,SAMENVATTING LANDELIJKE KENNISTOETS NEDERLANDS PABO 2026
DOMEIN 1: MONDELINGE TAALVAARDIGHEID
Luisterdoelen: de doelen die een luisteraar hanteert omdat hij bijvoorbeeld iets te weten wil komen of zijn mening
wil vormen. Voorbeelden uit de kennisbasis van luisterdoelen zijn:
- iets te weten willen komen;
- een bepaald gevoel willen ondergaan;
- zich een mening willen vormen;
- een bepaalde handeling willen uitvoeren;
- een spel mee willen spelen.
Luisterstrategieën: Om de luisterdoelen te realiseren, kies je als luisteraar, bewust of onbewust, een manier om te
luisteren. Het is dus de vaardigheid van een luisteraar om betekenis te koppelen aan klanken waardoor hij kan
begrijpen wat hij hoort. We onderscheiden in de kennisbasis de volgende manieren van luisteren:
-globaal luisteren (de grote lijn volgen)
-intensief luisteren (details ook belangrijk vinden)
-gericht luisteren (specifieke informatie oppikken)
-kritisch luisteren (mening vormen).
Uit Portaal: Luisterdoelen en luisterstrategieën zijn aan elkaar te koppelen:
, Spreekdoelen: De doelen die een spreker hanteert omdat hij bijvoorbeeld een ander wil informeren of overtuigen. In
de kennisbasis worden de volgende spreekdoelen genoemd:
- amuseren (bijvoorbeeld vertellen van een mop);
- informeren (bijvoorbeeld vertellen hoe laat het is);
- instrueren (bijvoorbeeld de weg wijzen);
- overtuigen (bijvoorbeeld zeggen dat je een boek echt moet lezen en vertellen hoe goed het is).
Spreekstrategieën: zijn manieren om een bepaalde spreektaak aan te pakken. Om de spreekdoelen te realiseren,
kies je als spreker, bewust of onbewust, een strategie. In de kennisbasis onderscheiden ze de volgende
spreekstrategieën:
- Oriënteren op het doel van de spreektaak;
- Oriënteren op het onderwerp en de eigen kennis daarvan;
- Oriënteren op soort spreektaak;
- Oriënteren op gesprekspartner(s) of het publiek: Met wie ga je in gesprek of wie luistert er naar je? Wat is hun
voorkennis?;
- Reflecteren op de spreektaak: Begrijp je wat er wordt gezegd en breng de informatie goed over? Bereik je
het doel?;
- Monitoren van de spreektaak: Is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren of vragen te stellen?;
- Evalueren van de spreektaak: Wat ging er goed en wat niet? Wat zou je de volgende keer anders aanpakken?
Sociale taalfuncties: taalfuncties die betrekking hebben op de interactie tussen mensen. In de kennisbasis spreekt
men over vier sociale taalfuncties:
- zelfhandhaving: zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die had ik!);
- zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen (Dan ga ik eerst naar de bakker
en dan naar de supermarkt.);
- sturing van anderen: beïnvloeden van gedrag van anderen (Zullen we gaan zwemmen?);
- structurering van het gesprek (Mag ik even wat zeggen?).
Sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal