Taak 4
Micro-organismen leerdoelen:
1. Wat is een infectieziekte?
Als de interactie tussen het micro-organisme en de gastheer leidt tot schade of een
veranderde fysiologie bij de gastheer. De schade of veranderde fysiologie kan resulteren in
klinisch waarneembare symptomen en verschijnselen, maar kan ook langdurig onopgemerkt
blijven, subklinisch verlopen.
Ontstaat wanneer een virus lichaam binnentreedt, zich vermenigvuldigt en verspreid,
ontstaan er klachten. Dan is er een infectieziekte ontstaan.
(Leerboek microbiologie en infectieziekten)
2. Hoe ontstaan infectieziekten?
Principe van een virus als infectieus is dat het een levende cel kan binnendringen, daarin
vermenigvuldigd en vervolgens vrijkomt in een opnieuw infectieuze staat.
Virussen kunnen de geschikte gastheercel via de volgende routes bereiken,
transmissieroutes:
- Inhalatie
- Ingestie
- Seksueel contact
- Maag- darmstelsel
- Directe inoculatie in het weefsel
- Huidcontact (mens op mens)
- Via placenta in de foetus
- Mens op dier/ insecten
- Voorwerpen
- Voedsel en drinken
- Lucht
Fases in ontstaan van infectieziekten:
- Besmetting en eventueel kolonisatie met de verwekker, meestal op het oppervlak van
de huid of slijmvliezen, maar soms direct in spier- en andere weefsels door allerlei
traumata (bij de eerste barrière)
- Lokale invasie van gastheerweefsel door het micro-organisme of door producten
ervan, soms gevolgd door verdere verspreiding door het lichaam heen
- Ontstekingsreactie en ontwikkeling van een immuunreactie door de gastheer, gericht
op de eliminatie van het micro-organisme. Daartegenover staan diverse
mogelijkheden van het micro-organisme om te ontsnappen aan de weerstand door de
gastheer, om zich te vermeerderen en te worden overgedragen naar een volgende
gastheer.
- Resolutie van de ziekteverschijnselen en herstel van de gastheer, of daartegenover,
een letaal verloop van de ziekte, beide na korte of lange tijd.
Stappen replicatie virus:
1. Eclipsfase: Het virus verdwijnt in de cellen, is ontmanteld en daardoor niet
meer infectieus.
2. Latentiefase: fase tussen besmetting van de cellijn en het weer vrijkomen van
nieuwe besmettelijke virusdeeltjes.
3. Gevolg van virusinfectie: gastheercel is in immunologisch opzicht verandert
door het binnendringen van een virus en de expressie van virale eiwitten.
, Latente fase: de tijd tussen het eerste contact met het antigeen en het op gang komen van
de anitlivhaamproductie, waarbij deze antilichamen in het serum zijn aan te tonen.
De exponentiële fase: 5 dagen – 2 weken. Is er een activatie van B-cellen met een passende
receptor voor het binnengedrongen antigeen.
De steady-state-fase: Periode waarin de productie en de afbraak of het wegvangen van
antilichamen elkaar in evenwicht houden
Dalingsfase: De immuunrespons neemt af en treedt een snelle daling op van het
antilichaamgehalte in het seru.
(Te diep)
4 pathofysiologische processen die afzonderlijk of in combinatie optreden tijdens het beloop
van infecties bij de mens:
1. Directe schade door de werking van microbiële toxinen op humane weefsels/ cellen,
of als gevolg van intracellulaire vermeerdering van micro-organismen
2. Indirecte schade als gevolg van de ontstekingsreactie, uitgelokt door micro-
organismen
3. Indirecte schade als gevolg van een (auto-) immuunreactie op de binnengedrongen
ziekteverwekkers
4. Indirecte schade als gevolg van kwaadaardige ontaarding van de celgroei in organen
die langdurig zijn blootgesteld aan microbiële agentia.
(Leerboek microbiologie en infectieziekten)
3. Wat zijn micro-organismen?
a. Onderscheid bacteriën en virussen
Micro-organismen is de oudste levensvorm op aarde. Ze komen overal in de natuur voor, in
de grond, in water en in de lucht. Ze zijn zeer wijd verspreid voorkomend (ubiquitair), zijn het
grootste deel biomassa op aarde. Kan het niet met blote oog zien, sommige goed- sommige
kwaadaardig.
Verschil tussen:
prokaryoot (vrij in de cel, geen celkern een hele eenvoudige cel, simpel DNA Archea,
bacteriën) en
eukaryoot (kernmembraan, een volledige cel (normale) met organellen en celkern,
uitgebreide chromosomen/ DNA wormen, protozoa, schimmels)
3 groepen in de fylogenetische stamboom:
1. Bacteria
2. Archaea (een bijzondere groep bacteriën)
3. Eukarya (mens en dieren, planten en fungi)
Bacteria en Archaea beschikken alleen over een chromosoom die vrij in de cel ligt
(prokaryoot).
Binnen micro-organismen verschillende soorten:
- Kloon/ stam: het zijn afstammelingen van een en dezelfde voorloper, genetisch
identiek of vrijwel identiek
o Clonal complexes: om verwante klonen te onderscheiden
o (niet besproken in OWG)
Bacteriën zijn eencellige prokaryoten waarvan de genetische informatie opgeslagen ligt op
een circulair gesloten, dubbelstrengs DNA-molecuul. Er zijn ook plasmidale DNA-moleculen
te vinden.
