Samenvatting scheikunde toetsweek 3
Hoofdstuk 5 Chemisch Rekenen
Paragraaf 1: significantie
Bij de elektrolyse ontleedt water in waterstof en zuurstof. De omgekeerde reactie
verloopt bij het aantonen van waterstof. Dan reageert waterstof met zuurstof en
ontstaat water.
Waterstof en zuurstof reageren in een vaste houding:
Volume waterstof : volume zuurstof = 2,0 : 1,0
Massa waterstof : massa zuurstof = 1,0 : 8,0
Bij volledige verbranding van octaan reageren octaan en zuurstof in een vaste
massaverhouding.
Natuurwetenschappelijke notatie:
In de natuurwetenschappen maak je veel gebruik van meetwaarden. Dat zijn
getallen die je meet.
Stel je weegt 66 kg. In de wetenschappelijke notatie is dat 6,6 x 10 1 kg.
Het aantal cijfers achter de komma hangt af van de nauwkeurigheid waarmee
je kunt meten. Dat is vaak afhankelijk van het gebruikte meetinstrument.
Significantie:
De meetwaarde 350 gram bevat drie significante cijfers. Dat zijn cijfers die
betekenis hebben.
Als je 350 gram als 0,0350 x 104 g blijft het getal bestaan uit drie significante
cijfers. De twee nullen voor het getal tellen niet mee.
De nullen aan het einde tellen wel mee.
Rekenen met significante cijfers:
Het resultaat van een berekening met meetwaarden kan nooit nauwkeuriger zijn dan
de meetwaarden die je hebt gebruikt.
Je moet daarom bij het rekenen met meetwaarden de volgende regels hanteren:
Het antwoord van een vermenigvuldiging of deling mag in niet meer
significante cijfers worden aangegeven dan de meetwaarde met de kleinste
aantal significante cijfers dat je bij de berekening hebt gebruikt.
Voorbeeld: 2,48 x 102 : 6,5 x 103 = 3,8 x 10-2 (niet 0,038153).
Bij het optellen en aftrekken wordt het antwoord in niet meer decimalen (cijfers
achter de komma) geschreven dan de gebruikte meetwaarde met het kleinste
aantal decimalen.
Voorbeeld: 3,82 – 0,4 = 3,4 (niet 3,42 of 3).
Telwaarden:
Dat zijn concrete hele getallen die je tellen kunt.
Voorbeeld: er zitten 25 kinderen in je klas. Dat zijn geen 25,0 of 25,49
kinderen.
In berekeningen hebben telwaarden geen invloed op de significantie.
Voorbeeld: als 25 velletjes papier samen een massa van 141 g hebben, dan is
de massa van een velletje 141:25 = 5,64 g.
, De dichtheid geeft het verband weer tussen massa en het volume van een stof.
Dichtheid = massa / volume
De dichtheid van stoffen kun je opzoeken in de tabellen 10, 11 en 12 van BINAS.
Let goed op de eenheid. Soms moet je omrekeningen uitvoeren, bijv. van kg naar g.
Paragraaf 2: massa van kleine deeltjes
Atoom massa:
De massa van een H-atoom is 1,67 x 10-24 g. Dit is een onhandig getal. Daarom is
een nieuwe eenheid ingevoerd: de atomaire massa-eenheid, de eenheid ‘u’.
Bij veel atoomsoorten komen isotopen voor. Zo is in de BINAS te vinden dat een H-
atoom uit 2 isotopen bestaat, die voor komen in de natuur. Dit reken je als volgt uit:
Hoeveel procent komt eentje voor in de natuur / 100 % x atoom massa +
hoeveel procent komt de andere voor in de natuur / 100 % x atoom massa
99,% x 1,007825 + 0,% x 2,014102 = 1,008 u
Molecuul massa:
Een molecuul bestaat uit meerdere atomen. De molecuulmassa is de som van de
atoommassa’s. als je de molecuulformule kent, kun je met behulp van de
atoommassa’s de massa van het molecuul berekenen:
Wat is de formule van de stof? C4H10
Zoek de atoommassa’s op C = 12,01 u en H = 1,008 u
Bereken de molecuulmassa 4 x 12,01 u en 10 x 1,008 u
Alles bij elkaar tellen 58,12 u
Ion massa:
Een Na+ ion heeft een elektron minder dan een Na ion. De massa van een atoom
wordt vrijwel geheel bepaald door het aantal protonen en neutronen in de kern.
Daarom is de massa van Na+ gelijk aan de massa van Na, want het extra protonen is
niks vergeleken met hetzelfde aantal protonen en elektronen.
