulocyt
Fagocyteert
micro-‐organismes
(fagot)
Eosinofiele
granulocyt
FceRI
receptor.
Beschermt
tegen
wormen
en
andere
parasieten.
Basofiele
granulocyt
Reguleert
ook
bij
parasieten,
maar
is
zeldzaam.
Monocyt
Voorloper
van
macrofaag.
Macrofaag
Fagocytose,
afscheiden
van
cytokines,
antigenen
van
pathogenen
presenteren.
Dendritische
cellen:
Brengen
cargo
van
pathogenen
naar
de
secundaire
lymfoïde
organen
en
activeren
zo
het
adaptieve
immuunrespons.
Mestcellen
Bevat
granules
(zie
granulocyt).
Scheidt
histamine,
heparine
en
TNF
alfa
uit.
IgE.
Natural
Killer
Cells
Belangrijk
bij
virale
infecties.
Doden
virus
geïnfecteerde
cellen
en
scheiden
cytokines
uit.
B-‐cellen
Bevatten
receptoren
voor
immunoglobines.
T-‐cellen
Bevatten
CD8,
CD4
etc.
receptoren.
,B-‐cellen
rijpen
in
het
beenmerg.
T-‐cellen
beginnen
hier
ook,
maar
rijpen
uit
in
de
thymus.
GALT:
• Tonsillen
• Adenoïden
• Appendix
• Plakken
van
Peyer
(dunne
darm)
BALT:
respiratoir
MALT:
mucose-‐geassocieerd
Milt
bevat
witte
en
rode
pulpa.
1. Bloed
gaat
milt
binnen
via
witte
pulpa:
evt.
activatie
van
witte
bloedcellen.
2. Vervolgens
komt
het
bloed
bij
de
rode
pulpa
terecht,
waar
oude
rode
bloedcellen
en
schadelijke
bestanddelen
uit
het
bloed
worden
gehaald.
Ook:
opslag
bloed
en
aanmaak
nieuwe
rode
bloedcellen
in
rode
pulpa.
Langerhanscellen:
lijken
qua
functie
op
dendrietcellen,
maar
deze
liggen
in
de
huid.
Bij
binnendringing
van
de
huid
nemen
ze
de
antigenen
op
en
presenteren
deze
in
de
secundaire
lymfoïde
organen.
Langerhanscellen
hebben
Birbeck
granules.
Waldeyer’s
ring:
ring
van
lymfoïd
weefsel:
rondom
de
ingang
van
de
slokdarm
&
luchtpijp.
Chemotaxis:
organismen
/
cellen
verplaatsen
zich
als
gevolg
van
bepaalde
concentraties
stoffen
in
de
omgeving.
Opsonisatie:
aanpassen
van
celoppervlak
van
de
pathogeen
waardoor
betere
hechting
aan
het
celoppervlak
van
de
fagocyt
mogelijk
is.
Complement
systeem:
opsioniseert
bacteriën.
Meeste
complement
onderdelen
zijn
proteolytisch
en
circuleren
inactief
rond
à
zymogenen.
(Getriggerd
door
serine
protease).
C3
is
het
belangrijkst.
C3b
bindt
aan
pathogeen
(complement
fixatie)
en
C3a
werkt
chemotactisch.
3
manieren
om
het
complement
systeem
te
activeren:
1. Alternatieve
pathway:
begin
infectie,
innate
2. Lectine
pathway:
kost
iets
meer
tijd,
wel
innate
3. Klassieke
pathway:
hiervoor
is
binding
van
antistof
of
CRP
eiwit
nodig.
Ic3bBb
is
een
C3-‐convertase
(activeert
C3
door
te
splitsen
in
C3a
en
C3b).
Wordt
hierbij
geholpen
door
factor
B
en
D.
Factor
I
en
H
inactiveren
C3b.
Factor
P
(properdine)
versterkt
de
werking
juist.
,Membraan
eiwitten
van
menselijke
cellen
• Decay-‐acceleration
factor
(DAF):
CD55
o Bindt
C3b
of
C3
convertases,
waardoor
deze
inactief
worden.
• Membrane
co-‐factor
protein
(MCP):
CD45
o Bindt
aan
C3b
en
wordt
zo
ontvankelijk
voor
inactivatie
door
factor
I.
Werkt
dus
als
factor
H.
Deze
eiwitten
zijn
samengesteld
uit
complement
control
protein
molecules.
Ze
worden
‘regulatoren
van
complement
activatie’
genoemd
(RCA).
Macrofagen
in
de
lever:
“Kupffer
cells”.
Macrofagen
fagocyteren
niet-‐specifiek,
maar
dit
wordt
wel
specifieker
d.m.v.
bepaalde
receptoren:
complement
receptor
1
(CR1).
Deze
receptor
beschermt
ook
het
celoppervlak.
Membrane-‐attack
complex:
vormt
transmembraan
kanalen,
waardoor
de
fosfolipide
dubbellaag
van
de
celwanden
verstoord
wordt
en
de
cel
sterft.
Op
gang
gebracht
door
C5b.
Hieraan
binden
C6,
C7
en
C8,
waardoor
er
vervolgens
een
hydrofobische
regio
geëxposeerd
wordt.
C5b678
zorgt
vervolgens
voor
de
polymerisatie
van
C9,
het
component
dat
de
transmembraanporiën
maakt.
Gestimuleerd
door:
Geinhibeerd
door:
Properdine
(Factor
P)
Factor
H/I
(inactiveren
C3b)
DAF
HRF
Protectine
(CD59)
Anaphylatoxines:
C3a
+
C5a
(zorgen
voor
hoge
vasculaire
permeabiliteit)
Macrofagen
scheiden
cytokinen
/
interferonen
uit:
1. IL-‐6:
niet-‐lokaal,
productie
door
hepatocyten
2. TNF-‐alfa:
verhoogt
vasculaire
permeabiliteit
à
evt.
shock
(defensie
TLR-‐4)
3. IL-‐1:
activeert
lymfocyten,
productie
van
IL-‐6
4. CXCL8:
chemotactische
werking,
trekt
basofielen
en
neutrofielen
aan
5. IL-‐12:
activeert
NK
cel
IL-‐6,
TNF-‐alfa
en
IL-‐1
zorgen
voor
koorts.
IL-‐6
zorgt
in
de
lever
voor
de
aanmaak
van:
1. Mannose
bindend
peptide:
triggert
de
lectine
pathway
van
het
complement
systeem
2. C-‐reactive
protein:
triggert
de
klassieke
pathway
3. Fibrinogeen
(stollingsfactor)
Defenisines:
peptiden
van
cellen
van
het
immuunsysteem
die
assisteren
in
het
killen
van
pathogenen
door
gaten
in
het
membraan
te
maken.
• Alfa-‐defensine:
neutrofielen
&
Paneth
cellen
(HD5+HD6
cryptdins)
• Beta-‐defensine:
vooral
in
epitheel:
huid,
repsiratoire
tractus,
urogenitale
tractus
Toll-‐like
receptor
(TLR)
op
macrofaag:
TLR4
herkent
vooral
de
LPS
op
de
wand
van
bacteriën
(Gram
-‐)
TLR
3,
7
en
8
zijn
intracellulair
en
herkennen
vooral
viraal/bacterieel
DNA
,Leukocyten
hechten
aan
vasculair
endotheel
m.b.v.
4
adhesiemoleculen:
• Selectines
binden
aan
koolhydraten
van
bijv
• Vasculaire
adressines
(LFA-‐1)
• Integrines
(CR3
en
4)
binden
eiwitten
van
bijv
• Immunoglobine
superfamilie
(ICAM-‐1)
NK-‐cellen
vervullen
dezelfde
functie
in
het
innate
imuun
respons
als
cytotoxic
T-‐cellen
in
het
adaptive
immuun
respons.
NK-‐cellen
controleren
de
virus
replicatie
en
de
spreiding
van
infectie
terwijl
cytotoxische
T-‐cellen
zich
aan
het
ontwikkelen
zijn.
Naïeve
T-‐cellen
zien
het
antigen
in
lymfeknopen
op
de
MHC
receptor
van
een
dendrietische
cel.
Cytotoxische
T-‐cel
(CD8)
–
klasse
I
MHC
–
intracellulair.
T-‐helper
cel
(CD4)
–
klasse
II
MHC
–
extracellulair.
