OvJ kan alleen mensen dagvaarden voor gepleegde strafbare feiten.
OvJ is vertegenwoordiger van het staatsorgaan dat belast is met de
vervolging van verdachten (OvJ werkt bij OM).
Sommige opsporingshandelingen mogen uitsluitende door de OvJ worden
verricht (e.g. deskundige benoemen tot bepaald onderzoek doen, DNA-
onderzoek laten uitvoeren, vorderingen doen bij de rechter-commissaris).
De verantwoordelijkheid voor alle opsporingsactiviteiten berust bij de OvJ
(gebeurt echter weinig door OvJ zelf).
In het civielrechtelijke rechtsgebied kunnen burgers elkaar middels een
advocaat dagvaarden, om zo een kwestie voor te leggen aan een
onafhankelijke rechter die een beslissing neemt.
Bestuursrecht: regelt onder meer de wijze waarop het openbaar bestuur
moet functioneren bij het nemen van beslissingen die de burger direct of
indirect raken (e.g. vergunningen door gemeenten of nieuwe spoorlijn).
- In het Algemene wet bestuursrecht (awb) vindt men de
algemene regels van het bestuursrecht.
Straffen opleggen heeft 2 doelen:
- Vergelding het opleggen van straf is vergolden door
leedtoevoeging en kan zorgen voor morele genoegdoening.
- Preventie gaat ervan uit dat mensen geen straf willen, dus zullen
zij strafbaar gedrag proberen te voorkomen
o Speciale preventie = het voorkomen dat de gestrafte
wederom de fout ingaat (dus op individueel niveau).
o Generale preventie = anderen leren van het feit dat er voor
het plegen van een strafbaar feit straf opgelegd kan worden
(dus het grote geheel).
Materieel recht = de vraag wat een strafbaar feit is. Hebben betrekking
op strafrechtelijke aansprakelijkheid. Bepaalt welk gedrag niet is
toegestaan en wie er daarvoor gestraft kan worden. In Wetboek van
Strafrecht.
Formele strafrecht = het strafprocesrecht of de strafvordering. Bepaalt
welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het
materiele recht is overtreden. In Wetboek van Strafvordering. Geeft de
regels voor de bevoegdheden van de politie, voorlopige hechtenis, inhoud
van dagvaarding en hoger beroep.
Sanctierecht = de voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen
worden opgelegd. In Wetboek van Strafrecht en Strafvordering.
Commune strafrecht = het strafrecht dat in de wetboeken is
opgenomen (meer algemene strafbaar gestelde gedragingen).
,Bijzondere strafwetten = strafbepaling die behoren tot het materiele
strafrecht, maar vaak ook bevoegdheden die behoren tot formele
strafrecht (e.g. Opiumwet, Wet wapens en munitie en Wegenverkeerswet).
Wetten in formele zin zijn strafwetten die in samenwerking zijn tussen de
Staten-Generaal en de regering.
De Algemeen plaatselijke verordening (APV) van gemeente zijn geen
wetten in samenwerking met de SG en de regering. In de APV worden
allerlei gedragingen strafbaar gesteld die in die gemeente niet toegelaten
zijn. Deze gedragingen kunnen verschillen onder gemeenten.
Het Wetboek van Strafrecht bestaan uit drie hoofdonderdelen:
- Boek 1 regelt de algemene leerstukken van materieel strafrecht
(e.g. strafuitsluitingsgronden en poging)
- Boek 2 en Boek 3 bevatten uitsluitend strafbepalingen
(omschrijvingen van gedrag dat strafbaar is + aanduiding van
maximale straffen).
o Boek 2 bevat alleen misdrijven die strafbaar zijn gesteld;
o Boek 3 bevat overtredingen.
Het Wetboek van Strafvordering bestaat uit 6 boeken:
1. Algemene bepaling belangrijkste bevoegdheden tijdens het
opsporingsonderzoek
2. Strafvordering in eersten aanleg vervolgingsbeslissing van de
OvJ en de hele procedure voor de berechting van een verdachte
door de rechtbank
3. Gewijd aan rechtsmiddelen = een middel (van zowel verdachte
als OM) om de beslissing van de rechtbank aan te vechten bij een
hogere instantie (dus hoger beroep).
6. Tenuitvoerlegging
Internationaal recht = het recht dat tussen staten geldt. Nederland kan
dus verplicht zijn om bepaald gedrag strafbaar te stellen of bepaalde
bevoegdheden in het leven te roepen (bindend als staten instemmen met
die wet).
Supranationaalrechtelijk = regels die een internationale organisatie
oplegt, waar de lidstaten bij die organisatie zich aan moeten houden (e.g.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens; EHRM). (Bindend als de
organisatie het bepaalt).
De strafbepaling bestaat uit een delictsomschrijving, kwalificatie-
aanduiding en een strafbedreiging.
- Delictsomschrijving = welke ongewenste gedraging de wetgever
strafbaar heeft willen stellen (e.g. iemand slaan met een knuppel).
- Kwalificatie-aanduiding = hoe het gedrag in juridisch opzicht
moet worden benoemd (e.g. mishandeling, doodslag/dood door
schuld; hoe het in de wet wordt genoemd).
