Passé composé of imparfait
Passé composé Puis: vervolgens
Alors: dan/toen
Ensuite: vervolgens/daarna
(tout de suite) après: (meteen) daarna
Tout à coup : plotseling
Soudain : plotseling
L’année dernière : vorig jaar
- Begin en eind is duidelijk
- Gebeurtenis is afgesloten
- Handeling is afgesloten
imparfait Souvent: vaak
Toujours: altijd
Quelquefois: soms
Autrefois : vroeger
Tous les jours : elke dag/iedere dag
Avont: voorheen/voor
(comme) d’habitude: (zoals) gewoonlijk
- Situatie/herinnering
- Gewoonte/feit
- Handeling die aan de gang was
Passé composé Puis: vervolgens
Alors: dan/toen
Ensuite: vervolgens/daarna
(tout de suite) après: (meteen) daarna
Tout à coup : plotseling
Soudain : plotseling
L’année dernière : vorig jaar
- Begin en eind is duidelijk
- Gebeurtenis is afgesloten
- Handeling is afgesloten
imparfait Souvent: vaak
Toujours: altijd
Quelquefois: soms
Autrefois : vroeger
Tous les jours : elke dag/iedere dag
Avont: voorheen/voor
(comme) d’habitude: (zoals) gewoonlijk
- Situatie/herinnering
- Gewoonte/feit
- Handeling die aan de gang was