- sterke economische structuur → economie die veel mogelijkheden biedt om
goederen/ diensten tegen concurrerende prijzen op markt te brengen
↳ betrekking op aanbodkant economie, bepalend economische structuur is
aanbodfactoren/ groeifactoren → omvang/ kwaliteit van beroepsbevolking +
omvang/ samenstelling kapitaalgoederenvoorraad (ook klimaat, geografische
ligging en stand vd techniek)
→ overheid kan invloed uitoefenen op aanbodfactoren (NL bemoeien met
omvang/ kwaliteit beroepsbevolking)
- overheid investeert in infrastructuur ((spoor)wegen, waterwegen, havens etc)
voor beter ondernemingsklimaat → dit bevordert investeringen + overheid
stimuleert dmv fiscale voordelen onderzoek/ ontwikkeling die kan leiden tot
innovatie productieprocessen/ producten.
- overheidssaldo = verschil tussen inkomsten en uitgaven overheid
↳ schommelingen in economische groei invloed op inkomsten/ uitgaven
overheid
- tijdens recessie neemt werkgelegenheid af → arbeidsvolume krimpt
- conjunctuur verloopt in cyclus
↳ hoogconjunctuur → kan leiden tot prijsinflatie
↳ laagconjunctuur → kan leiden tot verlies werkgelegenheid
→ tas beiden koopkracht inkomen aan
- overheidsuitgaven mbt overheidsbestedingen/ overheidsuitgaven (sociale uitkeringen)
jaren hoger dan 40% bbp
- anticyclisch conjunctuurbeleid = manier om conjunctuurgolven af te vlakken,
overheid gaat tegen conjunctuurcyclus in → kan prijsstabiliteit en evenwichtige
arbeidsmarkt ontstaan (conjuncturele werkloosheid wordt tegengegaan)
- recessie komt door daling vraag goederen/ diensten:
uitvoer daalt → consumenten-/ producentenvertrouwen daalt → investeringen
dalen → minder particuliere consumptie → bbp daalt.
↳ overheid kan economie op gang helpen door eigen bestedingen te
verhogen, bijv infrastructuur verbeteren/ consumptie verhogen door lagere
belasting.
- bestedingsimpuls van overheid waar alles omhoog/ beter gaat →
multipliereffect
↳ overheidsbestedingen ↑, vraag ↑, productie ↑, inkomen ↑, consumptie ↑,
vraag ↑ etc.
↳ Belastingtarieven ↓, best. inkomen ↑, consumptie ↑,vraag ↑, productie ↑,
inkomen ↑, consumptie ↑, vraag ↑ etc.