Samenvatting boek:
Vastgoedeconomie
Hoofdstuk 1: Inleidende begrippen
1.2 Welvaart, welzijn, welstand
Welvaart: Mate waarin spanning tussen behoefte en beperkte middelen in opgeheven.
Welzijn: Mate van bevrediging van behoeften die niet afhankelijk zijn van schaarse
middelen.
Welstand: Persoonlijke voorspoed, gezondheid en bemiddeld zijn.
1.3 Behoeften
Behoeften: Menselijk verlangen waaraan voldaan wordt door de beschikking over
schaarse goederen en diensten.
Zijn oneindig!
Soorten behoeften
Primair vs. secundair
Primair: elementaire goederen zoals voedsel, onderdak en veiligheid.
Secundair: Niet-noodzakelijke goederen zoals luxegoederen en reizen.
Stoffelijk vs. onstoffelijk
Stoffelijk: tastbare goederen.
Onstoffelijk: immateriële goederen (Dienstverlening)
Individueel vs. collectief
Individueel: Eigen behoeften (huis kopen)
Collectief: Behoeften die iedereen heeft maar niet individueel kan invullen (rechtspraak,
veiligheid, wegen, onderwijs)
1.3.1. Inkomen
Opbouw
Bruto-inkomen (inkomen inclusief belastingen en sociale premies)
Minus: Belasting en sociale premies
= Beschikbaar ‘netto-inkomen’
Minus: Uitgaven voor primaire levensbehoeften en vaste lasten (‘gebonden inkomen’)
= Vrij besteedbaar, ‘discretionair inkomen’ (inkomen dat gespendeerd kan worden aan luxe)
Minus: Sparen en investeren
= Direct besteedbaar inkomen
Primair inkomen: Uit productieproces
Secundair inkomen: Na belastingheffing
Tertiair inkomen: Na belastingheffing en toeslagen, subsidies. (Koopkracht)
,1.4 Productie
‘Geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik’
Productie = het toevoegen van waarde.
Verkoop = De verkoop van geschikt gemaakte goederen en diensten ten behoeve van een
behoefte (invulling van een schaarste)
Productiefactoren:
1. Natuur (Bossen, grond, delfstoffen)
2. Arbeid (Menselijke inspanning)
3. Kapitaal (Gebouwen, machines, voorraden)
4. Informatie (Nieuwe factor)
5. Ondernemerschap (Nieuwe factor)
1.5 Economische orde
‘De wijze waarop in een land het vraag en aanbod is georganiseerd.’
1. Centraal geleide planeconomie (Noord-Korea, Cuba)
Planning van vraag en aanbod is duur overheid gereguleerd.
2. Vrijemarkteconomie (De VS)
Alloceren van productiefactoren geheel overgelaten aan de vrije markt.
Consumenten en aanbieders bepalen gezamenlijk waar behoefte aan is en
wat er wordt geproduceerd en geconsumeerd.
3. Georiënteerde markteconomie (West-Europa)
Veel in Westerse landen en is mengsel van planeconomie en
vrijemarkteconomie. Combinatie tussen vrije marktwerking en de regulaties
vanuit de centrale overheid.
1.6 Niveaus binnen de economie
1. Macro-economie
Productie, consumptie en overheidsgedrag van een land als geheel.
2. Meso-economie
Economische processen in een specifieke bedrijfstak.
3. Micro-economie
Alles wat zich afspeelt op het niveau van individuele consumenten en
bedrijven.
1.7 Data van de economie
Onderscheid tussen:
- Behoeften schema’s van consumenten
- Beschikbare hoeveelheden van kwaliteiten van de productiefactoren
- Juridische en sociale organisatie/ordening van de maatschappij
- Stand van technische kennis
- Omvang van de beroepsbevolking
, 1.8 Economische indicatoren
1.8.1. Binnenlandse indicatoren
1. Groei van het Bruto binnenlands product (BBP)
2. Conjuncturele situatie
3. Index van het consumentenvertrouwen
4. Ontwikkeling van werkloosheid
5. Prijsontwikkeling
6. Orderportefeuille bedrijven.
1.8.2. Buitenlandse indicatoren
1. Renteontwikkelingen
2. Ontwikkeling export en import
3. Ontwikkeling wisselkoersen
4. Verloop van dollarkoers
5. Ontwikkeling energieprijzen
1.8.3. Centraal planbureau
- Basismateriaal voor het miljoenen nota voor het toekomstig economisch beleid
- Macro Economische Verkenning (MEV): verachte financieel-economische
ontwikkelingen in binnen- en buitenland; komt jaarlijks in september uit.
- Centraal Economisch Plan (CEP); wordt ieder voorjaar op basis van de MEV verder
uitgewerkt, daarbij rekening houdend met nieuwe ontwikkelingen.