Bij
de
binding
van
een
naïve
T-‐cell
aan
een
dendrietcel
zijn
2
signalen
nodig
voordat
deze
cellen
zich
gaan
differentiëren.
1. Binding
van
TCR
en
CD4
aan
MHC-‐II
2. Binding
van
CD28
aan
B7
Types
T-‐helpercellen
CD4:
• TH1:
zorgt
voor
macrofaag
activatie
door
binding
met
IL-‐2
en
IFN-‐gamma.
Produceert
opsoniserende
antibodies.
• TH2:
zorgt
voor
activatie
van
B-‐cellen
zodat
deze
antibodies
gaan
maken.
Bindt
met
IL-‐4,
IL-‐5
en
IL-‐13.
Regulatoire
T-‐cel
/
T-‐supressorcel:
zorgt
ervoor
dat
de
afweerreactie
niet
uit
de
hand
loopt
door
contact
te
maken
met
andere
T-‐cellen
en
cytokinen
uit
te
scheiden.
TH17:
extracellulaire
pathogenen,
zoals
schimmels.
B-‐cel
activatie:
• Crosslinking
van
de
antigenen
aan
de
B-‐cel
receptor
• B-‐cel
co-‐receptor:
o CD21
(CD2)
o CD19
(signalling
chain)
o CD81
• T-‐cel
afhankelijk
(immunodeficiëntie)
of
T-‐cel
onafhankelijk
(T1
antigens
/
IgM)
,Functies
van
antibodies
1. Nuetralisatie
van
toxinen
2. Voorkomen
dat
pathogenen
het
lichaam
binnendringen
via
epitheelcellen
3. Complement
activatie
4. Opsonisatie
IgE
crosslinking
op
een
mestcel
zorgt
voor:
• Degranulatie
(histamine
etc.)
• Vrijlating
inflammatoire
mediatoren
HLA
is
de
menselijke
variant
van
MHC.
In
de
thymus
ondergaat
de
T-‐cel
twee
processen:
1. Positieve
selectie:
alleen
T-‐cellen
die
sterk
genoeg
aan
MHC-‐moleculen
kunnen
binden
worden
geselecteerd
2. Negatieve
selectie:
T-‐cellen
die
té
sterk
binden
worden
gekilled
om
auto-‐immuun
reacties
te
voorkomen.
DiGeorge’s
syndroom:
thymus
ontwikkelt
zich
niet
à
vaak
infecties.
Geen
T-‐cellen.
Oorzaken
van
ontstekingen:
1. Infecties
2. Weefsel
necrose
3. Immuunreacties
4. Vreemde
lichamen
NO
en
histamine
zorgen
voor:
1. Vasodilatatie
2. Verhoogde
permeabiliteit
3. Langzamere
stroom
4. Stuwing
Calor
(warmte)
Dolor
(pijn)
Functio
Laesa
(verlies
van
functie)
Rudor
(roodheid)
Tumor
(zwelling)
Hypertrofie:
toename
in
grootte
van
cellen
Atrofie:
afname
van
de
grootte
van
cellen
Hyperplasie:
toename
in
het
aantal
cellen
Metaplasie:
verandering
van
celtype/weefseltype
Vormen
van
necrose:
Liquefactive:
necrose
in
het
brein
Gangrenous:
wet
or
dry
Caseous:
weefsel
ziet
er
als
gatenkaas
uit
(tuberculose)
, Apoptose:
condensatie
chromatine
à
fragmenten
• Intrinsic
pathway
(Bcl):
verhoogde
mitochondriale
permeabiliteit
à
cytochroom
c
• Extrinsic
pathway
(TNF):
plasma
membraan
death
receptoren
(Fas)
Necrose:
zwelling
ER
en
mitochondria
à
plasma
membraan
gaat
kapot.
Graft-‐versus-‐host
ziekte:
de
afweercellen
van
het
transplantaat
(graft)
gaan
een
afweerreactie
vormen
tegen
het
weefsel
van
de
ontvanger
(host).
Dystrofische
verkalking:
wanneer
het
lichaam
necrotisch
weefsel
niet
goed
verteert.
Metastatische
verkalking:
afzetting
van
calcium
in
normaal
weefsel.