Micro-organismen leerdoelen:
1. Wat is een infectieziekte?
Als de interactie tussen het micro-organisme en de gastheer leidt tot schade of een
veranderde fysiologie bij de gastheer. De schade of veranderde fysiologie kan resulteren in
klinisch waarneembare symptomen en verschijnselen, maar kan ook langdurig onopgemerkt
blijven, subklinisch verlopen.
Ontstaat wanneer een virus lichaam binnentreedt, zich vermenigvuldigt en verspreid,
ontstaan er klachten. Dan is er een infectieziekte ontstaan.
(Leerboek microbiologie en infectieziekten)
2. Hoe ontstaan infectieziekten?
Principe van een virus als infectieus is dat het een levende cel kan binnendringen, daarin
vermenigvuldigd en vervolgens vrijkomt in een opnieuw infectieuze staat.
Virussen kunnen de geschikte gastheercel via de volgende routes bereiken,
transmissieroutes:
- Inhalatie
- Ingestie
- Seksueel contact
- Maag- darmstelsel
- Directe inoculatie in het weefsel
- Huidcontact (mens op mens)
- Via placenta in de foetus
- Mens op dier/ insecten
- Voorwerpen
- Voedsel en drinken
- Lucht
Fases in ontstaan van infectieziekten:
- Besmetting en eventueel kolonisatie met de verwekker, meestal op het oppervlak van
de huid of slijmvliezen, maar soms direct in spier- en andere weefsels door allerlei
traumata (bij de eerste barrière)
- Lokale invasie van gastheerweefsel door het micro-organisme of door producten
ervan, soms gevolgd door verdere verspreiding door het lichaam heen
- Ontstekingsreactie en ontwikkeling van een immuunreactie door de gastheer, gericht
op de eliminatie van het micro-organisme. Daartegenover staan diverse
mogelijkheden van het micro-organisme om te ontsnappen aan de weerstand door de
gastheer, om zich te vermeerderen en te worden overgedragen naar een volgende
gastheer.
- Resolutie van de ziekteverschijnselen en herstel van de gastheer, of daartegenover,
een letaal verloop van de ziekte, beide na korte of lange tijd.
Stappen replicatie virus:
1. Eclipsfase: Het virus verdwijnt in de cellen, is ontmanteld en daardoor niet
meer infectieus.
2. Latentiefase: fase tussen besmetting van de cellijn en het weer vrijkomen van
nieuwe besmettelijke virusdeeltjes.
3. Gevolg van virusinfectie: gastheercel is in immunologisch opzicht verandert
door het binnendringen van een virus en de expressie van virale eiwitten.
, Latente fase: de tijd tussen het eerste contact met het antigeen en het op gang komen van
de anitlivhaamproductie, waarbij deze antilichamen in het serum zijn aan te tonen.
De exponentiële fase: 5 dagen – 2 weken. Is er een activatie van B-cellen met een passende
receptor voor het binnengedrongen antigeen.
De steady-state-fase: Periode waarin de productie en de afbraak of het wegvangen van
antilichamen elkaar in evenwicht houden
Dalingsfase: De immuunrespons neemt af en treedt een snelle daling op van het
antilichaamgehalte in het seru.
(Te diep)
4 pathofysiologische processen die afzonderlijk of in combinatie optreden tijdens het beloop
van infecties bij de mens:
1. Directe schade door de werking van microbiële toxinen op humane weefsels/ cellen,
of als gevolg van intracellulaire vermeerdering van micro-organismen
2. Indirecte schade als gevolg van de ontstekingsreactie, uitgelokt door micro-
organismen
3. Indirecte schade als gevolg van een (auto-) immuunreactie op de binnengedrongen
ziekteverwekkers
4. Indirecte schade als gevolg van kwaadaardige ontaarding van de celgroei in organen
die langdurig zijn blootgesteld aan microbiële agentia.
(Leerboek microbiologie en infectieziekten)
3. Wat zijn micro-organismen?
a. Onderscheid bacteriën en virussen
Micro-organismen is de oudste levensvorm op aarde. Ze komen overal in de natuur voor, in
de grond, in water en in de lucht. Ze zijn zeer wijd verspreid voorkomend (ubiquitair), zijn het
grootste deel biomassa op aarde. Kan het niet met blote oog zien, sommige goed- sommige
kwaadaardig.
Verschil tussen:
prokaryoot (vrij in de cel, geen celkern een hele eenvoudige cel, simpel DNA Archea,
bacteriën) en
eukaryoot (kernmembraan, een volledige cel (normale) met organellen en celkern,
uitgebreide chromosomen/ DNA wormen, protozoa, schimmels)
3 groepen in de fylogenetische stamboom:
1. Bacteria
2. Archaea (een bijzondere groep bacteriën)
3. Eukarya (mens en dieren, planten en fungi)
Bacteria en Archaea beschikken alleen over een chromosoom die vrij in de cel ligt
(prokaryoot).
Binnen micro-organismen verschillende soorten:
- Kloon/ stam: het zijn afstammelingen van een en dezelfde voorloper, genetisch
identiek of vrijwel identiek
o Clonal complexes: om verwante klonen te onderscheiden
o (niet besproken in OWG)
Bacteriën zijn eencellige prokaryoten waarvan de genetische informatie opgeslagen ligt op
een circulair gesloten, dubbelstrengs DNA-molecuul. Er zijn ook plasmidale DNA-moleculen
te vinden.