Hoofdstuk 5 Chemisch Rekenen
Paragraaf 1: significantie
Bij de elektrolyse ontleedt water in waterstof en zuurstof. De omgekeerde reactie
verloopt bij het aantonen van waterstof. Dan reageert waterstof met zuurstof en
ontstaat water.
Waterstof en zuurstof reageren in een vaste houding:
Volume waterstof : volume zuurstof = 2,0 : 1,0
Massa waterstof : massa zuurstof = 1,0 : 8,0
Bij volledige verbranding van octaan reageren octaan en zuurstof in een vaste
massaverhouding.
Natuurwetenschappelijke notatie:
In de natuurwetenschappen maak je veel gebruik van meetwaarden. Dat zijn
getallen die je meet.
Stel je weegt 66 kg. In de wetenschappelijke notatie is dat 6,6 x 10 1 kg.
Het aantal cijfers achter de komma hangt af van de nauwkeurigheid waarmee
je kunt meten. Dat is vaak afhankelijk van het gebruikte meetinstrument.
Significantie:
De meetwaarde 350 gram bevat drie significante cijfers. Dat zijn cijfers die
betekenis hebben.
Als je 350 gram als 0,0350 x 104 g blijft het getal bestaan uit drie significante
cijfers. De twee nullen voor het getal tellen niet mee.
De nullen aan het einde tellen wel mee.
Rekenen met significante cijfers:
Het resultaat van een berekening met meetwaarden kan nooit nauwkeuriger zijn dan
de meetwaarden die je hebt gebruikt.
Je moet daarom bij het rekenen met meetwaarden de volgende regels hanteren:
Het antwoord van een vermenigvuldiging of deling mag in niet meer
significante cijfers worden aangegeven dan de meetwaarde met de kleinste
aantal significante cijfers dat je bij de berekening hebt gebruikt.
Voorbeeld: 2,48 x 102 : 6,5 x 103 = 3,8 x 10-2 (niet 0,038153).
Bij het optellen en aftrekken wordt het antwoord in niet meer decimalen (cijfers
achter de komma) geschreven dan de gebruikte meetwaarde met het kleinste
aantal decimalen.
Voorbeeld: 3,82 – 0,4 = 3,4 (niet 3,42 of 3).
Telwaarden:
Dat zijn concrete hele getallen die je tellen kunt.
Voorbeeld: er zitten 25 kinderen in je klas. Dat zijn geen 25,0 of 25,49
kinderen.
In berekeningen hebben telwaarden geen invloed op de significantie.
Voorbeeld: als 25 velletjes papier samen een massa van 141 g hebben, dan is
de massa van een velletje 141:25 = 5,64 g.
, De dichtheid geeft het verband weer tussen massa en het volume van een stof.
Dichtheid = massa / volume
De dichtheid van stoffen kun je opzoeken in de tabellen 10, 11 en 12 van BINAS.
Let goed op de eenheid. Soms moet je omrekeningen uitvoeren, bijv. van kg naar g.
Paragraaf 2: massa van kleine deeltjes
Atoom massa:
De massa van een H-atoom is 1,67 x 10-24 g. Dit is een onhandig getal. Daarom is
een nieuwe eenheid ingevoerd: de atomaire massa-eenheid, de eenheid ‘u’.
Bij veel atoomsoorten komen isotopen voor. Zo is in de BINAS te vinden dat een H-
atoom uit 2 isotopen bestaat, die voor komen in de natuur. Dit reken je als volgt uit:
Hoeveel procent komt eentje voor in de natuur / 100 % x atoom massa +
hoeveel procent komt de andere voor in de natuur / 100 % x atoom massa
99,% x 1,007825 + 0,% x 2,014102 = 1,008 u
Molecuul massa:
Een molecuul bestaat uit meerdere atomen. De molecuulmassa is de som van de
atoommassa’s. als je de molecuulformule kent, kun je met behulp van de
atoommassa’s de massa van het molecuul berekenen:
Wat is de formule van de stof? C4H10
Zoek de atoommassa’s op C = 12,01 u en H = 1,008 u
Bereken de molecuulmassa 4 x 12,01 u en 10 x 1,008 u
Alles bij elkaar tellen 58,12 u
Ion massa:
Een Na+ ion heeft een elektron minder dan een Na ion. De massa van een atoom
wordt vrijwel geheel bepaald door het aantal protonen en neutronen in de kern.
Daarom is de massa van Na+ gelijk aan de massa van Na, want het extra protonen is
niks vergeleken met hetzelfde aantal protonen en elektronen.