Vastgoedeconomie
Hoofdstuk 1: Inleidende begrippen
1.2 Welvaart, welzijn, welstand
Welvaart: Mate waarin spanning tussen behoefte en beperkte middelen in opgeheven.
Welzijn: Mate van bevrediging van behoeften die niet afhankelijk zijn van schaarse
middelen.
Welstand: Persoonlijke voorspoed, gezondheid en bemiddeld zijn.
1.3 Behoeften
Behoeften: Menselijk verlangen waaraan voldaan wordt door de beschikking over
schaarse goederen en diensten.
Zijn oneindig!
Soorten behoeften
Primair vs. secundair
Primair: elementaire goederen zoals voedsel, onderdak en veiligheid.
Secundair: Niet-noodzakelijke goederen zoals luxegoederen en reizen.
Stoffelijk vs. onstoffelijk
Stoffelijk: tastbare goederen.
Onstoffelijk: immateriële goederen (Dienstverlening)
Individueel vs. collectief
Individueel: Eigen behoeften (huis kopen)
Collectief: Behoeften die iedereen heeft maar niet individueel kan invullen (rechtspraak,
veiligheid, wegen, onderwijs)
1.3.1. Inkomen
Opbouw
Bruto-inkomen (inkomen inclusief belastingen en sociale premies)
Minus: Belasting en sociale premies
= Beschikbaar ‘netto-inkomen’
Minus: Uitgaven voor primaire levensbehoeften en vaste lasten (‘gebonden inkomen’)
= Vrij besteedbaar, ‘discretionair inkomen’ (inkomen dat gespendeerd kan worden aan luxe)
Minus: Sparen en investeren
= Direct besteedbaar inkomen
Primair inkomen: Uit productieproces
Secundair inkomen: Na belastingheffing
Tertiair inkomen: Na belastingheffing en toeslagen, subsidies. (Koopkracht)
,1.4 Productie
‘Geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik’
Productie = het toevoegen van waarde.
Verkoop = De verkoop van geschikt gemaakte goederen en diensten ten behoeve van een
behoefte (invulling van een schaarste)
Productiefactoren:
1. Natuur (Bossen, grond, delfstoffen)
2. Arbeid (Menselijke inspanning)
3. Kapitaal (Gebouwen, machines, voorraden)
4. Informatie (Nieuwe factor)
5. Ondernemerschap (Nieuwe factor)
1.5 Economische orde
‘De wijze waarop in een land het vraag en aanbod is georganiseerd.’
1. Centraal geleide planeconomie (Noord-Korea, Cuba)
Planning van vraag en aanbod is duur overheid gereguleerd.
2. Vrijemarkteconomie (De VS)
Alloceren van productiefactoren geheel overgelaten aan de vrije markt.
Consumenten en aanbieders bepalen gezamenlijk waar behoefte aan is en
wat er wordt geproduceerd en geconsumeerd.
3. Georiënteerde markteconomie (West-Europa)
Veel in Westerse landen en is mengsel van planeconomie en
vrijemarkteconomie. Combinatie tussen vrije marktwerking en de regulaties
vanuit de centrale overheid.
1.6 Niveaus binnen de economie
1. Macro-economie
Productie, consumptie en overheidsgedrag van een land als geheel.
2. Meso-economie
Economische processen in een specifieke bedrijfstak.
3. Micro-economie
Alles wat zich afspeelt op het niveau van individuele consumenten en
bedrijven.
1.7 Data van de economie
Onderscheid tussen:
- Behoeften schema’s van consumenten
- Beschikbare hoeveelheden van kwaliteiten van de productiefactoren
- Juridische en sociale organisatie/ordening van de maatschappij
- Stand van technische kennis
- Omvang van de beroepsbevolking
, 1.8 Economische indicatoren
1.8.1. Binnenlandse indicatoren
1. Groei van het Bruto binnenlands product (BBP)
2. Conjuncturele situatie
3. Index van het consumentenvertrouwen
4. Ontwikkeling van werkloosheid
5. Prijsontwikkeling
6. Orderportefeuille bedrijven.
1.8.2. Buitenlandse indicatoren
1. Renteontwikkelingen
2. Ontwikkeling export en import
3. Ontwikkeling wisselkoersen
4. Verloop van dollarkoers
5. Ontwikkeling energieprijzen
1.8.3. Centraal planbureau
- Basismateriaal voor het miljoenen nota voor het toekomstig economisch beleid
- Macro Economische Verkenning (MEV): verachte financieel-economische
ontwikkelingen in binnen- en buitenland; komt jaarlijks in september uit.
- Centraal Economisch Plan (CEP); wordt ieder voorjaar op basis van de MEV verder
uitgewerkt, daarbij rekening houdend met nieuwe ontwikkelingen.