Aardrijkskunde
Methode De Geo
Havo 5
3 Klimaat en landschapszones
3.1 De atmosfeer: een omhulsel van gas
Weer en klimaat
De toestand van de dampkring op een bepaald moment en over een klein gebied, noemt
men het weer. Het klimaat is de gemiddelde toestand van het weer over een langere periode
en over een groot gebied.
Opbouw en samenstelling van de atmosfeer
> Meer dan 80% van de gassen die samen de dampkring vormen, wordt aangetroffen in de
onderste 10 kilometer.
> Samenstelling atmosfeer: stikstof (78,01%), zuurstof ( 20,95%), kleine hoeveelheden
waterdamp en koolstofdioxide
> De atmosfeer is opgedeeld in 4 lagen:
De onderste laag is de troposfeer van ongeveer 9 tot 12 kilometer dik. Hierin daalt de
temperatuur met toenemende hoogte.
De laag hierboven heet de stratosfeer. Deze laag bevat veel ozon gas, dit gas filtert de
schadelijke ultraviolette straling uit het zonlicht.
De twee buitenste lagen zijn de mesosfeer en de thermosfeer.
Stralingsbalans
> Er is een evenwicht tussen de hoeveelheid straling de aarde bereikt en de hoeveelheid
straling die de atmosfeer weer verlaat. Dit evenwicht heet de energiebalans, ook wel
stralingsbalans genoemd.
> Ongeveer 30% van de zonne-energie wordt teruggekaatst en 20% wordt opgenomen in de
troposfeer.
> De kortgolvige zonnestraling die het aardoppervlak bereikt wordt omgezet in warmte en
door de aarde weer teruggekaatst als langgolvige straling. Door het broeikaseffect wordt de
warmte die de aarde uitstraalt als langgolvige straling teruggekaatst.
Variaties in de stralingsbalans
> De hoeveelheid straling die een bepaald gebied op de aarde ontvangt, hangt af van de
breedteligging, de gesteldheid van het aardoppervlak en het albedo.
> De weerkaatsing van het zonlicht, het albedo genoemd, verschilt van gebied tot gebied.
> Water wordt langzamer koud en warm dan land. Hier zijn 4 oorzaken voor:
- Het zonlicht kan dieper in het water doordringen dan in het land.
- Doordat water constant in beweging is, wordt de warmte beter verdeeld dan op het
land.
- Het kost meer energie om water in temperatuur te laten stijgen dan land.
- Bij de verdamping van water gaat energie vanuit het water naar de dampkring.
, 3.2 Watertransport door wind en zeestromen
Luchtdrukverschillen
> Duur water en lucht vindt er warmtetransport plaats van de evenaar richting de polen.
> Door het verschil in luchtdruk gaat lucht stromen van een hogedrukgebied naar een
lagedrukgebied. Wind is simpelweg stromende lucht van plaatsen waar er te veel van is naar
plaatsen waar er te weinig van is.
Passaten en moessons
> Wet van Buys Ballot: Als je met je rug naar de wind staat, krijgt de wind op het noordelijk
halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.
> Passaat: Droge wind die het hele jaar lang uit oostelijke richting van de subtropische
hogedrukgebieden naar de evenaar waait.
> De zone van equatoriale luchtdruk, de intertropische convergentiezone ( ITCZ ) verschuift
met loodrechte zonnestand mee. Hierdoor verschuift het windsysteem rond de evenaar in
januari naar het zuiden en in juli naar het noorden.
> Moessons: Winden die in gebieden rond de evenaar die na een half jaar 180 graden
draaien.
Zeestromen
> Er zijn twee soorten zeestromen: warme en koude zeestromen. De warme zeestromen
brengen warm water naar de polen en de koude zeestromen zorgen ervoor dat koud water
naar lagere breedtes stroomt.
> Warm en koud water betekent dat de temperatuur van het water warmer of kouder is dan
dat men op een bepaald ebreedtegraad zou mogen verwachten.
Klimaatsysteem van Köppen
> Koppen maakt een beschrijving van de vijf klimaatgebieden op basis van de natuurlijke
plantengroei in het gebied.
A tropisch regenklimaat
B droog klimaat
C zeeklimaat ( maritiem klimaat )
D landklimaat ( continentaal klimaat )
E koud klimaat ( poolklimaat / polair klimaat )
> Kleine letters bij Klimaten A,C en D > voorkomen van droge tijd.
f = fehlt ( ontbreekt ): droge tijd ontbreekt
s= sommer ( zomer ): droge tijd in de zomer
w= winter ( winter): droge tijd in de winter
Methode De Geo
Havo 5
3 Klimaat en landschapszones
3.1 De atmosfeer: een omhulsel van gas
Weer en klimaat
De toestand van de dampkring op een bepaald moment en over een klein gebied, noemt
men het weer. Het klimaat is de gemiddelde toestand van het weer over een langere periode
en over een groot gebied.
