(Herhaling oude stof)
Paragraaf 1: Het bestuursorgaan
De uitoefening van het bestuursrecht geschiedt door bestuursorganen.
Er zijn a-organen en b-organen.
a-organen zijn organen van rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld.
Denk hierbij aan organen van de staat, de provincies, gemeenten, etc.
b-organen zijn alle andere personen of colleges, met enig openbaar gezag
bekleed.
Denk hierbij aan een garagehouder, De Nederlandsche Bank NV etc.
Niet alle organen van rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld zijn bestuursorganen. De wetgevende macht, 1e en 2e kamer, de
rechterlijke macht, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer zijn
geen bestuursorganen.
Paragraaf 2: Het besluit
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Overheidsorganen kunnen twee soorten handelingen verrichten die voor
het recht van belang zijn: Feitelijke handelingen met rechtsgevolg en
rechtshandelingen.
Feitelijke handelingen met rechtsgevolg zijn handelingen waaraan het
recht een gevolg verbindt, maar waarbij je het rechtsgevolg niet beoogd.
Dit kunnen onrechtmatige of rechtmatige overheidsdaden zijn.
Onrechtmatige en rechtmatige overheidsdaden worden door het burgerlijk
recht beheerst. Zij worden toegerekend aan een publiekrechtelijk
rechtspersoon, en niet het bestuursorgaan daarvan.
Rechtshandelingen zijn handelingen waarvan je het rechtsgevolg wel
beoogd. De overheid kan publiekrechtelijke en privaatrechtelijke
rechtshandelingen maken.
Privaatrechtelijke rechtshandelingen zijn handelingen die normale burgers
evenzogoed zouden kunnen verrichten.
Publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn handelingen waarvan de
overheid een exclusief toegekende overheidsbevoegdheid gebruikt.
Feitelijke handelingen met rechtsgevolg en privaatrechtelijke
rechtshandelingen worden dus toegerekend aan een rechtspersoon, terwijl
,bij publiekrechtelijke rechtshandelingen het bestuursorgaan zelf wordt
toegerekend.
Publiekrechtelijke rechtshandelingen worden onderscheiden in Awb-
besluiten en niet Awb-besluiten.
1. Awb-besluiten zijn schriftelijke beslissingen van a- of b-organen,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Besluiten die wel van de overheid komen, maar niet van een
bestuursorgaan, zijn geen Awb-besluiten.
Ook besluiten die geen rechtsgevolg in het leven roepen zijn geen Awb-
besluiten.
Awb-besluiten
Er zijn vier soorten Awb-besluiten:
1. Het algemeen verbindende voorschrift (avv)
2. Het concretiserende besluit van algemene strekking (cbas)
3. De beleidsregel
4. De beschikking
De eerste drie besluiten hebben algemene strekking, de beschikking niet.
Een algemeen verbindend voorschrift is eigenlijk een wet in materiele zin.
Als een avv afkomstig is van een bestuursorgaan, betreft het een Awb-
besluit. Wetten die afkomstig zij van de formele wetgever, zijn geen Awb-
besluiten.
Een concretiserend besluit van algemene strekking berust op een avv, en
bevat dus geen zelfstandige norm. Voorbeeld: In een avv staat dat je
honden niet mag loslaten, behalve op aangewezen plekken. In een cbas
staat dan waar je honden wel mag loslaten.
Een beleidsregel is een regel die geldt bij het gebruik van een
bevoegdheid door een bestuursorgaan. Het is een soort instructienorm.
Een beschikking is een rechtsvaststelling in een individueel geval. Dit is
dus niet van algemene strekking.
Communicatie tussen bestuursorganen en burgers vindt in beginsel
elektronisch plaats.
Paragraaf 3.1: De beschikking
Er zijn begunstigende en belastende beschikkingen. Een beschikking kan
ook allebei zijn. Een belastende beschikking moet altijd op een wet
berusten.
Een beschikking moet aan vier eisen voldoen om rechtsgeldig te zijn.
1. Het bestuursorgaan moet op grond van de wet bevoegd zijn om de
beschikking te geven.
, 2. De beschikking moet in overeenstemming zijn met algemeen
verbindende voorschriften. Deze staan in de Awb.
