Taalvaardigheid – Pabo
1. Werkwoordspelling
1.1 Persoonsvorm
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de tijd of het
onderwerp verandert.
In elke zin staat maar één persoonsvorm.
Zo vind je de persoonsvorm:
Zet de zin in een andere tijd
Of maak het onderwerp meervoud
→ het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm
Voorbeeld
Hij loopt naar school. → Hij liep
De leerling maakt de toets. → De leerlingen maken
1.2 Tegenwoordige tijd (tt)
Stappenplan
1. Zoek de persoonsvorm
2. Bepaal het onderwerp
3. Vervoeg het werkwoord
Onderwerp Vorm
ik stam
jij/je achter de
stam
pv
jij/je voor de
stam + t
pv
hij / zij / het stam + t
hele
wij / jullie / zij
werkwoord
Voorbeelden
jij vindt
vind je dat?
hij loopt
1.3 Verleden tijd (vt)
Er zijn twee soorten werkwoorden:
a. Sterke werkwoorden
Klankverandering
Uit het hoofd leren
Voorbeelden
lopen → liep
rijden → reed
b. Zwakke werkwoorden
Geen klankverandering
Gebruik ’t kofschip / ’t ex-kofschip
1
, Regel
Stam eindigt op t, x, k, f, s, ch, p → -te / -ten
Anders → -de / -den
Voorbeelden
werken → werkte
proeven → proefde
1.4 Voltooid deelwoord (vd)
Staat met hebben of zijn
Vorm bij regelmatige werkwoorden:
ge + stam + d/t (’t kofschip)
Voorbeelden
hij heeft beloofd
het brood is gebakken
Onregelmatige werkwoorden: uit het hoofd leren.
1.5 Infinitief (hele werkwoord)
Het hele werkwoord
Staat vaak na een ander werkwoord
Voorbeeld
Hij kon de vraag niet beantwoorden
1.6 Werkwoord als bijvoeglijk naamwoord
Afgeleid van een voltooid deelwoord
Geen persoonsvorm
Schrijf zo eenvoudig mogelijk
Voorbeelden
de vermelde gegevens
het ontvluchte meisje
1.7 Gebiedende wijs
Bevel, instructie of advies
Altijd de stam, geen -t
Jij/u is geen onderwerp
Voorbeelden
Besteed voldoende tijd.
Meld u bij de receptie.
1.8 Engelse werkwoorden
Spel je volgens Nederlandse regels
Voorbeelden
downloadde
geüpdatet
2. Overige spelling
2.1 Samenstellingen
Meestal aan elkaar
Voorbeelden
vrijetijdsbesteding
taaltoets
2