5.1
Om een lampje te laten branden heb je elektrische stroom nodig. Dat lukt alleen als je een
aangesloten stroomkring maakt. Je hebt twee draden nodig, een toevoerdraad en een
afvoerdraad. Als het lampje brandt, verbruikt het elektrische energie. Die energie wordt
geleverd door een batterij.
Je hebt dus altijd te maken met:
1. Een spanningsbron, die levert elektriciteit
2. Verbindingen voor het vervoer van de elektriciteit
3. Een of meer apparaten die de elektrische energie verbruiken
Stoffen waar stroom gemakkelijk doorheen kan lopen, noemen we geleiders. Alle metalen
zijn geleiders, maar de een geleid beter dan de andere. Koolstof is ook een geleider.
Stoffen die stroom niet of heel slecht doorlaten, noem je isolatoren.
Met een schakelaar kun je de stroom in- en uitschakelen. Als je de stroom uitschakelt, is er
geen geleidende verbinding meer. Als je een lampje op een batterij aansluit, gaat er stroom
door het lampje lopen. Zo’n elektrische stroom bestaat uit kleine deeltjes die door de
stroomkring bewegen. De stroom loopt van de pluspool naar de minpool.
Met een stroommeter of ampèremeter kun je meten hoe groot de stroom door een
stroomkring is. De grootte van de stroom, de stroomsterkte, heeft als eenheid ampère (A).
Als de stroomsterkte klein is, kun je de stroom ook meten in milliampère (mA). De stroom is
voor én na het lampje even sterk.
De weerstand van een onderdeel van de schakeling bepaalt mede hoe groot de stroom is die
er gaat lopen. De eenheid van weerstand is ohm, met als symbool de Griekse hoofdletter: Ω
Je kunt de weerstand meten met een weerstandsmeter of ohmmeter. Met een multimeter
kun je de spanning, stroomsterkte én weerstand meten.