Opbouw en samenstelling van de atmosfeer
> Meer dan 80% van de gassen die samen de dampkring vormen, wordt aangetroffen in de
onderste 10 kilometer.
> Samenstelling atmosfeer: stikstof (78,01%), zuurstof ( 20,95%), kleine hoeveelheden
waterdamp en koolstofdioxide
> De atmosfeer is opgedeeld in 4 lagen:
De onderste laag is de troposfeer van ongeveer 9 tot 12 kilometer dik. Hierin daalt de
temperatuur met toenemende hoogte.
De laag hierboven heet de stratosfeer. Deze laag bevat veel ozon gas, dit gas filtert de
schadelijke ultraviolette straling uit het zonlicht.
De twee buitenste lagen zijn de mesosfeer en de thermosfeer.
Stralingsbalans
> Er is een evenwicht tussen de hoeveelheid straling de aarde bereikt en de hoeveelheid
straling die de atmosfeer weer verlaat. Dit evenwicht heet de energiebalans, ook wel
stralingsbalans genoemd.
> Ongeveer 30% van de zonne-energie wordt teruggekaatst en 20% wordt opgenomen in de
troposfeer.
> De kortgolvige zonnestraling die het aardoppervlak bereikt wordt omgezet in warmte en
door de aarde weer teruggekaatst als langgolvige straling. Door het broeikaseffect wordt de
warmte die de aarde uitstraalt als langgolvige straling teruggekaatst.
Variaties in de stralingsbalans
> De hoeveelheid straling die een bepaald gebied op de aarde ontvangt, hangt af van de
breedteligging, de gesteldheid van het aardoppervlak en het albedo.
> De weerkaatsing van het zonlicht, het albedo genoemd, verschilt van gebied tot gebied.
> Water wordt langzamer koud en warm dan land. Hier zijn 4 oorzaken voor:
- Het zonlicht kan dieper in het water doordringen dan in het land.
- Doordat water constant in beweging is, wordt de warmte beter verdeeld dan op het
land.
- Het kost meer energie om water in temperatuur te laten stijgen dan land.
- Bij de verdamping van water gaat energie vanuit het water naar de dampkring.
, 3.2 Watertransport door wind en zeestromen
Luchtdrukverschillen
> Duur water en lucht vindt er warmtetransport plaats van de evenaar richting de polen.
> Door het verschil in luchtdruk gaat lucht stromen van een hogedrukgebied naar een
lagedrukgebied. Wind is simpelweg stromende lucht van plaatsen waar er te veel van is naar
plaatsen waar er te weinig van is.
Passaten en moessons
> Wet van Buys Ballot: Als je met je rug naar de wind staat, krijgt de wind op het noordelijk
halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links.
> Passaat: Droge wind die het hele jaar lang uit oostelijke richting van de subtropische
hogedrukgebieden naar de evenaar waait.
> De zone van equatoriale luchtdruk, de intertropische convergentiezone ( ITCZ ) verschuift
met loodrechte zonnestand mee. Hierdoor verschuift het windsysteem rond de evenaar in
januari naar het zuiden en in juli naar het noorden.
> Moessons: Winden die in gebieden rond de evenaar die na een half jaar 180 graden
draaien.
Zeestromen
> Er zijn twee soorten zeestromen: warme en koude zeestromen. De warme zeestromen
brengen warm water naar de polen en de koude zeestromen zorgen ervoor dat koud water
naar lagere breedtes stroomt.
> Warm en koud water betekent dat de temperatuur van het water warmer of kouder is dan
dat men op een bepaald ebreedtegraad zou mogen verwachten.
Klimaatsysteem van Köppen
> Koppen maakt een beschrijving van de vijf klimaatgebieden op basis van de natuurlijke
plantengroei in het gebied.
A tropisch regenklimaat
B droog klimaat
C zeeklimaat ( maritiem klimaat )
D landklimaat ( continentaal klimaat )
E koud klimaat ( poolklimaat / polair klimaat )
> Kleine letters bij Klimaten A,C en D > voorkomen van droge tijd.
f = fehlt ( ontbreekt ): droge tijd ontbreekt
s= sommer ( zomer ): droge tijd in de zomer
w= winter ( winter): droge tijd in de winter