3. De beschikking moet in overeenstemming zijn met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
4. De beschikking moet in overeenstemming zijn met de beleidsregels.
De bevoegdheid van het bestuursorgaan
Een bestuursorgaan moet beschikkingsbevoegdheid hebben om een
beschikking vast te stellen. Dit kan op drie manieren:
1. Attributie, het scheppen van een nieuwe bevoegdheid.
2. Delegatie, het overdragen van een bevoegdheid, en het overdragen
van de verantwoordelijkheid.
3. Mandaat (exclusief voor bestuursrecht), het overdragen van een
bevoegdheid (geen juridische overdracht), terwijl je de
verantwoordelijkheid zelf houdt.
Geldigheidsvereisten in de Awb
Een beschikking moet worden vastgesteld overeenkomstig met de
toepasselijke wettelijke voorschriften, en voldoen aan de voorschriften uit
de Awb.
In de rechtspraak zijn een aantal beginselen tot ontwikkeling gekomen die
gelden voor het handelen van bestuursorganen: de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. Sommige van deze beginselen zijn al opgenomen
in de Awb. We bespreken nu de belangrijkste 7.
1. Zorgvuldige voorbereiding
Voordat een bestuursorgaan een besluit maakt, moet zij eerst de nodige
kennis hebben over relevante feiten en de af te wegen belangen.
2. Hoorplicht
De aanvrager hoeft in principe niet te worden gehoord, tenzij het
bestuursorgaan dreigt de aangevraagde beschikking af te wijzen op grond
van andere gegevens dan die de aanvrager heeft verstrekt.
Een derde-belanghebbende moet worden gehoord als:
a. Het bestuursorgaan een beschikking zal geven waartegen een
derde-belanghebbende naar verwachting bedenkingen zal hebben,
en
b. Die beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen
die de belanghebbende betreffen die deze niet zelf heeft verstrekt.
3. Evenredige belangenafweging
De belangen van de aanvragen, de belangen van derden en het algemeen
belang moet goed worden afgewogen. Er is een verbod van willekeur.
4. Het verbod van detournement de pouvoir
Een bestuursorgaan mag zijn bevoegdheid niet misbruiken.
5. Motiveringsplicht
, Een bestuursorgaan moet zijn besluit goed en duidelijk motiveren.
6. Beslistermijn
Een bestuursorgaan moet de beschikking geven binnen de wettelijke
termijn. Als er in de wet een termijn ontbreekt, dan geldt een redelijke
termijn van maximaal acht weken.
Als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het
bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager voor elke dag dat het te
laat is, voor maximaal 42 dagen. Het betalen gebeurt pas nadat de
aanvrager het orgaan schriftelijk heeft benaderd over het te laat beslissen,
en er daarna 14 dagen voorbij zijn gegaan. In die periode mag het
bestuursorgaan alsnog zonder kosten beslissen.
7. Bekendmaking
De beschikking moet natuurlijk bekend worden gemaakt bij de
belanghebbende. Als er bezwaar kan worden gemaakt tegen de
beschikking, moet dat er bij staan. Er moet dan ook staan door wie, binnen
welke termijn en bij welk orgaan.
Geldigheidsvereisten buiten de Awb
Er zijn ook ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur. De drie
belangrijkste zijn het gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en
vertrouwensbeginsel.
1. Gelijkheidsbeginsel
Een bestuursorgaan moet iedereen die in dezelfde omstandigheden
verkeren, gelijk behandelen. (Art. 1 Grondwet)
2. Rechtszekerheidsbeginsel
Men moet weten waar hij aan toe is, en beschikkingen moeten dus
duidelijk zijn. De overheid moet ook zijn afspraken nakomen, bij eventuele
veranderingen moeten de burgers daar ruim van tevoren van op de
hoogte worden gesteld.
3. Vertrouwensbeginsel
Je moet ervan uit kunnen gaan dat als de overheid iets tegen je zegt, dat
hij zich daar aan houd. Als een ambtenaar tegen je zegt dat ze je illegale
garagebouw zullen gedogen, dan mogen ze dat vertrouwen niet schenden.
Onder enkele omstandigheden mag het vertrouwensbeginsel opzij gezet
worden.
Om te kijken of een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt gaat de
rechter drie stappen door.
1. Kan de uitlating of gedraging worden gekwalificeerd als toezegging?
2. Kan die toezegging aan het bestuursorgaan worden toegerekend?
3. Wat is de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening
van de betreffende bevoegdheid?
Als een beroep op vertrouwensbeginsel mislukt, kan het bestuursorgaan
wel opgelegd worden om schade vergoeden die er zonder het vertrouwen
niet zou zijn geweest.