100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Recht en Bedrijf - Samenvatting jaar 1

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
66
Geüpload op
28-01-2026
Geschreven in
2024/2025

Dit is een uitgebreide samenvatting van alle stof voor het vak Recht en Bedrijf. De samenvatting is geschreven in studiejaar . Het betreft de benodigde hoofdstukken van 'Inleiding in het Nederlandse recht' en 'Kern van het arbeidsrecht'.

Meer zien Lees minder











Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Geüpload op
28 januari 2026
Aantal pagina's
66
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting

Voorbeeld van de inhoud

Inleiding in het NL recht – H10 (Burgerlijk
Procesrecht)

1. Kenmerken van het burgerlijk procesrecht
In de Nederlandse rechtspraak gelden een aantal beginselen voor alle
rechtsgebieden, denk aan eerlijk proces, motiveringsbeginsel en hoor en
wederhoor. Hieronder gaan we verder over 6 specifieke kenmerken voor
het burgerlijk procesrecht.

1. Partij autonomie
Volgens art. 1:1 BW is iedereen die zich in Nederland bevind vrij tot het
genot van zijn rechten, en in staat om een proces te beginnen (met
advocaat). Partijen beslissen zelf over welke onderwerpen ze procederen,
en tot welk bedrag. Een rechter mag geen uitspraken doen over andere
zaken, en ook niet meer geld toewijzen dan geëist. Daarnaast is het voor
partijen mogelijk om op ieder moment het proces te beëindigen (door bv
schikking).

2. Lijdelijkheid van de rechter
De rechter is lijdelijk (passief) in het proces. De partijen komen zelf met
vorderingen, stellingen en verweren. Dit blijkt ook uit het feit dat de
formele waarheid centraal staat in het burgerlijk procesrecht (art. 149 lid 1
Rv). Dat houdt in dat wat een partij stelt, en de andere partij niet betwist,
als waar wordt aangenomen. De burgerlijke rechter heeft niet de taak om
achter de volledige waarheid te komen. Het is wel zo dat partijen verplicht
zijn om de feiten die voor de uitspraak van belang zijn volledig en
kloppend naar voren te brengen (art. 21 Rv). Ze mogen dus geen
relevante informatie verzwijgen.

Tegenover deze lijdelijkheid van de rechter staan wel een paar punten
waar hij actief kan ingrijpen. De drie belangrijkste zijn:

1. De rechter moet zorgen voor een redelijke termijn van het proces
(art. 20 lid 1 Rv).
De maatregelen die hij moet nemen komen er vaak op neer dat hij
telkens termijnen stelt voor de proceshandelingen van partijen. Hij
kan maatregelen nemen op verzoek van partijen, maar ook op eigen
initiatief. Ook partijen zelf moeten onredelijke vertraging voorkomen.

2. De rechter moet de rechtsgronden op eigen initiatief aanvullen (art.
25 Rv). Hij mag dus niet een vordering afwijzen omdat de eiser het
onjuist heeft onderbouwd. Deze regel komt uit het Romeinse recht,
‘Ius curia novit’ (het hof kent het recht). De rechter kent de wetten in
materiële zin en moet ze actief toepassen.

, 3. De rechter kan ook nog een mondelinge behandeling geven (art. 87
Rv). Dit komt vaak voor wanneer hij partijen probeert te laten
schikken.


3. Er is verplichte procesvertegenwoordiging
Partijen kunnen in een civiele procedure alleen proceshandelingen
verrichten als ze vertegenwoordigd zijn door een advocaat. Ze mogen zelf
dus geen stukken schrijven, woord voeren, etc. Dit heet verplichte
procesvertegenwoordiging. Hier zijn een aantal redenen voor:
1. De doelmatigheid van de procedure wordt erdoor bevorderd. Juristen
hebben veel meer kennis van de wet en het procederen, dus het is
een stuk efficiënter als zij het proces voeren.

2. De verplichte procesvertegenwoordiging zorgt voor een eerlijker
proces. De wetskennis tussen burgers onderling kan groot
verschillen, maar tussen advocaten is er een kleiner verschil. Ze
hebben grotendeels dezelfde juridische achtergrond. Er is een
grotere equality of arms tussen procespartijen.

3. Het werk van de rechter is makkelijker. De juridische feiten en
argumenten zijn al voorgekauwd door de juridische
vertegenwoordigers.
In kantonzaken is er geen verplichte procesvertegenwoordiging (art. 79 lid
1 Rv). Partijen kunnen zich wel laten vertegenwoordigen door een
gemachtigde (bv advocaat), maar dat hoeft niet.

