5.3 Machtige heren, halfvrije boeren
1. Waardoor waren boeren in de landbouwsamenleving halfvrij?
Sinds de Romeinse tijd was er veel veranderd. De landbouwstedelijke samenleving was verdwenen en
er was weer een landbouwsamenleving ontstaan. Maar de boeren waren niet meer helemaal vrij. Dit
kwam onder andere door de volksverhuizingen die tot onzekerheid en onveiligheid hadden geleid.
Veel boeren hadden daardoor zekerheid en bescherming gezocht bij machtige heren. In ruil voor die
bescherming hadden de boeren een deel van hun vrijheid verloren. Ze waren horigen geworden,
halfvrije boeren die hoorden bij het gebied van de heer. Omstreeks 800 leefde een groot deel van de
bevolking als horige op het gebied van een edelman of van een klooster. Zo’n gebied werd domein
genoemd. Op het domein mochten horigen een stuk grond met een huis gebruiken, maar ze mochten
het domein niet zonder toestemming verlaten. Deze onvrijheid van horigen wordt horigheid genoemd.
2. Hoe was de landbouw georganiseerd?
Een belangrijk gebouw op het domein was het hof. Hier woonde de eigenaar of de rentmeester die
het domein voor de eigenaar (hoge edelman / koning) beheerde. Het economisch systeem met horigen
op domeinen wordt daarom hofstelsel genoemd. Bij het hof stonden ook andere gebouwen, zoals een
kerk, een molen, een bierbrouwerij en voorraadschuren. Daarnaast was er een visvijver en grond voor
akkerbouw en veeteelt. Op een domein werd alles geproduceerd wat mensen nodig hadden. Domeinen
waren dus zelfvoorzienend en je hoefde als horige dus niet buiten het gebied. De horige boeren hadden
veel plichten. Als belasting moesten ze een deel van hun oogst afstaan aan hun heer en een deel van
hun tijd onbetaald voor hem werken. Deze herendiensten bestonden bijvoorbeeld uit werk op zijn
akkers, een hek repareren, een boom kappen of hout sjouwen. De boerinnen moesten spinnen en
weven. Aan de buitenkant van het domein lagen weiden en bossen. Die waren van de heer, maar de
boeren mochten er ook gebruik van maken. In ruil voor bijvoorbeeld een stapel hout mochten ze in het
bos hout sprokkelen en varkens laten lopen.
3. Welke sociale verhoudingen waren er?
Er waren drie sociale groepen: geestelijken, edelen en boeren. Ze hadden elk hun eigen taak. De
geestelijke waren aan het bidden, de edelen aan het strijden en de boeren aan het werken. Iemands
afkomst bepaalde wat hij was. Was je als boer geboren, dan kon je geen edelman worden. Soms ging
een boerenzoon naar een kloosterschool en werd hij monnik of dorpspastoor. Hoge geestelijken, zoals
bisschoppen en abten, kwamen altijd uit de groep van hoge edelen. De geestelijkheid en de adel
vormden elk een aparte stand, een groep met een vaste sociale positie. Ook hadden beide standen
bepaalde privileges (speciale rechten, voorrechten). Edelen en geestelijken hoefden bijvoorbeeld geen
belasting te betalen. De edelen met grote gebieden vormden de hoge adel. Hun rentmeesters waren
lage edelen. Deze heren van gebieden hadden rechten die heerlijke rechten werden genoemd, zoals
het jachtrecht. Dit hield in dat alleen edelen mochten jagen, ook als ze daarbij het land van de boeren
vertrapten. De rechten van heren gingen vaak samen met de plichten van horigen. Een domeinheer had
bijvoorbeeld het molenrecht, waardoor boeren tegen betaling hun graan in zijn molen moesten laten
malen. Naast het jachtrecht en het molenrecht hadden edelen ook het recht om in hun gebied recht te
spreken. De bewoners van het gebied moesten zich daaraan onderwerpen. Rentmeesters spraken recht
op hun domein en mochten bij kleine overtredingen boetes opleggen en innen. Zware misdaden moest
een rentmeester aan zijn heer voorleggen. Door de heerlijke rechten werden edelen en geestelijken
machtiger en rijker, terwijl boeren machteloos en arm bleven.
