Nederlands recht in civiele traditie
(RGBUPRV023)
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Deze samenvatting bevat alle belangrijke stof voor deze week van het vak Nederlands recht
in civiele traditie (RGBUPRV023) aan de Universiteit Utrecht in 2026.
De samenvatting bevat handige stappenplannen, overzichtjes en kernpunten per onderwerp.
Perfect om snel en gestructureerd te leren zonder alle stof opnieuw door te ploegen.
Met deze samenvatting heb ik zelf een 10 gehaald voor het tentamen in 2026, dus hij is
helemaal tentamen-proof.
Kijk ook eens naar mijn andere materiaal:
● Heb je meer weken gemist? Ik heb van alle weken van dit vak losse samenvattingen
online staan, evenals een voordelige verzamelbundel.
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Week 2: Procesrecht & Rechterlijke Organisatie
Onderwerpen:
1. Procesrecht: Het procesrecht is bij ons nu scherp gescheiden van het materiële
recht, en komt pas aan de orde als de materiële posities zijn bepaald. Eerst wordt de
vraag gesteld of iemand een recht heeft. Pas daarna wordt het procedurele gebied
betreden. Hoe kan dat recht dan worden gehandhaafd? Moet daarvoor een
procedure worden gevolgd? Bij welke rechter? Welke procedure? In de ordening van
het Romeinse recht heeft de rechter en de procedure een primaire taak vervuld. Niet
het recht, maar de rechtsvordering of de actie stond centraal. Op een vergelijkbare
wijze kreeg het recht gestalte in de common law en de gemengde traditie. Bij ons
was de rechtspraak secundair bij de totstandkoming van het recht – in ieder geval
het geleerde recht. Heden ten dage is dat wel anders: de Hoge Raad heeft een
flinke rechtsvormende taak, zeer veel zaken worden gepubliceerd, en er wordt
uitgebreid in gemotiveerd.
1. Wat is procesrecht?
1.1 Van Actie naar Recht
Procesrecht omvat de regels van het proces, en veronderstelt een overheidsmacht die
materieelrechtelijke geschillen beslecht tussen rechtssubjecten.
In het moderne NL-recht geldt: éérst het recht, dan de rechtsvordering
, ● Het procesrecht is scherp gescheiden van het materiële recht: éérst wordt
bepaald óf iemand een recht heeft (materieel), en pas daarna hoe dat recht
gehandhaafd kan worden (procedureel)
● Art. 3:296 BW belichaamt dit: "hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te
doen of na te laten, wordt daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde,
veroordeeld’’
In het Romeinse recht en de common law gold: éérst de actie, dan het recht.
● De actio (rechtsvordering) stond centraal: recht bestond pas als er een procesvorm
voor was.
● Justinianus formuleert dit (Inst. 4.6.pr): ‘’een actie is niets anders dan de
bevoegdheid om in een proces te vervolgen wat men u verschuldigd is.’’
● Pas via de cognitio extraordinaria verschoof dit naar het materiële recht.
Deze verschuiving — van acties naar rechten — is de centrale ontwikkeling van week 2:
● (i) zij begon met de cognitio extraordinaria,
● (ii) werd vervolgens bestenigd via de kerkelijke rechtspraak van de Rota Romana,
● (iii) en bereikte daarna zijn voltooiing in het gecodificeerde continentale recht.
Zij hangt nauw samen met een parallelle verschuiving:
● (i) van gesloten stelsel van acties naar een open stelsel van rechtsvorderingen,
● (ii) en uiteindelijk naar de scherpe scheiding tussen goederenrecht en
verbintenissenrecht zoals neergelegd in het arrest Blaauboer/Berlips.
1.2 Typologie van Acties
Justinianus (Inst. 4.6.pr): ‘’een actie is niets anders dan de bevoegdheid om in een proces te
vervolgen wat men u verschuldigd is.’’
Gaius (G. 4.1–4): ‘’Alle acties laten zich in twee typen herleiden, zakelijk of persoonlijk’’:
1. A. Actio in personam (persoonlijk)
a. Men procedeert tegen iemand die jegens ons verplicht is door contract of
delict.
b. De eis luidt: "dat hij behoort te geven (dare), te doen (facere), te presteren
(oportere)"
2. B. Actio in rem (zakelijk)
a. Men stelt als rechtsbewering dat een lichamelijke zaak van ons is, of dat ons
een recht toekomt (bijv. vruchtgebruik, overpad, waterleiding).
b. Hierbij procedeert men tegen iemand die niet door een rechtsbetrekking
verbonden is.
c. Gaius merkt op dat bij zakelijke acties een zaak die al van ons is, ons niet
nogmaals ‘gegeven’ kan worden
In het NL-recht bestaat een vergelijkbaar onderscheid via de scheiding tussen
goederenrecht en verbintenissenrecht:
- A. absolute rechten (zoals eigendom) zijn handhaafbaar tegen iedereen, terwijl
- B. relatieve rechten (vorderingsrechten) zijn slechts handhaafbaar tegen een
specifieke wederpartij of schuldenaar.