Autofagie:
bij
voedselschaarste,
wanneer
een
cel
zichzelf
gaat
opeten
om
te
kunnen
overleven.
Thema
2
Bacteriën
Gram
–
1. Curved
à
Vibrio
Campylobacter
2. Rods
à
Escheria,
Salmonella
3. Cocci
à
Neisseria
Gram
+
1. Rods
a. Spore
forming
(Clostridium
Bacillus)
b. Non-‐spore
forming
(Listeria
Propionibacteria)
2. Cocci
a. Groups
(Stapylococci)
b. Chains
(Streptococci)
Stapylococcus:
gram
+,
groups
cocci
• Aureus:
wondinfecties,
voedselvergiftiging,
ontstoken
nagelriemen,
etc.
• Epidermidis:
door
katheter
of
prothese
Virulence
factor:
peptidoglycaan
Streptococcus:
gram
+,
chains
cocci
• Pyrogenes:
krentenbaard,
wondroos,
tonsillitis,
roodvonk,
toxic
shock
syndroom
• Pneumoniae:
pneumonia,
otitis
media,
meningitis
Virulence
factor:
peptidoglycaan
Neisseria:
gram
-‐,
diplococci
• Meningiditis:
hersenvliesontsteking
• Gonorrhoeae:
gonnorhea
Mycobacteria:
aerobe
rods.
Celwand
is
van
mycolinezuur.
dus
acid-‐fast
(kleurt
niet).
Zwak
gram
+.
• Tuberculosis:
veelal
granulomen
in
longen
of
disease
1
Thema
1
Commensale
bacteriën:
produceren
vitaminen
en
houden
andere
bacteriën
weg
(in
darmflora)
Oppurtunistische
pathogenen:
veroorzaken
alleen
ziekte
als
ze
de
kans
krijgen,
maar
zijn
normaal
gesproken
niet
ziekteverwekkend.
Epitheel
huid:
1. Scheidt
antimicrobiële
stoffen
uit
(vetzuren,
lactaat),
voorkomt
groei.
2. Maakt
defensines
(peptiden),
deze
doorboren
membranen
van
indringers.
Tranen
en
speeksel
bevatten
lysosomen:
deze
breken
celwanden
af.
Cytokines
(interferonen):
• Lokale
vasodilatatie
• Verhoging
vaatpermeabiliteit
• Triggeren
migraine,
adhesie
en
migratie
van
leukocyten
Adaptieve
immuunsysteem
maakt
gebruik
van
celreceptoren,
in
tegenstelling
tot
het
innate
immuunsysteem.
Megakaryocyten
‘reuzencellen’
in
beenmerg.
Voorloper
van
bloedplaatjes.
Granulocyt
Bevat
granules
met
stofjes
die
micro-‐
organismen
doden
en
ontstkingsreacties
voorkomen.
Neutrofiele
granulocyt
Fagocyteert
micro-‐organismes
(fagot)
Eosinofiele
granulocyt
FceRI
receptor.
Beschermt
tegen
wormen
en
andere
parasieten.
Basofiele
granulocyt
Reguleert
ook
bij
parasieten,
maar
is
zeldzaam.
Monocyt
Voorloper
van
macrofaag.
Macrofaag
Fagocytose,
afscheiden
van
cytokines,
antigenen
van
pathogenen
presenteren.
Dendritische
cellen:
Brengen
cargo
van
pathogenen
naar
de
secundaire
lymfoïde
organen
en
activeren
zo
het
adaptieve
immuunrespons.
Mestcellen
Bevat
granules
(zie
granulocyt).
Scheidt
histamine,
heparine
en
TNF
alfa
uit.
IgE.
Natural
Killer
Cells
Belangrijk
bij
virale
infecties.
Doden
virus
geïnfecteerde
cellen
en
scheiden
cytokines
uit.
B-‐cellen
Bevatten
receptoren
voor
immunoglobines.
T-‐cellen
Bevatten
CD8,
CD4
etc.
receptoren.
,B-‐cellen
rijpen
in
het
beenmerg.
T-‐cellen
beginnen
hier
ook,
maar
rijpen
uit
in
de
thymus.
GALT:
• Tonsillen
• Adenoïden
• Appendix
• Plakken
van
Peyer
(dunne
darm)
BALT:
respiratoir
MALT:
mucose-‐geassocieerd
Milt
bevat
witte
en
rode
pulpa.
