Inhoud
Hoofdstuk 1: Wat is recht? ...................................................................................... 2
1.1 Definitie van het recht .................................................................................... 2
1.2 Soorten regels................................................................................................ 2
1.3 Rechtssubject vs rechtsobject ....................................................................... 3
1.4 Soorten subjectieve rechten .......................................................................... 4
1.5 Deelgebieden van het recht ........................................................................... 5
1.6 Internationale rechtsbronnen ........................................................................ 7
1.7 Belgische wetgeving....................................................................................... 8
1.8 Overige rechtsbronnen .................................................................................. 8
Hoofdstuk 2: De Belgische Staatstructuur .............................................................. 9
2.1 Kenmerken van de Belgische staat: ................................................................ 9
2.2 Politieke instellingen in federaal België ........................................................ 12
2.3 Gemeenschappen en gewesten ................................................................... 15
.......................................................................................................................... 15
2.4 Provincies .................................................................................................... 16
2.5 Gemeenten .................................................................................................. 17
2.6 Controlerende instellingen .......................................................................... 17
Hoofdstuk 3: Internationaal recht ......................................................................... 19
3.1 Internationale instellingen ........................................................................... 19
3.2 Supranationale instelling ............................................................................. 20
3.3 De structuur en organisatie van de EU .......................................................... 20
3.4 Bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar Lidstaten ............................... 21
3.5 Europees Parlement .................................................................................... 22
3.6 Raad van de Europese Unie of Raad van Ministers ........................................ 22
3.7 Europese Raad ............................................................................................. 23
3.8 Europese Commissie ................................................................................... 23
3.9 Europees Gerecht ........................................................................................ 24
3.10 Europees Hof van Justitie ........................................................................... 24
Hoofdstuk 4: Justitie ............................................................................................. 24
4.1 De kenmerken van justitie ............................................................................ 24
, Justitie als bewaker van de rechtstaat ............................................................ 24
De actoren (deelnemers) van Justitie ............................................................. 26
Organisatie als Justitie ................................................................................... 29
4.2 De gewone hoven en rechtbanken ................................................................ 33
4.3 De burgerlijke procedure .............................................................................. 37
Hoofdstuk 1: Wat is recht?
1.1 Definitie van het recht
= Het recht is het geheel van afdwingbare regels die het menselijke handelen in de
samenleving ordenen.
=> Het recht combineert regels, maatschappelijke ordening, sancties en
afdwingbaarheid.
*Afdwingbaarheid
= Als er niet aan de regels wordt gehouden (het recht) dan worden daarvoor sancties
voorzien.
1.2 Soorten regels
1. Gedragsregels: bepalen subjectieve rechten en plichten
Subjectieve rechten
= Zijn mijn persoonlijke rechten in een bepaalde situatie. De algemene (objectieve)
regels geldt voor iedereen, maar de wet die precies op mijn situatie wordt toegepast is
mijn subjectieve recht.
Bv. De wet zegt algemeen hoe een scheiding werkt (objectief recht). Maar hoeveel
alimentatie ik ga krijgen hangt af, want die gaan kijken wat mijn inkomen is, … Dat zijn
mijn subjectieve rechten, omdat die specifiek voor mijn situatie gelden.
2. Regels voor toepassing/ afdwinging: bieden structuren bij schending
= Dit zijn de regels die toegepast worden als iemand de wet overtreedt. Dat zorgt ervoor
dat er een duidelijke structuur is om problemen op te lossen.
Bv. Als iemand iets steelt, dan mag de politie ingrijpen.
3. Regels voor wijziging: procedures om wetgeving te veranderen
= Dit zijn de regels die bepalen hoe we wetten kunnen veranderen. Ze leggen uit wie dat
mag doen en welke stappen daarvoor nodig zijn.