4. Welke handel was er?
In de tijd van monniken en ridders was er weinig handel en waren er weinig steden. In Nederland was
Dorestad aan de Kromme Rijn de belangrijkste handelsplaats. Het stadje bestond uit een lange straat
waaraan houten huizen met aanlegsteigers stonden. Er woonden zo’n 2500 mensen. De meesten
1. Waardoor waren boeren in de landbouwsamenleving halfvrij?
Sinds de Romeinse tijd was er veel veranderd. De landbouwstedelijke samenleving was verdwenen en
er was weer een landbouwsamenleving ontstaan. Maar de boeren waren niet meer helemaal vrij. Dit
kwam onder andere door de volksverhuizingen die tot onzekerheid en onveiligheid hadden geleid.
Veel boeren hadden daardoor zekerheid en bescherming gezocht bij machtige heren. In ruil voor die
bescherming hadden de boeren een deel van hun vrijheid verloren. Ze waren horigen geworden,
halfvrije boeren die hoorden bij het gebied van de heer. Omstreeks 800 leefde een groot deel van de
bevolking als horige op het gebied van een edelman of van een klooster. Zo’n gebied werd domein
genoemd. Op het domein mochten horigen een stuk grond met een huis gebruiken, maar ze mochten
het domein niet zonder toestemming verlaten. Deze onvrijheid van horigen wordt horigheid genoemd.
2. Hoe was de landbouw georganiseerd?
Een belangrijk gebouw op het domein was het hof. Hier woonde de eigenaar of de rentmeester die
het domein voor de eigenaar (hoge edelman / koning) beheerde. Het economisch systeem met horigen
op domeinen wordt daarom hofstelsel genoemd. Bij het hof stonden ook andere gebouwen, zoals een
kerk, een molen, een bierbrouwerij en voorraadschuren. Daarnaast was er een visvijver en grond voor
akkerbouw en veeteelt. Op een domein werd alles geproduceerd wat mensen nodig hadden. Domeinen
waren dus zelfvoorzienend en je hoefde als horige dus niet buiten het gebied. De horige boeren hadden
veel plichten. Als belasting moesten ze een deel van hun oogst afstaan aan hun heer en een deel van
hun tijd onbetaald voor hem werken. Deze herendiensten bestonden bijvoorbeeld uit werk op zijn
akkers, een hek repareren, een boom kappen of hout sjouwen. De boerinnen moesten spinnen en
weven. Aan de buitenkant van het domein lagen weiden en bossen. Die waren van de heer, maar de
boeren mochten er ook gebruik van maken. In ruil voor bijvoorbeeld een stapel hout mochten ze in het
bos hout sprokkelen en varkens laten lopen.
3. Welke sociale verhoudingen waren er?
Er waren drie sociale groepen: geestelijken, edelen en boeren. Ze hadden elk hun eigen taak. De
geestelijke waren aan het bidden, de edelen aan het strijden en de boeren aan het werken. Iemands
afkomst bepaalde wat hij was. Was je als boer geboren, dan kon je geen edelman worden. Soms ging
een boerenzoon naar een kloosterschool en werd hij monnik of dorpspastoor. Hoge geestelijken, zoals
bisschoppen en abten, kwamen altijd uit de groep van hoge edelen. De geestelijkheid en de adel
vormden elk een aparte stand, een groep met een vaste sociale positie. Ook hadden beide standen
bepaalde privileges (speciale rechten, voorrechten). Edelen en geestelijken hoefden bijvoorbeeld geen
belasting te betalen. De edelen met grote gebieden vormden de hoge adel. Hun rentmeesters waren
lage edelen. Deze heren van gebieden hadden rechten die heerlijke rechten werden genoemd, zoals
het jachtrecht. Dit hield in dat alleen edelen mochten jagen, ook als ze daarbij het land van de boeren
vertrapten. De rechten van heren gingen vaak samen met de plichten van horigen. Een domeinheer had
bijvoorbeeld het molenrecht, waardoor boeren tegen betaling hun graan in zijn molen moesten laten
malen. Naast het jachtrecht en het molenrecht hadden edelen ook het recht om in hun gebied recht te
spreken. De bewoners van het gebied moesten zich daaraan onderwerpen. Rentmeesters spraken recht
op hun domein en mochten bij kleine overtredingen boetes opleggen en innen. Zware misdaden moest
een rentmeester aan zijn heer voorleggen. Door de heerlijke rechten werden edelen en geestelijken
machtiger en rijker, terwijl boeren machteloos en arm bleven.
4. Welke handel was er?
In de tijd van monniken en ridders was er weinig handel en waren er weinig steden. In Nederland was
Dorestad aan de Kromme Rijn de belangrijkste handelsplaats. Het stadje bestond uit een lange straat
waaraan houten huizen met aanlegsteigers stonden. Er woonden zo’n 2500 mensen. De meesten