1. Bloed
gaat
milt
binnen
via
witte
pulpa:
evt.
activatie
van
witte
bloedcellen.
2. Vervolgens
komt
het
bloed
bij
de
rode
pulpa
terecht,
waar
oude
rode
bloedcellen
en
schadelijke
bestanddelen
uit
het
bloed
worden
gehaald.
Ook:
opslag
bloed
en
aanmaak
nieuwe
rode
bloedcellen
in
rode
pulpa.
Langerhanscellen:
lijken
qua
functie
op
dendrietcellen,
maar
deze
liggen
in
de
huid.
Bij
binnendringing
van
de
huid
nemen
ze
de
antigenen
op
en
presenteren
deze
in
de
secundaire
lymfoïde
organen.
Langerhanscellen
hebben
Birbeck
granules.
Waldeyer’s
ring:
ring
van
lymfoïd
weefsel:
rondom
de
ingang
van
de
slokdarm
&
luchtpijp.
Chemotaxis:
organismen
/
cellen
verplaatsen
zich
als
gevolg
van
bepaalde
concentraties
stoffen
in
de
omgeving.
Opsonisatie:
aanpassen
van
celoppervlak
van
de
pathogeen
waardoor
betere
hechting
aan
het
celoppervlak
van
de
fagocyt
mogelijk
is.
Complement
systeem:
opsioniseert
bacteriën.
Meeste
complement
onderdelen
zijn
proteolytisch
en
circuleren
inactief
rond
à
zymogenen.
(Getriggerd
door
serine
protease).
C3
is
het
belangrijkst.
C3b
bindt
aan
pathogeen
(complement
fixatie)
en
C3a
werkt
chemotactisch.
3
manieren
om
het
complement
systeem
te
activeren:
1. Alternatieve
pathway:
begin
infectie,
innate
2. Lectine
pathway:
kost
iets
meer
tijd,
wel
innate
3. Klassieke
pathway:
hiervoor
is
binding
van
antistof
of
CRP
eiwit
nodig.
Ic3bBb
is
een
C3-‐convertase
(activeert
C3
door
te
splitsen
in
C3a
en
C3b).
Wordt
hierbij
geholpen
door
factor
B
en
D.
Factor
I
en
H
inactiveren
C3b.
Factor
P
(properdine)
versterkt
de
werking
juist.
,Membraan
eiwitten
van
menselijke
cellen
• Decay-‐acceleration
factor
(DAF):
CD55
o Bindt
C3b
of
C3
convertases,
waardoor
deze
inactief
worden.
• Membrane
co-‐factor
protein
(MCP):
CD45
o Bindt
aan
C3b
en
wordt
zo
ontvankelijk
voor
inactivatie
door
factor
I.
Werkt
dus
als
factor
H.
Deze
eiwitten
zijn
samengesteld
uit
complement
control
protein
molecules.
Ze
worden
‘regulatoren
van
complement
activatie’
genoemd
(RCA).
Macrofagen
in
de
lever:
“Kupffer
cells”.
Macrofagen
fagocyteren
niet-‐specifiek,
maar
dit
wordt
wel
specifieker
d.m.v.
bepaalde
receptoren:
complement
receptor
1
(CR1).
Deze
receptor
beschermt
ook
het
celoppervlak.
Membrane-‐attack
complex:
vormt
transmembraan
kanalen,
waardoor
de
fosfolipide
dubbellaag
van
de
celwanden
verstoord
wordt
en
de
cel
sterft.
Op
gang
gebracht
door
C5b.
Hieraan
binden
C6,
C7
en
C8,
waardoor
er
vervolgens
een
hydrofobische
regio
geëxposeerd
wordt.
C5b678
zorgt
vervolgens
voor
de
polymerisatie
van
C9,
het
component
dat
de
transmembraanporiën
maakt.
Gestimuleerd
door:
Geinhibeerd
door:
Properdine
(Factor
P)
Factor
H/I
(inactiveren
C3b)
DAF
HRF
Protectine
(CD59)
Anaphylatoxines:
C3a
+
C5a
(zorgen
voor
hoge
vasculaire
permeabiliteit)
Macrofagen
scheiden
cytokinen
/
interferonen
uit:
1. IL-‐6:
niet-‐lokaal,
productie
door
hepatocyten
2. TNF-‐alfa:
verhoogt
vasculaire
permeabiliteit
à
evt.
shock
(defensie
TLR-‐4)
3. IL-‐1:
activeert
lymfocyten,
productie
van
IL-‐6
4. CXCL8:
chemotactische
werking,
trekt
basofielen
en
neutrofielen
aan
5. IL-‐12:
activeert
NK
cel
IL-‐6,
TNF-‐alfa
en
IL-‐1
zorgen
voor
koorts.
IL-‐6
zorgt
in
de
lever
voor
de
aanmaak
van:
1. Mannose
bindend
peptide:
triggert
de
lectine
pathway
van
het
complement
systeem
2. C-‐reactive
protein:
triggert
de
klassieke
pathway
3. Fibrinogeen
(stollingsfactor)
Defenisines:
peptiden
van
cellen
van
het
immuunsysteem
die
assisteren
in
het
killen
van
pathogenen
door
gaten
in
het
membraan
te
maken.
• Alfa-‐defensine:
neutrofielen
&
Paneth
cellen
(HD5+HD6
cryptdins)
• Beta-‐defensine:
vooral
in
epitheel:
huid,
repsiratoire
tractus,
urogenitale
tractus
Toll-‐like
receptor
(TLR)
op
macrofaag:
TLR4
herkent
vooral
de
LPS
op
de
wand
van
bacteriën
(Gram
-‐)
TLR
3,
7
en
8
zijn
intracellulair
en
herkennen
vooral
viraal/bacterieel
DNA
,Leukocyten
hechten
aan
vasculair
endotheel
m.b.v.
4
adhesiemoleculen:
• Selectines
binden
aan
koolhydraten
van
bijv
• Vasculaire
adressines
(LFA-‐1)
• Integrines
(CR3
en
4)
binden
eiwitten
van
bijv
• Immunoglobine
superfamilie
(ICAM-‐1)
NK-‐cellen
vervullen
dezelfde
functie
in
het
innate
imuun
respons
als
cytotoxic
T-‐cellen
in
het
adaptive
immuun
respons.
NK-‐cellen
controleren
de
virus
replicatie
en
de
spreiding
van
infectie
terwijl
cytotoxische
T-‐cellen
zich
aan
het
ontwikkelen
zijn.
Naïeve
T-‐cellen
zien
het
antigen
in
lymfeknopen
op
de
MHC
receptor
van
een
dendrietische
cel.
Cytotoxische
T-‐cel
(CD8)
–
klasse
I
MHC
–
intracellulair.
T-‐helper
cel
(CD4)
–
klasse
II
MHC
–
extracellulair.
Bij
de
binding
van
een
naïve
T-‐cell
aan
een
dendrietcel
zijn
2
signalen
nodig
voordat
deze
cellen
zich
gaan
differentiëren.
1. Binding
van
TCR
en
CD4
aan
MHC-‐II
2. Binding
van
CD28
aan
B7
Types
T-‐helpercellen
CD4:
• TH1:
zorgt
voor
macrofaag
activatie
door
binding
met
IL-‐2
en
IFN-‐gamma.
Produceert
opsoniserende
antibodies.
• TH2:
zorgt
voor
activatie
van
B-‐cellen
zodat
deze
antibodies
gaan
maken.
Bindt
met
IL-‐4,
IL-‐5
en
IL-‐13.
Regulatoire
T-‐cel
/
T-‐supressorcel:
zorgt
ervoor
dat
de
afweerreactie
niet
uit
de
hand
loopt
door
contact
te
maken
met
andere
T-‐cellen
en
cytokinen
uit
te
scheiden.
TH17:
extracellulaire
pathogenen,
zoals
schimmels.
B-‐cel
activatie:
• Crosslinking
van
de
antigenen
aan
de
B-‐cel
receptor
• B-‐cel
co-‐receptor:
o CD21
(CD2)
o CD19
(signalling
chain)
o CD81
• T-‐cel
afhankelijk
(immunodeficiëntie)
of
T-‐cel
onafhankelijk
(T1
antigens
/
IgM)
,Functies
van
antibodies
1. Nuetralisatie
van
toxinen
2. Voorkomen
dat
pathogenen
het
lichaam
binnendringen
via
epitheelcellen
3. Complement
activatie
4. Opsonisatie
IgE
crosslinking
op
een
mestcel
zorgt
voor:
• Degranulatie
(histamine
etc.)