, - Strafbedreiging = welke soort straf mag worden opgelegd en wat
het maximum daarbij is.
Niet alle strafbepalingen kennen een duidelijke omschrijving van het
strafbare gedrag en een kwalificatie-aanduiding. In veel artikelen van het
Wetboek van strafrecht ontbreekt dit of is geacht besloten te liggen in de
delictsomschrijving.
De opbouw van het strafbare feit in vier componenten:
Strafbaar feit = een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen
van een wettelijk delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan
schuld te wijten.
(Cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat iemand
gestraft kan worden).
Vierlagenmodel:
1. Menselijke gedraging (MG) gedraging verricht door een
mens/stichting/gemeente/bv.
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO) gedragingen zijn pas
strafbaar als zij vallen binnen de grenzen van een wettelijke
delictsomschrijving en dus in de strafwet terug te vinden zijn
3. Wederrechtelijkheid (W) (‘in strijd met het recht’) is een
voorwaarde voor strafbaarheid. (Rechtvaardigingsgrond is hierop
van toepassing).
4. Schuld (V als verwijtbaarheid) niemand mag gestraft worden
zonder dat hij (een bepaalde mate van) schuld heeft. Als iemand een
andere optie had dan het overtreden van de wet, is hij verwijtbaar.
(Schulduitsluitingsgronden zijn hierop van toepassing).
Als een gedraging niet wederrechtelijk is, wordt er vervolgens ook al niet
meer gekeken naar de verwijtbaarheid. Er wordt dus stap voor stap
beoordeeld volgens het vierlagenmodel.
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat strafbepalingen altijd in het
geschreven recht terug te vinden moet zijn. Het gedrag is pas strafbaar als
het ten tijde van het begaan van het feit in de wet strafbaar is gesteld.
Kwalificatie = de rechter moet in een vonnis altijd precies aangeven
waar in de wet het begane feit strafbaar is gesteld.
De belangrijkste interpretatiemethoden van wetstermen: (vaak in
combinatie)
- Wetshistorische interpretatie er wordt gekeken naar de
totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling in kwestie. Meestal
a.d.h.v. Kamerstukken (e.g. de memorie van toelichting bij een
wetsvoorstel).
- Grammaticale interpretatie er wordt gekeken naar de
taalkundige betekenis van de woorden in de desbetreffende
bepaling en de zinsbouw.
- Systematische interpretatie de wet wordt uitgelegd a.d.h.v. de
systematiek van de wet (het logische geheel van wettelijke regels).
- Teleologische interpretatie er wordt gekeken naar het doel
van de wet(gever)
OvJ is vertegenwoordiger van het staatsorgaan dat belast is met de
vervolging van verdachten (OvJ werkt bij OM).
Sommige opsporingshandelingen mogen uitsluitende door de OvJ worden
verricht (e.g. deskundige benoemen tot bepaald onderzoek doen, DNA-
onderzoek laten uitvoeren, vorderingen doen bij de rechter-commissaris).
De verantwoordelijkheid voor alle opsporingsactiviteiten berust bij de OvJ
(gebeurt echter weinig door OvJ zelf).
In het civielrechtelijke rechtsgebied kunnen burgers elkaar middels een
advocaat dagvaarden, om zo een kwestie voor te leggen aan een
onafhankelijke rechter die een beslissing neemt.
Bestuursrecht: regelt onder meer de wijze waarop het openbaar bestuur
moet functioneren bij het nemen van beslissingen die de burger direct of
indirect raken (e.g. vergunningen door gemeenten of nieuwe spoorlijn).
- In het Algemene wet bestuursrecht (awb) vindt men de
algemene regels van het bestuursrecht.
Straffen opleggen heeft 2 doelen:
- Vergelding het opleggen van straf is vergolden door
leedtoevoeging en kan zorgen voor morele genoegdoening.
- Preventie gaat ervan uit dat mensen geen straf willen, dus zullen
zij strafbaar gedrag proberen te voorkomen
o Speciale preventie = het voorkomen dat de gestrafte
wederom de fout ingaat (dus op individueel niveau).
o Generale preventie = anderen leren van het feit dat er voor
het plegen van een strafbaar feit straf opgelegd kan worden
(dus het grote geheel).
Materieel recht = de vraag wat een strafbaar feit is. Hebben betrekking
op strafrechtelijke aansprakelijkheid. Bepaalt welk gedrag niet is
toegestaan en wie er daarvoor gestraft kan worden. In Wetboek van
Strafrecht.
Formele strafrecht = het strafprocesrecht of de strafvordering. Bepaalt
welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm van het
materiele recht is overtreden. In Wetboek van Strafvordering. Geeft de
regels voor de bevoegdheden van de politie, voorlopige hechtenis, inhoud
van dagvaarding en hoger beroep.
Sanctierecht = de voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen
worden opgelegd. In Wetboek van Strafrecht en Strafvordering.
Commune strafrecht = het strafrecht dat in de wetboeken is
opgenomen (meer algemene strafbaar gestelde gedragingen).
,Bijzondere strafwetten = strafbepaling die behoren tot het materiele
strafrecht, maar vaak ook bevoegdheden die behoren tot formele
strafrecht (e.g. Opiumwet, Wet wapens en munitie en Wegenverkeerswet).
Wetten in formele zin zijn strafwetten die in samenwerking zijn tussen de
Staten-Generaal en de regering.
De Algemeen plaatselijke verordening (APV) van gemeente zijn geen
wetten in samenwerking met de SG en de regering. In de APV worden
allerlei gedragingen strafbaar gesteld die in die gemeente niet toegelaten
zijn. Deze gedragingen kunnen verschillen onder gemeenten.
Het Wetboek van Strafrecht bestaan uit drie hoofdonderdelen:
- Boek 1 regelt de algemene leerstukken van materieel strafrecht
(e.g. strafuitsluitingsgronden en poging)
- Boek 2 en Boek 3 bevatten uitsluitend strafbepalingen
(omschrijvingen van gedrag dat strafbaar is + aanduiding van
maximale straffen).
o Boek 2 bevat alleen misdrijven die strafbaar zijn gesteld;
o Boek 3 bevat overtredingen.
Het Wetboek van Strafvordering bestaat uit 6 boeken:
1. Algemene bepaling belangrijkste bevoegdheden tijdens het
opsporingsonderzoek
2. Strafvordering in eersten aanleg vervolgingsbeslissing van de
OvJ en de hele procedure voor de berechting van een verdachte
door de rechtbank
3. Gewijd aan rechtsmiddelen = een middel (van zowel verdachte
als OM) om de beslissing van de rechtbank aan te vechten bij een
hogere instantie (dus hoger beroep).
6. Tenuitvoerlegging
Internationaal recht = het recht dat tussen staten geldt. Nederland kan
dus verplicht zijn om bepaald gedrag strafbaar te stellen of bepaalde
bevoegdheden in het leven te roepen (bindend als staten instemmen met
die wet).
Supranationaalrechtelijk = regels die een internationale organisatie
oplegt, waar de lidstaten bij die organisatie zich aan moeten houden (e.g.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens; EHRM). (Bindend als de
organisatie het bepaalt).
De strafbepaling bestaat uit een delictsomschrijving, kwalificatie-
aanduiding en een strafbedreiging.
- Delictsomschrijving = welke ongewenste gedraging de wetgever
strafbaar heeft willen stellen (e.g. iemand slaan met een knuppel).
- Kwalificatie-aanduiding = hoe het gedrag in juridisch opzicht
moet worden benoemd (e.g. mishandeling, doodslag/dood door
schuld; hoe het in de wet wordt genoemd).
, - Strafbedreiging = welke soort straf mag worden opgelegd en wat
het maximum daarbij is.
Niet alle strafbepalingen kennen een duidelijke omschrijving van het
strafbare gedrag en een kwalificatie-aanduiding. In veel artikelen van het
Wetboek van strafrecht ontbreekt dit of is geacht besloten te liggen in de
delictsomschrijving.
De opbouw van het strafbare feit in vier componenten:
Strafbaar feit = een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen
van een wettelijk delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan
schuld te wijten.
(Cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat iemand
gestraft kan worden).
Vierlagenmodel:
1. Menselijke gedraging (MG) gedraging verricht door een
mens/stichting/gemeente/bv.
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO) gedragingen zijn pas
strafbaar als zij vallen binnen de grenzen van een wettelijke
delictsomschrijving en dus in de strafwet terug te vinden zijn
3. Wederrechtelijkheid (W) (‘in strijd met het recht’) is een
voorwaarde voor strafbaarheid. (Rechtvaardigingsgrond is hierop
van toepassing).
4. Schuld (V als verwijtbaarheid) niemand mag gestraft worden
zonder dat hij (een bepaalde mate van) schuld heeft. Als iemand een
andere optie had dan het overtreden van de wet, is hij verwijtbaar.
(Schulduitsluitingsgronden zijn hierop van toepassing).
Als een gedraging niet wederrechtelijk is, wordt er vervolgens ook al niet
meer gekeken naar de verwijtbaarheid. Er wordt dus stap voor stap
beoordeeld volgens het vierlagenmodel.
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat strafbepalingen altijd in het
geschreven recht terug te vinden moet zijn. Het gedrag is pas strafbaar als
het ten tijde van het begaan van het feit in de wet strafbaar is gesteld.
Kwalificatie = de rechter moet in een vonnis altijd precies aangeven
waar in de wet het begane feit strafbaar is gesteld.
De belangrijkste interpretatiemethoden van wetstermen: (vaak in
combinatie)
- Wetshistorische interpretatie er wordt gekeken naar de
totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling in kwestie. Meestal
a.d.h.v. Kamerstukken (e.g. de memorie van toelichting bij een
wetsvoorstel).
- Grammaticale interpretatie er wordt gekeken naar de
taalkundige betekenis van de woorden in de desbetreffende
bepaling en de zinsbouw.
- Systematische interpretatie de wet wordt uitgelegd a.d.h.v. de
systematiek van de wet (het logische geheel van wettelijke regels).
- Teleologische interpretatie er wordt gekeken naar het doel
van de wet(gever)