,1.3 Rechtssubject vs rechtsobject
Rechtssubject
= Dit is iemand of iets dat rechten en plichten kan hebben. Dat is dus een drager van
rechten, er zijn twee soorten: natuurlijke personen (mensen) en rechtspersonen (school,
gemeente)
Bv. De eigenaar van een hond is een rechtssubject, want hij heeft rechten en plichten.
Rechtsobject
= Dit is het rechtsobject van het rechtssubject.
Bv. De hond of ik ben eigenaar van een fiets dan is fiets het rechtsobject.
1.4 Rechtsmisbruik
= Rechtsmisbruik betekent dat iemand zijn recht gebruikt op een manier die niet eerlijk
is, met als doel om iemand anders te schaden. (De recht zelf is legaal, maar de manier
waarop ik het gebruik is fout).
Kenmerken:
1. Oogmerk tot schade
= Ik gebruik mijn recht met de bedoeling om iemand anders pijn te doen of te pesten.
Bv. Ik zet een extra hoge muur in mijn tuin, niet omdat ik privacy wil, maar puur om het
zonlicht van mijn buur te blokkeren.
2. Ontbreken van eigen belang
= Ik heb zelf geen voordeel bij wat ik doe. Ik doe het dus niet omdat ik er iets aan heb,
maar puur om de ander te raken.
Bv. Ik laat een oud, kapot tuinhuis staan dat ik niet gebruik, maar gewoon om te
voorkomen dat mijn buur zijn tuin kan uitbreiden.
3. Disproportionaliteit
= De schade die ik veroorzaak (voor mijn buur) is veel groter dan mijn voordeel.
Bv. Mijn buurman heeft een boom en een paar takken hangen in mijn tuin. Ik ga dus een
heel grote, dure rechtszaak starten, waardoor mijn buur duizenden euro’s moet betalen.
Mijn voordeel is bijna niks, want die takken storen mij amper terwijl de schade voor de
buur veel groter is.
Sanctie
Als iemand rechtsmisbruik pleegt, kan de rechter:
1. Herstel in natura opleggen
= De situatie terug zetten zoals ze was voor de fout. (het probleem zelf oplossen)
, 2. Schadevergoeding opleggen
= De dader moet betalen voor de schade.
1.4 Soorten subjectieve rechten
1. Politieke rechten
= Dit zijn subjectieve rechten die te maken hebben met politiek, inspraak en
bescherming van burgers.
1. Politieke vrijheden
= Dit zijn vrijheden die mij beschermen tegen de overheid. Ik mag zelf kiezen wat ik denk,
zeg en geloof.
Bv. Vrijheid van meningsuiting
2. Participatierechten
= Dit zijn rechten die mij toelaten om mee te doen aan de politiek.
Bv. Stemrecht, recht om een petitie in te dienen, recht om verkozen te worden, …
3. Sociaal – economishce rechten
= Dit zijn rechten die ervoor zorgen dat ik deftig kan leven.
Bv. Recht op onderwijs, recht op werk, recht op sociale zekerheid, …
2. Burgerlijke rechten
= Dit zijn subjectieve rechten die te maken hebben met mijn privéleven, bezit, familie….
Dat gaat dus om rechten die ik in het dagelijks leven gebruik en dus niet in de politiek.
Extra patrimoniale rechten
1. Persoonlijkheids- en familierechten
= Dit zijn rechten die te maken hebben met mijn identiteit en familie.
Bv. Recht op privacy, recht om te trouwen, recht op ouderlijk gezag, ….
Patrimoniale rechten
2. Zakelijke rechten
= Dit zijn rechten die te maken hebben met bezit. Dus rechten die ik over dingen bezit of
die ik mag gebruiken.
Bv. Eigendomsrecht (iets is van mij), recht van gebruik (bv. Huur)
3. Vorderingsrechten
= Dit zijn rechten waarbij ik iets kan eisen van een specifiek persoon.