• Vrijlating
inflammatoire
mediatoren
HLA
is
de
menselijke
variant
van
MHC.
In
de
thymus
ondergaat
de
T-‐cel
twee
processen:
1. Positieve
selectie:
alleen
T-‐cellen
die
sterk
genoeg
aan
MHC-‐moleculen
kunnen
binden
worden
geselecteerd
2. Negatieve
selectie:
T-‐cellen
die
té
sterk
binden
worden
gekilled
om
auto-‐immuun
reacties
te
voorkomen.
DiGeorge’s
syndroom:
thymus
ontwikkelt
zich
niet
à
vaak
infecties.
Geen
T-‐cellen.
Oorzaken
van
ontstekingen:
1. Infecties
2. Weefsel
necrose
3. Immuunreacties
4. Vreemde
lichamen
NO
en
histamine
zorgen
voor:
1. Vasodilatatie
2. Verhoogde
permeabiliteit
3. Langzamere
stroom
4. Stuwing
Calor
(warmte)
Dolor
(pijn)
Functio
Laesa
(verlies
van
functie)
Rudor
(roodheid)
Tumor
(zwelling)
Hypertrofie:
toename
in
grootte
van
cellen
Atrofie:
afname
van
de
grootte
van
cellen
Hyperplasie:
toename
in
het
aantal
cellen
Metaplasie:
verandering
van
celtype/weefseltype
Vormen
van
necrose:
Liquefactive:
necrose
in
het
brein
Gangrenous:
wet
or
dry
Caseous:
weefsel
ziet
er
als
gatenkaas
uit
(tuberculose)
, Apoptose:
condensatie
chromatine
à
fragmenten
• Intrinsic
pathway
(Bcl):
verhoogde
mitochondriale
permeabiliteit
à
cytochroom
c
• Extrinsic
pathway
(TNF):
plasma
membraan
death
receptoren
(Fas)
Necrose:
zwelling
ER
en
mitochondria
à
plasma
membraan
gaat
kapot.
Graft-‐versus-‐host
ziekte:
de
afweercellen
van
het
transplantaat
(graft)
gaan
een
afweerreactie
vormen
tegen
het
weefsel
van
de
ontvanger
(host).
Dystrofische
verkalking:
wanneer
het
lichaam
necrotisch
weefsel
niet
goed
verteert.
Metastatische
verkalking:
afzetting
van
calcium
in
normaal
weefsel.
Autofagie:
bij
voedselschaarste,
wanneer
een
cel
zichzelf
gaat
opeten
om
te
kunnen
overleven.
Thema
2
Bacteriën
Gram
–
1. Curved
à
Vibrio
Campylobacter
2. Rods
à
Escheria,
Salmonella
3. Cocci
à
Neisseria
Gram
+
1. Rods
a. Spore
forming
(Clostridium
Bacillus)
b. Non-‐spore
forming
(Listeria
Propionibacteria)
2. Cocci
a. Groups
(Stapylococci)
b. Chains
(Streptococci)
Stapylococcus:
gram
+,
groups
cocci
• Aureus:
wondinfecties,
voedselvergiftiging,
ontstoken
nagelriemen,
etc.
• Epidermidis:
door
katheter
of
prothese
Virulence
factor:
peptidoglycaan
Streptococcus:
gram
+,
chains
cocci
• Pyrogenes:
krentenbaard,
wondroos,
tonsillitis,
roodvonk,
toxic
shock
syndroom
• Pneumoniae:
pneumonia,
otitis
media,
meningitis
Virulence
factor:
peptidoglycaan
Neisseria:
gram
-‐,
diplococci
• Meningiditis:
hersenvliesontsteking
• Gonorrhoeae:
gonnorhea
Mycobacteria:
aerobe
rods.
Celwand
is
van
mycolinezuur.
dus
acid-‐fast
(kleurt
niet).
Zwak
gram
+.
• Tuberculosis:
veelal
granulomen
in
longen