1
-normatieve analyse: zoals het zou moeten zijn (waardeoordelen: op basis van moreel ethische
of subjectieve criteria)
-positieve analyse: zoals het is (feiten)
-deductieve methode: men gaat van een algemene regel/theorie naar een specifiek geval →
conclusie is noodzakelijk waar
-inductieve methode: men gaat van een specifieke gevallen of waarnemingen naar een
algemene regel/conclusie → conclusie is waarschijnlijk waar, maar niet zeker
-stabilisatieprobleem: volledige aanwending/evenwicht van de schaarse middelen
-allocatieprobleem: toewijzing/verdelen van schaarse middelen
-verdelingsprobleem: distributie economische goederen tussen economische subjecten
-verschuiving langs curve: van 1 punt naar de andere → verandering in prijs
2
|ε| < 1 = prijsinelastische vraag, |ε| > 1 = prijselastische vraag
|ε| = 1 unitair elastische vraag (% verandering in P = % verandering in V)
|ε| = ∞ wanneer prijs = constant (perfect prijselastisch)
|ε | = 0 wanneer vraag is constant (perfect prijsinelastisch)
substituten: ε > 0, complement: ε < 0, onafhankelijke goederen: ε = 0
noodzakelijke goederen: 0 <= ε <= 1, luxegoederen: 1 < ε < ∞, inferieure goederen -∞ < ε < 0
-accijnzen: constante belasting per eenheid product
-‘ad-valorem’ belasting: %-belasting op productwaarde
-inkomenseffect: P = cte
+ wanneer het inkomen stijgt, neemt de vraag naar een goed toe (normale goederen)
- wanneer het inkomen stijgt, neemt de vraag naar een goed af (inferieure goederen)
-substitutieeffect: inkomen = cte
+ wanneer de prijs van een goed daalt, neemt de vraag naar dat goed toe (normaal goed)
- wanneer de prijs van een goed stijgt, neemt de vraag naar dat goed toch toe (giffen goed)
3
-verloop indifferentiecurve:
-dalend: meer goed 1 nodig om nut constant te houden indien minder goed 2 beschikbaar
-convex: betalingsbereidheid consument extra eenheden goed daalt wanneer meer
consumeert
-absolute waarde van de helling van de budgetrechte = objectieve ruilverhouding op de markt
= marginale substitutiegraad
-1ste Wet van Gossen: marginaal nut goed daalt naarmate consumptie stijgt
-2de Wet van Gossen: nut maximaliseren: bestedingen zodanig alloceren dat laatste eurocent
die aan de verschillende goederen wordt besteed overal eenzelfde marginaal nut oplevert
→ subjectieve ruilverhouding (marginale nuttigheden) = objectieve ruilverhouding (prijzen)
-ordinaal nut: goederen bundels rangschikken, maar niet kwantificeren
-kardinaal nut: numerieke waarde
1
, -positieve netwerkeffecten zorgen voor meer dan horizontale optelling + publieke goederen
zorgen voor minder dan horizontale optelling (verticale optelling)
-Engel-curve: relatie tussen inkomen consument en hoeveelheid goed gekocht, terwijl andere
factoren (prijzen, voorkeuren) constant blijven Q=f(I)
→ noodzakelijke goederen: vraag goederen neemt toe met inkomen, maar in lager tempo =
buiging curve
→ luxe goederen: vraag goederen neemt sneller toe naarmate inkomen stijgt = sterke stijging
curve
-giffen goederen: vraag neemt toe wanneer prijs stijgt (sterk inkomenseffect, beperkte
substitutiemogelijkheden) vb. rijst in arme gemeenschap
4
-economische winst: productieopbrengsten - opportuniteitskosten van ingezette
productiefactoren (=weergave waarde beste alternatieve aanwending → arbeider kost wat
concurrent biedt voor gelijksoortige arbeid = prijs input) → beperkingen: technologische
mogelijkheden, marktomstandigheden, informatiekosten
hebben
-productiefunctie: hoe de output verandert als de input wijzigt
-Cobb-Douglas productiefunctie:
→ verhouding van het marginaal product van arbeid tot het marginaal
product kapitaal ⇒ dezelfde output bewaren
-schaalopbrengsten: welke mate verandert output als inputs wijzigen ⇒ extra opbrengsten als
men alle productiefactoren met een extra eenheid laat toenemen
-constant: laten gemiddelde kosten ongewijzigd → als men input verdubbelt, dan zal output
ook verdubbelen
-stijgend: doen gemiddelde kosten dalen → als men input verdubbelt, dan zal output met
meer dan het dubbel stijgen
-afnemend: doen gemiddelde kosten stijgen → als men input verdubbelt, dan zal output met
minder dan het dubbel stijgen
GK=TK/ Q
-gemiddeld product: inverse U-vorm: eerst stijgen, dan dalen (in maximum MP = 0)
-marginaal product: inverse U-vorm: eerst stijgen, dan dalen, daarna negatief (buigpunt totale
productiecurve in maximum)
→ GP stijgt = MP erboven + GP daalt = MP eronder → MP snijdt GP in maximum
-schaal nadelen: gemiddelde kosten stijgen bij opereren op grotere schaal
-schaal voordelen: gemiddelde kosten dalen bij opereren op grotere schaal
-oplossingen principal/agent probleem:
-beloningsysteem: prestatiebonussen
