Globalisering = Wereldwijde integratie van economie, politiek en cultuur
Glokalisering = Belangrijke transitie waarbij lokale identiteit steeds belangrijker wordt
Ontgroening = Minder jongeren in de samenleving als gevolg van een afnemend geboortecijfer
Vergrijzing = Meer ouderen in de bevolking
Transculturaliteit = Overnemen van dingen uit andere culturen
Etnocentrisme = De wereld om je heen alleen vanuit je eigen waarden en normen bezien
Etnorelativisme = Alle culturen zijn gelijk
Universalisme = Manier van kijken die overeenkomsten tussen culturen benadrukt
Salience = Iemand valt op iemand hij/zij er anders uitziet dan ‘normaal’
Pygmalion/Rosenthaleffect = Fenomeen waarbij hogere verwachtingen leiden tot hogere prestaties
Self-fulfulling (Prophecy) = Als ik hogere verwachtingen van iemand heb, benader ik hem/haar
(bewust of onbewust) op een positievere manier
Golemeffect = Negatieve spiraal dat ontstaat als je iemand dom, ongeduldig of vijandig benadert.
(e.g. preventief fouilleren)
Superdiversiteit = diversiteit binnen diversiteit (interactie van veelheid aan dimensies)
Transmigratie = Migratie binnen de EU
Intersectionalisme = Het centraal staan van de verschillen én overeenkomsten van verschillende
culturen
Maatschappelijke ordeningprincipes = Gender, etniciteit, klasse, seksualiteit, levensfase, talenten en
beperkingen, religie en nationaliteit
Kruispuntedenken = Denken over gender en nationaliteit
Statisch denken = Man blijft man, vrouw blijft vrouw, etc
Eendimensionaliteit = of – ofdenker: man óf vrouw, hetero óf homo, geboren Nederlander óf migrant
Binariteit = Man versus vrouw, hetero versus homo, etc
Hiërarchie = Rollenverdeling op basis van sociale status
Glokalisering = Belangrijke transitie waarbij lokale identiteit steeds belangrijker wordt
Ontgroening = Minder jongeren in de samenleving als gevolg van een afnemend geboortecijfer
Vergrijzing = Meer ouderen in de bevolking
Transculturaliteit = Overnemen van dingen uit andere culturen
Etnocentrisme = De wereld om je heen alleen vanuit je eigen waarden en normen bezien
Etnorelativisme = Alle culturen zijn gelijk
Universalisme = Manier van kijken die overeenkomsten tussen culturen benadrukt
Salience = Iemand valt op iemand hij/zij er anders uitziet dan ‘normaal’
Pygmalion/Rosenthaleffect = Fenomeen waarbij hogere verwachtingen leiden tot hogere prestaties
Self-fulfulling (Prophecy) = Als ik hogere verwachtingen van iemand heb, benader ik hem/haar
(bewust of onbewust) op een positievere manier
Golemeffect = Negatieve spiraal dat ontstaat als je iemand dom, ongeduldig of vijandig benadert.
(e.g. preventief fouilleren)
Superdiversiteit = diversiteit binnen diversiteit (interactie van veelheid aan dimensies)
Transmigratie = Migratie binnen de EU
Intersectionalisme = Het centraal staan van de verschillen én overeenkomsten van verschillende
culturen
Maatschappelijke ordeningprincipes = Gender, etniciteit, klasse, seksualiteit, levensfase, talenten en
beperkingen, religie en nationaliteit
Kruispuntedenken = Denken over gender en nationaliteit
Statisch denken = Man blijft man, vrouw blijft vrouw, etc
Eendimensionaliteit = of – ofdenker: man óf vrouw, hetero óf homo, geboren Nederlander óf migrant
Binariteit = Man versus vrouw, hetero versus homo, etc
Hiërarchie = Rollenverdeling op basis van sociale status