Leerpad: Genetica
1. Overerving van kenmerken volgens klassieke genetica
1.1 Mendeliaanse overerving
= Achtergrond
Gregor Mendel (1822–1884) voerde kruisingsproeven uit met
erwten.
Hij werkte:
o Systematisch
o Met grote aantallen
o Met statistische analyse (revolutionair voor die tijd)
Onderzocht 7 duidelijk afgelijnde kenmerken.
= De drie wetten van Mendel
1. Uniformiteitswet (dominantie)
o twee raszuivere individuen (die maar in één kenmerk
verschillen) met elkaar kruist, de F1-nakomelingen onderling
identiek zijn.
2. Splitsings- of segregatiewet
3. Onafhankelijkheidswet
= Waarom erwten ideaal waren
Zelfbestuivers → gemakkelijk homozygote lijnen
Korte generatieduur
Veel nakomelingen
Duidelijke fenotypes (geen tussenvormen bij klassieke
kenmerken)
1.2 De proeven van Mendel
= Belangrijke genetische begrippen
Gen = erfelijke eenheid
Allelen = verschillende varianten van hetzelfde gen
Homozygoot = AA of aa
Heterozygoot = Aa
Hemizygoot = slechts één allel aanwezig
o bv. X-gebonden bij mannen)
Fenotype = uiterlijke kenmerken (waarneembaar)
Genotype = genetische samenstelling
Zaadvast= fokzuiver
,1.2.1 Dominante of uniformiteitswet en de onafhankelijkswet (1 kenmerk)
-> Monohybride/monogene kruising (1 kenmerk)
= Waarnemingen van Mendel
P-generatie
o Twee raszuivere ouders verschillen in 1 kenmerk.
F1-generatie/ Filiale 1 generatie
o Volledig uniform.
o Enkel het dominante kenmerk zichtbaar.
F2-generatie/ Filiale 2 generatie
o Recessief kenmerk verschijnt opnieuw.
o Verhouding:
o Fenotypisch: 3 dominant : 1 recessief (3:1)
o Genotypisch: 1 AA : 2 Aa : 1 aa
= Dominantieprincipe
Dominant allel maskeert recessief allel in heterozygote toestand.
Recessief allel komt enkel tot uiting in homozygote toestand.
= Segregatie (splitsingswet)
Allelen scheiden tijdens gametenvorming.
Elke gameet bevat slechts 1 allel.
Bevruchting is willekeurig.
= Reciproke kruising
Resultaat onafhankelijk van welk geslacht het dominante allel draagt
(bij autosomale kenmerken).
1.2.2 Splitsing of segregatie wet (2 kenmerken geen interatie)
-> Dihybride kruising/digene kruising (2 kenmerken)
= F2-verhouding
9:3:3:1
9 dubbel dominant
3 dominant A / recessief B
3 recessief A / dominant B
1 dubbel recessief
= Onafhankelijke segregatie
Allelen van verschillende genen worden onafhankelijk verdeeld.
Geldt enkel als genen niet gekoppeld liggen.
1.3 Toepassingen van Mendel
, Als je de genetische basis van een kenmerk kent, kan je met de
wetten van Mendel het resultaat van kruisingen voorspellen.
Dit gebeurt via:
o het vierkant van Punnett
o het vertakkingsdiagram
o waarschijnlijkheidsberekeningen
o en eventueel stamboomanalyse
Deze methoden zijn bruikbaar tot ongeveer tetrahybride
kruisingen (meer wordt te complex).
Genen worden meestal genoemd naar:
o het meest afwijkende fenotype
o of de functie van het geproduceerde eiwit.
Ze worden meestal voorgesteld met een drielettercode (soms één
letter).
o Voorbeelden:
C = colorless
HSP = heat shock proteïne
IL1 = interleukine 1
COL1A1 = collageen
APOA/B/C = apolipoproteïnen
Dominante kenmerken → hoofdletters
Recessieve kenmerken → kleine letters
Bij drielettercodes kan dominantie soms aangeduid worden met één
of meerdere hoofdletters, wat verwarrend kan zijn.
1.3.1 Vierkant van Punnett
Visuele methode om genotypecombinaties te voorspellen.
Aantal mogelijke gameten = 2ⁿ (n = aantal heterozygote genen)
= Voorbeeld:
Monohybride kruising
= Voorbeeld:
1. Overerving van kenmerken volgens klassieke genetica
1.1 Mendeliaanse overerving
= Achtergrond
Gregor Mendel (1822–1884) voerde kruisingsproeven uit met
erwten.
Hij werkte:
o Systematisch
o Met grote aantallen
o Met statistische analyse (revolutionair voor die tijd)
Onderzocht 7 duidelijk afgelijnde kenmerken.
= De drie wetten van Mendel
1. Uniformiteitswet (dominantie)
o twee raszuivere individuen (die maar in één kenmerk
verschillen) met elkaar kruist, de F1-nakomelingen onderling
identiek zijn.
2. Splitsings- of segregatiewet
3. Onafhankelijkheidswet
= Waarom erwten ideaal waren
Zelfbestuivers → gemakkelijk homozygote lijnen
Korte generatieduur
Veel nakomelingen
Duidelijke fenotypes (geen tussenvormen bij klassieke
kenmerken)
1.2 De proeven van Mendel
= Belangrijke genetische begrippen
Gen = erfelijke eenheid
Allelen = verschillende varianten van hetzelfde gen
Homozygoot = AA of aa
Heterozygoot = Aa
Hemizygoot = slechts één allel aanwezig
o bv. X-gebonden bij mannen)
Fenotype = uiterlijke kenmerken (waarneembaar)
Genotype = genetische samenstelling
Zaadvast= fokzuiver
,1.2.1 Dominante of uniformiteitswet en de onafhankelijkswet (1 kenmerk)
-> Monohybride/monogene kruising (1 kenmerk)
= Waarnemingen van Mendel
P-generatie
o Twee raszuivere ouders verschillen in 1 kenmerk.
F1-generatie/ Filiale 1 generatie
o Volledig uniform.
o Enkel het dominante kenmerk zichtbaar.
F2-generatie/ Filiale 2 generatie
o Recessief kenmerk verschijnt opnieuw.
o Verhouding:
o Fenotypisch: 3 dominant : 1 recessief (3:1)
o Genotypisch: 1 AA : 2 Aa : 1 aa
= Dominantieprincipe
Dominant allel maskeert recessief allel in heterozygote toestand.
Recessief allel komt enkel tot uiting in homozygote toestand.
= Segregatie (splitsingswet)
Allelen scheiden tijdens gametenvorming.
Elke gameet bevat slechts 1 allel.
Bevruchting is willekeurig.
= Reciproke kruising
Resultaat onafhankelijk van welk geslacht het dominante allel draagt
(bij autosomale kenmerken).
1.2.2 Splitsing of segregatie wet (2 kenmerken geen interatie)
-> Dihybride kruising/digene kruising (2 kenmerken)
= F2-verhouding
9:3:3:1
9 dubbel dominant
3 dominant A / recessief B
3 recessief A / dominant B
1 dubbel recessief
= Onafhankelijke segregatie
Allelen van verschillende genen worden onafhankelijk verdeeld.
Geldt enkel als genen niet gekoppeld liggen.
1.3 Toepassingen van Mendel
, Als je de genetische basis van een kenmerk kent, kan je met de
wetten van Mendel het resultaat van kruisingen voorspellen.
Dit gebeurt via:
o het vierkant van Punnett
o het vertakkingsdiagram
o waarschijnlijkheidsberekeningen
o en eventueel stamboomanalyse
Deze methoden zijn bruikbaar tot ongeveer tetrahybride
kruisingen (meer wordt te complex).
Genen worden meestal genoemd naar:
o het meest afwijkende fenotype
o of de functie van het geproduceerde eiwit.
Ze worden meestal voorgesteld met een drielettercode (soms één
letter).
o Voorbeelden:
C = colorless
HSP = heat shock proteïne
IL1 = interleukine 1
COL1A1 = collageen
APOA/B/C = apolipoproteïnen
Dominante kenmerken → hoofdletters
Recessieve kenmerken → kleine letters
Bij drielettercodes kan dominantie soms aangeduid worden met één
of meerdere hoofdletters, wat verwarrend kan zijn.
1.3.1 Vierkant van Punnett
Visuele methode om genotypecombinaties te voorspellen.
Aantal mogelijke gameten = 2ⁿ (n = aantal heterozygote genen)
= Voorbeeld:
Monohybride kruising
= Voorbeeld: