Scheikunde hoofdstuk 1 t/m 5
H1 Microstructuren
● 450 B.C. Demokritos ontdekt atoom
● 1808 Dalton: atomen zijn harde, ondeelbare deeltjes
● 1897 Thomson ontdekt elektron
● 1911 Rutherford: atoom heeft een positieve kern met
elektronen eromheen
● 1914 Bohr: elektronen bevinden zich in schillen
(elektronenschillen)
● 1932 Chadwick ontdekt neutron
Protonen en neutronen hebben ong. dezelfde massa. De massa van elektronen draagt nauwelijks bij
aan de massa van het atoom. De massa van atomen is uitgedrukt in u (unit): 1,o u = 1,66·10-27 kg.
De lading van protonen (1+) en elektronen (1-) is uitgedrukt in e: 1,0 e = 1,66·10-19 C.
Elektronenconfiguratie is de verdeling van de elektronen over de schillen.
● K-schil: maximaal 2 elektronen
● L-schil: maximaal 8 elektronen
● M-schil: maximaal 18 elektronen
Valentie-elektronen zijn de elektronen in de buitenste schil. Ze bepalen grotendeels de chemische
eigenschappen van een atoom. Stabiele deeltjes hebben over het algemeen 8 elektronen in de
buitenste schil (octetregel). Dit heet de edelgasconfiguratie. De covalentie is het aantal
atoombindingen dat een element moet vormen voor de edelgasconfiguratie.
Alkalimetalen (groep 1) hebben 1 elektron in de buitenste schil. Ze reageren met water en halogenen
en staan dan 1 elektron af. Er ontstaat een stabiel positief geladen ion (bv. Na+).
Aardalkalimetalen (groep 2) hebben 2 elektronen in de buitenste schil en staan bij reactie 2
elektronen af. Er ontstaat een tweewaardig positief ion (bv. Ba2+).
Edelgassen (groep 18) zijn relatief laat ontdekt. De buitenste schil bevat 2 of 8 elektronen.
● Metaal bevindt zich in de vaste fase in een metaalrooster. De positieve
metaalresten en elektronen trekken elkaar aan. Daardoor kunnen metalen
stroom geleiden. Metalen zijn door het rooster goed vervormbaar. De betalen
kunnen ten opzichte van elkaar verschuiven. Door alliages kan metaal breken.
○ De metaalbinding is sterk
● De atoombinding (covalente-binding) tussen 2 niet-metalen bestaat uit 2 elektronen.
Groepjes atomen heten moleculen.
● De binding tussen moleculen heet vanderwaalsbinding
○ De vanderwaalsbinding is niet heel sterk
● Een zout bestaat uit positieve en negatieve ionen. Een zout is neutraal, omdat de
ladingen van het positieve en negatieve ion elkaar opheffen. Zouten geleiden geen
elektriciteit is vaste toestand, maar wel in gesmolten toestand.
○ De ionbinding is heel sterk (wordt sterker bij grotere ladingen)
● Water is een dipoolmolecuul (heeft een positieve en een negatieve kant). Waterstofbruggen
zorgen voor aantrekkingskrachten tussen de geladen kanten van het dipoolmolecuul.
○ De dipoolbinding is heel sterk.
1 mol bevat 6,022 x 1023 deeltjes (1 mol units = 1 gram)
m = M x n (m= massa, M = molaire massa, n = aantal mol)
H1 Microstructuren
● 450 B.C. Demokritos ontdekt atoom
● 1808 Dalton: atomen zijn harde, ondeelbare deeltjes
● 1897 Thomson ontdekt elektron
● 1911 Rutherford: atoom heeft een positieve kern met
elektronen eromheen
● 1914 Bohr: elektronen bevinden zich in schillen
(elektronenschillen)
● 1932 Chadwick ontdekt neutron
Protonen en neutronen hebben ong. dezelfde massa. De massa van elektronen draagt nauwelijks bij
aan de massa van het atoom. De massa van atomen is uitgedrukt in u (unit): 1,o u = 1,66·10-27 kg.
De lading van protonen (1+) en elektronen (1-) is uitgedrukt in e: 1,0 e = 1,66·10-19 C.
Elektronenconfiguratie is de verdeling van de elektronen over de schillen.
● K-schil: maximaal 2 elektronen
● L-schil: maximaal 8 elektronen
● M-schil: maximaal 18 elektronen
Valentie-elektronen zijn de elektronen in de buitenste schil. Ze bepalen grotendeels de chemische
eigenschappen van een atoom. Stabiele deeltjes hebben over het algemeen 8 elektronen in de
buitenste schil (octetregel). Dit heet de edelgasconfiguratie. De covalentie is het aantal
atoombindingen dat een element moet vormen voor de edelgasconfiguratie.
Alkalimetalen (groep 1) hebben 1 elektron in de buitenste schil. Ze reageren met water en halogenen
en staan dan 1 elektron af. Er ontstaat een stabiel positief geladen ion (bv. Na+).
Aardalkalimetalen (groep 2) hebben 2 elektronen in de buitenste schil en staan bij reactie 2
elektronen af. Er ontstaat een tweewaardig positief ion (bv. Ba2+).
Edelgassen (groep 18) zijn relatief laat ontdekt. De buitenste schil bevat 2 of 8 elektronen.
● Metaal bevindt zich in de vaste fase in een metaalrooster. De positieve
metaalresten en elektronen trekken elkaar aan. Daardoor kunnen metalen
stroom geleiden. Metalen zijn door het rooster goed vervormbaar. De betalen
kunnen ten opzichte van elkaar verschuiven. Door alliages kan metaal breken.
○ De metaalbinding is sterk
● De atoombinding (covalente-binding) tussen 2 niet-metalen bestaat uit 2 elektronen.
Groepjes atomen heten moleculen.
● De binding tussen moleculen heet vanderwaalsbinding
○ De vanderwaalsbinding is niet heel sterk
● Een zout bestaat uit positieve en negatieve ionen. Een zout is neutraal, omdat de
ladingen van het positieve en negatieve ion elkaar opheffen. Zouten geleiden geen
elektriciteit is vaste toestand, maar wel in gesmolten toestand.
○ De ionbinding is heel sterk (wordt sterker bij grotere ladingen)
● Water is een dipoolmolecuul (heeft een positieve en een negatieve kant). Waterstofbruggen
zorgen voor aantrekkingskrachten tussen de geladen kanten van het dipoolmolecuul.
○ De dipoolbinding is heel sterk.
1 mol bevat 6,022 x 1023 deeltjes (1 mol units = 1 gram)
m = M x n (m= massa, M = molaire massa, n = aantal mol)