Gemaakt door: Laura Strijker
Datum: januari 2026
Vak: testen en meten
,Inhoud
Hoofdstuk 1............................................................................................................ 3
Hoofdstuk 2............................................................................................................ 4
Hoofdstuk 3............................................................................................................ 6
Hoofdstuk 4.......................................................................................................... 11
Hoofdstuk 5.......................................................................................................... 18
Hoofdstuk 6.......................................................................................................... 22
Hoofdstuk 7.......................................................................................................... 28
2
,Hoofdstuk 1
Psychologische test: systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag van 2 of
meer mensen
1. Test omvatten gedragsmonsters
2. Systematische manier van testen (niet: docent vraagt hoe het gaat)
3. Het doel van de test is om het gedrag van 2 of meer mensen te vergelijken
4. Testen zijn kwantitatief of categorisch
5. Inter- en intra-individuele verschillen in testprestaties zijn normaal, en het is belangrijk
deze concepten goed te begrijpen voor een correcte interpretatie van psychologische
metingen
Inter-individueel: verschillen tussen mensen
intra-individueel: verschillen binnen een individu op verschillende momenten en
verschillende omstandigheden
Het doel van een psychologische test kan zijn het vergelijken van scores tussen
respondenten, of het vergelijken van scores binnen één respondent.
Latente variabele: Een latente variabele is een eigenschap of begrip dat niet direct
meetbaar is, zoals depressie. Om deze variabele te meten, gebruik je verschillende
indicatoren die wel observeerbaar zijn, zoals iemands energieniveau, stemming of
slaappatroon. Door deze verschillende indicatoren te combineren, krijg je een compleet
beeld van het latent construct.
Norm referenced test: score van een persoon wordt vergeleken met de scores van een
referentiegroep (normgroep) je kijkt dus niet alleen naar je eigen score, maar vooral hoe
je scoort te opzicht van anderen
Criterium referenced: je score wordt vergeleken met een vaste vorm/eis (criterium), niet
met andere mensen
- Mensen die het criterium of hoger bereiken
- Mensen die het criterium niet bereiken
Speeded test: hier gaat het erom zo snel mogelijk zoveel mogelijk vragen te beantwoorden
Power test: hier is er geen tijdslimiet, je heb alle tijd om de vragen. Het gaat om de kwaliteit
van de antwoorden.
Participant reactivity: gedragingen van participanten beïnvloedt doordat ze weten dat ze
meedoen aan een onderzoek
Demand characteristics: gedrag aanpassen om te voldoen aan het verwachte doel van het
onderzoek
Social desirability/sociale wenselijkheid: gedrag aanpassen om indruk te maken op de
persoon die de metingen uitvoert (sociale wenselijkheid)
Malingering: bewust voorliegen om juist wel of juist geen score/diagnose te krijgen
Observer bias: De onderzoeker kan zijn eigen vooroordelen hebben. Het kan gebeuren dat
wat ze zien, wordt beïnvloed door hun eigen gedachten. Of het nu bewust of onbewust is,
3
, deze vooroordelen maken de metingen minder betrouwbaar
Samengestelde scores (composite): Psychologen hebben de neiging om te vertrouwen op
composite/samengestelde scores bij het meten van psychologische kenmerken.
Score sensitivity: het gaat hier om het vermogen van een meetinstrument om kleine maar
belangrijke verschillen waar te nemen (onderscheidingsvermogen).
Hoofdstuk 2
Willekeurigheid (arbitrary)
1. Identiteit (property of identity): je kunt objecten of mensen in categorieën indelen
- Binnen een categorie moeten alle mensen hetzelfde zijn (een bepaald kenmerk
hebben)
- Categorieën moeten elkaar uitsluiten ( je kan niet in twee categorieën tegelijk zitten)
- Categorieën moeten uitputtend zijn (iedereen moet in een bepaalde categorie
passen)
- Bij identiteit zijn cijfers alleen labels geen echte getallen
2. Ordening (property of order): mensen in een rangorde zetten
- Je weet wie meer of minder heeft, maar niet hoeveel
- Cijfers nog steeds labels maar nu met rangorde
Bv. 1= beste
2= middel
3= slechts
- Berekenen van gemiddelde, spreiding en correlatie niet zinvol
3. Kwantiteit (property of quantity)
- Je kunt exact aangeven hoeveel iemand heeft van een eigenschap
- Je kunt rekenen met de scores
- Je weet hoe groot het verschil is
Natuurwetenschappen
Bv. Meeteenheid: Score op lengte (meter)
Kwantiteit: Ja, je kan de meeteenheid om zetten naar cm bijvoorbeeld
Object: Ja, het kan gebruikt worden bij meerdere soorten objecten.
Eigenschap: Ja bijvoorbeeld voor omtrek, breedte
Gedragswetenschappen
Bv. Meeteenheid: IQ test
Kwantiteit: Ja bijvoorbeeld door het om te zetten naar Z-scores
Object: Nee, alleen bij mensen niet bij andere objecten
Eigenschap: Nee, alleen bij IQ niet bij andere eigenschappen
4