College 1 – Inleiding
College 2 – Contractenrecht 1
1. Civiele verbintenissen
2. Verbintenis uit overeenkomst: de totstandkoming
3. Wilsdefecten
4. Wettelijke wilsgebreken
5. Uitleggen van de overeenkomst (haviltexten)
6. Niet nakoming
College 3 – Contractenrecht 2
1. Verbintenis uit de wet
2. Rechtmatige daad
3. Onrechtmatige daad
4. Uitzondering op de onrechtmatige daad
5. Onrechtmatige mediadaad
6. Aansprakelijkheid
College 4 – Arbeidsrecht
1. Arbeidsrecht
2. Arbeidsovereenkomst
3. Uitzendovereenkomst
4. Ontslag en social media
5. Arbeidsrecht en corona
College 5 – Privacyrecht
1. Privacy als grondrecht
2. De AVG
- Rechten/plichten
- Privacyverklaring
- Grondslagen gegevensverwerking
- Handhaving
3. Wet meldplicht datalekken
4. EU-VS privacyshield
College 6 – Reclamerecht
1. Wetgeving
2. Misleidende reclame
3. Vergelijkende reclame
4. Oneerlijke handelspraktijken
5. Reclame Code Commissie
6. Reclame via social media
,College 1 – Inleiding
Met Rechtsregels willen we de samenleving ordenen, in stand houden en herstellen.
Functies van het recht:
1. Aanvullende functie: Om op terug te vallen
2. Normatieve functie (belangrijkst) : Legt onze normen en waarden vast
3. Instrumentele functie: Om bepaald gedrag van mensen te realiseren (verkeersregels)
4. Geschil oplossende functie: Naar een onafhankelijke derden (naar de rechter)
4 soorten Rechtsbronnen: Vindplaatsen en ontstaansbronnen van rechtsregels (plekken
waar recht ontstaat)
1. De wet: formele wetgever: regering (koning en minister) en staten generaal (eerste
en tweede kamer)
Wet in formele zin: Wetten in formele zin
Wet in materiele zin: Een wet die voor alle Nederlanders geldt
2. Jurisprudentie: Rechtersrecht. Jurisprudentie = de uitspraak die een rechter doet.
Recht kan ook ontstaan door uitspraken van rechters. Die hebben dezelfde gelding
als rechten uit de wet. Dit komt doordat recht niet statisch is. Rechters vullen
bepaalde leegtes in de wet op en leggen de wetten uit.
3. Verdragen: Afspraken tussen staten (onderling) en/of volkenrechtelijke organisaties.
Rechten en plichten van staten over en weer vastleggen
Rechten vastleggen die gaan over hun burgers
Internationale organisaties en tribunalen in het leven roepen
4. Gewoonterecht
Ongeschreven recht
Niet in de wet vastgelegd
Rechters kunnen het wel meenemen in hun beslissing
Vooral op internationaal niveau (in NL zijn de meeste regels vastgelegd in de
wet)
Bijvoorbeeld: ‘Het kabinet heeft tijdens zijn regeringsperiode het vertrouwen
van de Tweede Kamer nodig’
Vreemde wetten:
- Het is in UK voor zwangere vrouwen toegestaan om overal hun behoefte te doen.
- In Israël is het verboden om je beren mee naar het strand te nemen.
- In Frankrijk is het verboden om je varken Napoleon te noemen.
2
, De rechtsgebieden:
1. Privaatrecht: regelt de verhoudingen tussen rechtssubjecten. Wanneer mensen of
bedrijven geschil hebben met elkaar, komt privaatrecht kijken.
Soorten rechtssubjecten:
Natuurlijke personen (trouwen, scheiden of adoptie)
Rechtspersonen (fuseren of splitsen)
a) Overheidsinstellingen
b) NV, BV, Vereniging, Stichting
2. Publieksrecht: Burgers kunnen als ze het niet eens zijn met een uitspraak die
voorleggen aan de rechterlijke macht.
Tenminste één van de partijen is overheidsorgaan
Gebruikt overheidsgezag
Kan wil aan burger opleggen
Maar is daarbij beperkt door de wet
Burgers kunnen overheidsbesluit voorleggen aan de rechterlijke macht
Naar de rechter:
1. Rechtbank: de rechter zal een oordeel uitspreken. Dat noem je een vonnis of een
uitspraak (jurisprudentie)
2. Gerechtshof: Meerdere rechters die opnieuw naar de rechtszaak kijken. Zij zullen
een nieuw oordeel vellen. Dat heet een arrest.
3. Hoge raad: Rechters zullen naar de zaak kijken. Ze gaan niet helemaal opnieuw
naar de zaak kijken. Ze kijken of het hof het goed heeft gedaan. De uitspraak van
de hoge raad noemen we een arrest.
3