Samenvatting Nederlands Blok 1 & Blok 2
Blok 1
§2.3 – Proza, poëzie en toneel
Fictieteksten kunnen in drie verschillende vormen voorkomen: proza, poëzie en toneel
(hoofdgenres):
- Proza; schrijver gebruikt heel breedte v.h. papier, verdeeld in alinea’s en hoofstukken vb.
→ verhalen, romans.
- Poëzie; deel v.d. blz. gebruikt, soms is de tekst verdeeld in strofen vb. → gedichten en
liedjes.
- Toneel; een gespeelde tekst in theater of schouwburg. vb. → film.
We gebruiken bij de indeling v.d. hoofdgenres ook wel:
- Epiek; een vertellende tekst waarin een tijd verloopt (meestal prozateksten).
- Lyriek; schrijver brengt gevoelens naar voren.
- Dramatiek; een ander woord voor toneel.
Proza kunnen we verder onderverdelen in drie vormen: roman, novelle, verhaal (genres):
- Roman; omvangrijke tekst (meer dan 100 blz.), waar verschillende personages in
voorkomen die uitvoerig worden besproken. Ook zitten er in romans vaak meer
verhaallijnen.
- Novelle; (minder dan 100 blz.) Er treden weinig personages in op. Er is maar één
verhaallijn.
- Verhaal; beknopte vertelling. Nadruk ligt meestal op één gebeurtenis. Vaak samen in een
verhalenbundel.
Toneel is ook onder te verdelen 2 dingen: tragedie (serieus) en komedie
(humoristisch stuk).
Hoofdgenres Proza Poëzie Toneel
epiek lyriek dramatiek
roman tragedie
genres novelle komedie
verhaal
sprookjes ode musical
subgenres oorlogsromans lied opera
liefdesverhalen limerick operette
detectives haiku cabaret
§2.4 – Beeldspraak
Letterlijk en figuurlijk
Je kunt taal letterlijk en figuurlijk gebruiken. Bij letterlijk taalgebruik bedoel je precies wat je
zegt. Bij figuurlijk taalgebruik hebben de woorden daar een andere betekenis.
Beeldspraak
, Bij beeldspraak gebruik je een beeld om duidelijk te maken wat je bedoeld. Beeldspraak komt
vaak voor in fictieteksten en gedichten, maar ook het dagelijkse taalgebruik zit vol beeldspraak
(uitdrukkingen en gezegden). Schrijvers proberen met ‘nieuwe’ beeldspaak de lezen te verrassen.
Bij beeldspraak komen de volgende vormen voor:
- Vergelijking; We gebruiken een vergelijking als er een overeenkomst is tussen twee
zaken. Vb. ‘Jullie tuin is echt een wildernis.’ In deze vergelijking is ‘jullie tuin’ het verbeelde
en ‘een wildernis’ het beeld.
Vergelijkingen kunne in 4 vormen voorkomen:
Vergelijking met als: ‘Jullie tuin ziet eruit als een wildernis.’
Vergelijking zonder als: ‘Jullie tuin is een wildernis.’
Vergelijking met van: ‘Wat een wildernis van een tuin hebben jullie.’
Vergelijking zonder verbindingswoord: ‘Jullie tuin, een echte wildernis, moet
nodig eens worden opgeknapt.’
- Metafoor; Bij een metafoor is alleen het beeld overgebleven. Het verbeelde is
weggelaten: ‘Wat een wildernis is het hier!’ De context is hierbij belangrijk, want daaruit is af
te leiden waar het beeld voor staat.
Metaforisch taalgebruik komt in fictieteksten en gedichten voor, maar ook in het dagelijkse
taalgebruik (alle uitdrukkingen en gezegden).
- Personificatie; Bij een personificatie wordt een abstract begrip of iets uit de natuur als
persoon voorgesteld. Vb. → ‘De bomen fluisteren zachtjes zijn naam’. Bomen is hier een
personificatie, want ze krijgen een menselijke eigenschap.
- Metonymia; Bij een metonymia is het gebruikte beeld niet gebaseerd op een
overeenkomst (zoals vergelijking en metafoor), maar op een ander verband, bijvoorbeeld:
Deel-geheel, oorzaak-gevolg, maker-voorwerp, voorwerp-inhoud, plaats-bewoners etc.
Hij heeft geen dak meer boven zijn hoofd. (‘Dak’ beeld voor huis; verband deel-geheel.)
Zij heeft haar tong verloren. (‘Tong’ is het beeld voor spraak; verband oorzaak-gevolg.)
§3.7 – Het voegwoord
Samengestelde zinnen worden samengevoegd door een voegwoord. Deze voegwoorden verbinden
woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar. Je hebt 2 verschillende soorten voegwoorden:
- Nevenschikkende voegwoorden; deze voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen
met elkaar. Een zin is een hoofdzin als je niets tussen het onderwerp en het gezegde kunt
plaatsen.
(ALTIJD) Nevenschikkende voegwoorden zijn: en, want, maar (en of, maar kan ook onders.)
- Onderschikkende voegwoorden; deze voegwoorden verbinden een hoofdzin en
een bijzin met elkaar. Een zin is een bijzin als je iets tussen het onderwerp en het gezegde
kunt plaatsen.
Vb. dat, zoals, nadat, doordat, voordat, zodat, totdat, omdat;
als, dan, hoewel, indien, mits, tenzij, toen, zodra, daarom, terwijl, ofschoon (of soms ook)
Blok 1
§2.3 – Proza, poëzie en toneel
Fictieteksten kunnen in drie verschillende vormen voorkomen: proza, poëzie en toneel
(hoofdgenres):
- Proza; schrijver gebruikt heel breedte v.h. papier, verdeeld in alinea’s en hoofstukken vb.
→ verhalen, romans.
- Poëzie; deel v.d. blz. gebruikt, soms is de tekst verdeeld in strofen vb. → gedichten en
liedjes.
- Toneel; een gespeelde tekst in theater of schouwburg. vb. → film.
We gebruiken bij de indeling v.d. hoofdgenres ook wel:
- Epiek; een vertellende tekst waarin een tijd verloopt (meestal prozateksten).
- Lyriek; schrijver brengt gevoelens naar voren.
- Dramatiek; een ander woord voor toneel.
Proza kunnen we verder onderverdelen in drie vormen: roman, novelle, verhaal (genres):
- Roman; omvangrijke tekst (meer dan 100 blz.), waar verschillende personages in
voorkomen die uitvoerig worden besproken. Ook zitten er in romans vaak meer
verhaallijnen.
- Novelle; (minder dan 100 blz.) Er treden weinig personages in op. Er is maar één
verhaallijn.
- Verhaal; beknopte vertelling. Nadruk ligt meestal op één gebeurtenis. Vaak samen in een
verhalenbundel.
Toneel is ook onder te verdelen 2 dingen: tragedie (serieus) en komedie
(humoristisch stuk).
Hoofdgenres Proza Poëzie Toneel
epiek lyriek dramatiek
roman tragedie
genres novelle komedie
verhaal
sprookjes ode musical
subgenres oorlogsromans lied opera
liefdesverhalen limerick operette
detectives haiku cabaret
§2.4 – Beeldspraak
Letterlijk en figuurlijk
Je kunt taal letterlijk en figuurlijk gebruiken. Bij letterlijk taalgebruik bedoel je precies wat je
zegt. Bij figuurlijk taalgebruik hebben de woorden daar een andere betekenis.
Beeldspraak
, Bij beeldspraak gebruik je een beeld om duidelijk te maken wat je bedoeld. Beeldspraak komt
vaak voor in fictieteksten en gedichten, maar ook het dagelijkse taalgebruik zit vol beeldspraak
(uitdrukkingen en gezegden). Schrijvers proberen met ‘nieuwe’ beeldspaak de lezen te verrassen.
Bij beeldspraak komen de volgende vormen voor:
- Vergelijking; We gebruiken een vergelijking als er een overeenkomst is tussen twee
zaken. Vb. ‘Jullie tuin is echt een wildernis.’ In deze vergelijking is ‘jullie tuin’ het verbeelde
en ‘een wildernis’ het beeld.
Vergelijkingen kunne in 4 vormen voorkomen:
Vergelijking met als: ‘Jullie tuin ziet eruit als een wildernis.’
Vergelijking zonder als: ‘Jullie tuin is een wildernis.’
Vergelijking met van: ‘Wat een wildernis van een tuin hebben jullie.’
Vergelijking zonder verbindingswoord: ‘Jullie tuin, een echte wildernis, moet
nodig eens worden opgeknapt.’
- Metafoor; Bij een metafoor is alleen het beeld overgebleven. Het verbeelde is
weggelaten: ‘Wat een wildernis is het hier!’ De context is hierbij belangrijk, want daaruit is af
te leiden waar het beeld voor staat.
Metaforisch taalgebruik komt in fictieteksten en gedichten voor, maar ook in het dagelijkse
taalgebruik (alle uitdrukkingen en gezegden).
- Personificatie; Bij een personificatie wordt een abstract begrip of iets uit de natuur als
persoon voorgesteld. Vb. → ‘De bomen fluisteren zachtjes zijn naam’. Bomen is hier een
personificatie, want ze krijgen een menselijke eigenschap.
- Metonymia; Bij een metonymia is het gebruikte beeld niet gebaseerd op een
overeenkomst (zoals vergelijking en metafoor), maar op een ander verband, bijvoorbeeld:
Deel-geheel, oorzaak-gevolg, maker-voorwerp, voorwerp-inhoud, plaats-bewoners etc.
Hij heeft geen dak meer boven zijn hoofd. (‘Dak’ beeld voor huis; verband deel-geheel.)
Zij heeft haar tong verloren. (‘Tong’ is het beeld voor spraak; verband oorzaak-gevolg.)
§3.7 – Het voegwoord
Samengestelde zinnen worden samengevoegd door een voegwoord. Deze voegwoorden verbinden
woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar. Je hebt 2 verschillende soorten voegwoorden:
- Nevenschikkende voegwoorden; deze voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen
met elkaar. Een zin is een hoofdzin als je niets tussen het onderwerp en het gezegde kunt
plaatsen.
(ALTIJD) Nevenschikkende voegwoorden zijn: en, want, maar (en of, maar kan ook onders.)
- Onderschikkende voegwoorden; deze voegwoorden verbinden een hoofdzin en
een bijzin met elkaar. Een zin is een bijzin als je iets tussen het onderwerp en het gezegde
kunt plaatsen.
Vb. dat, zoals, nadat, doordat, voordat, zodat, totdat, omdat;
als, dan, hoewel, indien, mits, tenzij, toen, zodra, daarom, terwijl, ofschoon (of soms ook)