Bv. Een verkoper moet leveren wat ik heb gekocht, mijn klant moet nog geld terugbetalen
Hoofdstuk 1: Wat is recht? ...................................................................................... 2
1.1 Definitie van het recht .................................................................................... 2
1.2 Soorten regels................................................................................................ 2
1.3 Rechtssubject vs rechtsobject ....................................................................... 3
1.4 Soorten subjectieve rechten .......................................................................... 4
1.5 Deelgebieden van het recht ........................................................................... 5
1.6 Internationale rechtsbronnen ........................................................................ 7
1.7 Belgische wetgeving....................................................................................... 8
1.8 Overige rechtsbronnen .................................................................................. 8
Hoofdstuk 2: De Belgische Staatstructuur .............................................................. 9
2.1 Kenmerken van de Belgische staat: ................................................................ 9
2.2 Politieke instellingen in federaal België ........................................................ 12
2.3 Gemeenschappen en gewesten ................................................................... 15
.......................................................................................................................... 15
2.4 Provincies .................................................................................................... 16
2.5 Gemeenten .................................................................................................. 17
2.6 Controlerende instellingen .......................................................................... 17
Hoofdstuk 3: Internationaal recht ......................................................................... 19
3.1 Internationale instellingen ........................................................................... 19
3.2 Supranationale instelling ............................................................................. 20
3.3 De structuur en organisatie van de EU .......................................................... 20
3.4 Bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar Lidstaten ............................... 21
3.5 Europees Parlement .................................................................................... 22
3.6 Raad van de Europese Unie of Raad van Ministers ........................................ 22
3.7 Europese Raad ............................................................................................. 23
3.8 Europese Commissie ................................................................................... 23
3.9 Europees Gerecht ........................................................................................ 24
3.10 Europees Hof van Justitie ........................................................................... 24
Hoofdstuk 4: Justitie ............................................................................................. 24
4.1 De kenmerken van justitie ............................................................................ 24
, Justitie als bewaker van de rechtstaat ............................................................ 24
De actoren (deelnemers) van Justitie ............................................................. 26
Organisatie als Justitie ................................................................................... 29
4.2 De gewone hoven en rechtbanken ................................................................ 33
4.3 De burgerlijke procedure .............................................................................. 37
Hoofdstuk 1: Wat is recht?
1.1 Definitie van het recht
= Het recht is het geheel van afdwingbare regels die het menselijke handelen in de
samenleving ordenen.
=> Het recht combineert regels, maatschappelijke ordening, sancties en
afdwingbaarheid.
*Afdwingbaarheid
= Als er niet aan de regels wordt gehouden (het recht) dan worden daarvoor sancties
voorzien.
1.2 Soorten regels
1. Gedragsregels: bepalen subjectieve rechten en plichten
Subjectieve rechten
= Zijn mijn persoonlijke rechten in een bepaalde situatie. De algemene (objectieve)
regels geldt voor iedereen, maar de wet die precies op mijn situatie wordt toegepast is
mijn subjectieve recht.
Bv. De wet zegt algemeen hoe een scheiding werkt (objectief recht). Maar hoeveel
alimentatie ik ga krijgen hangt af, want die gaan kijken wat mijn inkomen is, … Dat zijn
mijn subjectieve rechten, omdat die specifiek voor mijn situatie gelden.
2. Regels voor toepassing/ afdwinging: bieden structuren bij schending
= Dit zijn de regels die toegepast worden als iemand de wet overtreedt. Dat zorgt ervoor
dat er een duidelijke structuur is om problemen op te lossen.
Bv. Als iemand iets steelt, dan mag de politie ingrijpen.
3. Regels voor wijziging: procedures om wetgeving te veranderen
= Dit zijn de regels die bepalen hoe we wetten kunnen veranderen. Ze leggen uit wie dat
mag doen en welke stappen daarvoor nodig zijn.