2
-normatieve analyse: zoals het zou moeten zijn (waardeoordelen: op basis van moreel ethische
of subjectieve criteria)
-positieve analyse: zoals het is (feiten)
-deductieve methode: men gaat van een algemene regel/theorie naar een specifiek geval →
conclusie is noodzakelijk waar
-inductieve methode: men gaat van een specifieke gevallen of waarnemingen naar een
algemene regel/conclusie → conclusie is waarschijnlijk waar, maar niet zeker
-stabilisatieprobleem: volledige aanwending/evenwicht van de schaarse middelen
-allocatieprobleem: toewijzing/verdelen van schaarse middelen
-verdelingsprobleem: distributie economische goederen tussen economische subjecten
-verschuiving langs curve: van 1 punt naar de andere → verandering in prijs
2
|ε| < 1 = prijsinelastische vraag, |ε| > 1 = prijselastische vraag
|ε| = 1 unitair elastische vraag (% verandering in P = % verandering in V)
|ε| = ∞ wanneer prijs = constant (perfect prijselastisch)
|ε | = 0 wanneer vraag is constant (perfect prijsinelastisch)
substituten: ε > 0, complement: ε < 0, onafhankelijke goederen: ε = 0
noodzakelijke goederen: 0 <= ε <= 1, luxegoederen: 1 < ε < ∞, inferieure goederen -∞ < ε < 0
-accijnzen: constante belasting per eenheid product
-‘ad-valorem’ belasting: %-belasting op productwaarde
-inkomenseffect: P = cte
+ wanneer het inkomen stijgt, neemt de vraag naar een goed toe (normale goederen)
- wanneer het inkomen stijgt, neemt de vraag naar een goed af (inferieure goederen)
-substitutieeffect: inkomen = cte
+ wanneer de prijs van een goed daalt, neemt de vraag naar dat goed toe (normaal goed)
- wanneer de prijs van een goed stijgt, neemt de vraag naar dat goed toch toe (giffen goed)
3
-verloop indifferentiecurve:
-dalend: meer goed 1 nodig om nut constant te houden indien minder goed 2 beschikbaar
-convex: betalingsbereidheid consument extra eenheden goed daalt wanneer meer
consumeert
-absolute waarde van de helling van de budgetrechte = objectieve ruilverhouding op de markt
= marginale substitutiegraad
-1ste Wet van Gossen: marginaal nut goed daalt naarmate consumptie stijgt
-2de Wet van Gossen: nut maximaliseren: bestedingen zodanig alloceren dat laatste eurocent
die aan de verschillende goederen wordt besteed overal eenzelfde marginaal nut oplevert
→ subjectieve ruilverhouding (marginale nuttigheden) = objectieve ruilverhouding (prijzen)
-ordinaal nut: goederen bundels rangschikken, maar niet kwantificeren
-kardinaal nut: numerieke waarde
1
, -positieve netwerkeffecten zorgen voor meer dan horizontale optelling + publieke goederen
zorgen voor minder dan horizontale optelling (verticale optelling)
-Engel-curve: relatie tussen inkomen consument en hoeveelheid goed gekocht, terwijl andere
factoren (prijzen, voorkeuren) constant blijven Q=f(I)
→ noodzakelijke goederen: vraag goederen neemt toe met inkomen, maar in lager tempo =
buiging curve
→ luxe goederen: vraag goederen neemt sneller toe naarmate inkomen stijgt = sterke stijging
curve
-giffen goederen: vraag neemt toe wanneer prijs stijgt (sterk inkomenseffect, beperkte
substitutiemogelijkheden) vb. rijst in arme gemeenschap
4
-economische winst: productieopbrengsten - opportuniteitskosten van ingezette
productiefactoren (=weergave waarde beste alternatieve aanwending → arbeider kost wat
concurrent biedt voor gelijksoortige arbeid = prijs input) → beperkingen: technologische
mogelijkheden, marktomstandigheden, informatiekosten
hebben
-productiefunctie: hoe de output verandert als de input wijzigt
-Cobb-Douglas productiefunctie:
→ verhouding van het marginaal product van arbeid tot het marginaal
product kapitaal ⇒ dezelfde output bewaren
-schaalopbrengsten: welke mate verandert output als inputs wijzigen ⇒ extra opbrengsten als
men alle productiefactoren met een extra eenheid laat toenemen
-constant: laten gemiddelde kosten ongewijzigd → als men input verdubbelt, dan zal output
ook verdubbelen
-stijgend: doen gemiddelde kosten dalen → als men input verdubbelt, dan zal output met
meer dan het dubbel stijgen
-afnemend: doen gemiddelde kosten stijgen → als men input verdubbelt, dan zal output met
minder dan het dubbel stijgen
GK=TK/ Q
-gemiddeld product: inverse U-vorm: eerst stijgen, dan dalen (in maximum MP = 0)
-marginaal product: inverse U-vorm: eerst stijgen, dan dalen, daarna negatief (buigpunt totale
productiecurve in maximum)
→ GP stijgt = MP erboven + GP daalt = MP eronder → MP snijdt GP in maximum
-schaal nadelen: gemiddelde kosten stijgen bij opereren op grotere schaal
-schaal voordelen: gemiddelde kosten dalen bij opereren op grotere schaal
-oplossingen principal/agent probleem:
-beloningsysteem: prestatiebonussen
2