,1.3 Rechtssubject vs rechtsobject
Rechtssubject
= Dit is iemand of iets dat rechten en plichten kan hebben. Dat is dus een drager van
rechten, er zijn twee soorten: natuurlijke personen (mensen) en rechtspersonen (school,
gemeente)
Bv. De eigenaar van een hond is een rechtssubject, want hij heeft rechten en plichten.
Rechtsobject
= Dit is het rechtsobject van het rechtssubject.
Bv. De hond of ik ben eigenaar van een fiets dan is fiets het rechtsobject.
1.4 Rechtsmisbruik
= Rechtsmisbruik betekent dat iemand zijn recht gebruikt op een manier die niet eerlijk
is, met als doel om iemand anders te schaden. (De recht zelf is legaal, maar de manier
waarop ik het gebruik is fout).
Kenmerken:
1. Oogmerk tot schade
= Ik gebruik mijn recht met de bedoeling om iemand anders pijn te doen of te pesten.
Bv. Ik zet een extra hoge muur in mijn tuin, niet omdat ik privacy wil, maar puur om het
zonlicht van mijn buur te blokkeren.
2. Ontbreken van eigen belang
= Ik heb zelf geen voordeel bij wat ik doe. Ik doe het dus niet omdat ik er iets aan heb,
maar puur om de ander te raken.
Bv. Ik laat een oud, kapot tuinhuis staan dat ik niet gebruik, maar gewoon om te
voorkomen dat mijn buur zijn tuin kan uitbreiden.
3. Disproportionaliteit
= De schade die ik veroorzaak (voor mijn buur) is veel groter dan mijn voordeel.
Bv. Mijn buurman heeft een boom en een paar takken hangen in mijn tuin. Ik ga dus een
heel grote, dure rechtszaak starten, waardoor mijn buur duizenden euro’s moet betalen.
Mijn voordeel is bijna niks, want die takken storen mij amper terwijl de schade voor de
buur veel groter is.
Sanctie
Als iemand rechtsmisbruik pleegt, kan de rechter:
1. Herstel in natura opleggen
= De situatie terug zetten zoals ze was voor de fout. (het probleem zelf oplossen)
, 2. Schadevergoeding opleggen
= De dader moet betalen voor de schade.
1.4 Soorten subjectieve rechten
1. Politieke rechten
= Dit zijn subjectieve rechten die te maken hebben met politiek, inspraak en
bescherming van burgers.
1. Politieke vrijheden
= Dit zijn vrijheden die mij beschermen tegen de overheid. Ik mag zelf kiezen wat ik denk,
zeg en geloof.
Bv. Vrijheid van meningsuiting
2. Participatierechten
= Dit zijn rechten die mij toelaten om mee te doen aan de politiek.
Bv. Stemrecht, recht om een petitie in te dienen, recht om verkozen te worden, …
3. Sociaal – economishce rechten
= Dit zijn rechten die ervoor zorgen dat ik deftig kan leven.
Bv. Recht op onderwijs, recht op werk, recht op sociale zekerheid, …
2. Burgerlijke rechten
= Dit zijn subjectieve rechten die te maken hebben met mijn privéleven, bezit, familie….
Dat gaat dus om rechten die ik in het dagelijks leven gebruik en dus niet in de politiek.
Extra patrimoniale rechten
1. Persoonlijkheids- en familierechten
= Dit zijn rechten die te maken hebben met mijn identiteit en familie.
Bv. Recht op privacy, recht om te trouwen, recht op ouderlijk gezag, ….
Patrimoniale rechten
2. Zakelijke rechten
= Dit zijn rechten die te maken hebben met bezit. Dus rechten die ik over dingen bezit of
die ik mag gebruiken.
Bv. Eigendomsrecht (iets is van mij), recht van gebruik (bv. Huur)
3. Vorderingsrechten
= Dit zijn rechten waarbij ik iets kan eisen van een specifiek persoon.
Bv. Een verkoper moet leveren wat ik heb gekocht, mijn klant moet nog geld terugbetalen