4. Het proces verloopt in hoofdzaak schriftelijk
In het burgerlijk procesrecht verloopt het proces voornamelijk schriftelijk.
De stukken die gemaakt worden, vormen het procesdossier.
In art. 33 Rv is een regeling neergelegd voor het digitaal procederen. Als
een gerecht de mogelijkheid daartoe heeft, mag je digitaal berichten
sturen. Het gaat dan om de meer eenvoudige berichten zoals het
vragen/verlenen van een datum voor pleidooi. Bij de HR procederen
partijen sinds een paar jaar digitaal.

5. De procedure is niet kosteloos
De partij die bij de uitspraak het ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de
kosten van het geding. Dit geldt voor de rechterlijke kosten (bv griffie),
maar ook de kosten van advocaten etc. Vaak zijn de advocaatkosten en de
rechterlijke kosten genoemd in de procesveroordeling veel lager dan de
werkelijke kosten. De staat betaalt de rest van die kosten uit de algemene
middelen.

6. Zo nodig een toevoeging
Om te voorkomen dat een proces starten alleen voor de midden en hogere
klasse mogelijk is, is er in art. 18 lid 2 GW bepaald dat de wet regels
maakt omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder
draagkrachtigen. Hier wordt de Wet op de rechtsbijstand mee bedoeld. In
Utrecht zit de raad voor rechtsbijstand, zij verlenen een zogenoemde

,toevoeging (financiële hulp) aan mensen die een aanvraag doen voor
rechtsbijstand. Denk hierbij bv aan de kosten van een advocaat. Dit kan
natuurlijk alleen als de verzoeker niet in staat is om zelf het proces te
betalen. Vaak moet de verzoeker wel een gedeelte zelf betalen. De
toevoeging gaat alleen om eigen rechtsbijstand. Als de zaak dus wordt
verloren, moeten de proceskosten van de tegenpartij uit eigen zak worden
betaald.


2. De bevoegdheid van de burgerlijke rechter
De rechter kijkt eerst of hij bevoegd is voor een zaak. Aan de rechterlijke
macht is ‘de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over
schuldvordering’ opgedragen (art 112 GW). Tot 1915 betekende dit dat de
burgerlijke rechter alleen zuiver privaatrechtelijke geschillen mocht
oplossen. Het gaat hier om regels die niet (mede) door het publiekrecht
worden beheerst. De opvatting dat de burgerlijke rechter alleen zuiver
privaatrechtelijke geschillen op mag lossen, staat bekend als de leer van
het fundamentum petendi. Dit was zo tot 1915.

In 1915 heeft de HR de leer van het fundamentum petendi achtergelaten
in het Guldemond/Noordwijkerhout arrest. Het gaat vanaf dan alleen nog
maar om de vraag of eiser zijn vordering baseert op een regel van het
burgerlijk recht. Deze opvatting staat bekend als de leer van het objectum
litis. Het gevolg hiervan is dus dat geschillen met een publiekrechtelijk
karakter voorgelegd kunnen worden aan de burgerlijke rechter.
Een vervolg op Guldemond/Noordwijkerhout is het Alkmaar/Noord-Holland
arrest. Hierin achtte de burgerlijke rechter zich zelfs bevoegd in een
geheel publiekrechtelijke sfeer (conflict tussen 2 publiekrechtelijke
organen), met een publiekrechtelijk probleem (productie & levering
elektriciteit). De burgerlijke rechter was hier bevoegd omdat de gemeente
Alkmaar stelde dat het ging om een schuldvordering, wat in het burgerlijke
recht valt (huidige art. 112 lid 1 GW).

In de bovenstaande arresten was er geen mogelijkheid om bij een andere
rechter te procederen, maar wat als dat wel zo zou zijn? In het Schellen en
deuropeners-arrest (1957) heeft de HR beslist dat de eiser bij de
burgerlijke recht niet-ontvankelijk is in zijn vordering als de wet voor dat
geschil een andere rechtsgang heeft aangewezen. De andere rechtsgang
moet dan wel deugdelijk (lees – goed georganiseerd) zijn.
Als zo een geval zich voordoet, is de burgerlijke rechter op grond van de
objectum litis leer wel bevoegd, maar verklaart hij eiser in de vordering
niet-ontvankelijk omdat er een andere deugdelijke rechtsgang openstaat.
Met dit arrest heeft de HR de toegang tot het burgerlijk proces begrensd
vergeleken met het bestuursproces. In een geschil met een
bestuursorgaan moet men dus naar de bestuursrechter gaan.
Let wel op: In het begin van H8 Awb zijn een aantal besluiten van
bestuursorganen uitgesloten van een beroep op de bestuursrechter,
hiervoor is dus de burgerlijke rechter nodig. De burgerlijke rechter is

, eigenlijk een soort vangnet, en wordt daarom ook wel ‘restrechter’
genoemd.
Enkele relevante arresten die hieruit volgde:
Vwo-examen Frans: Burgerlijke rechter was bevoegd op grond van art. 8:4
lid 3 Awb.
Rechtsgang bij CBb: Rechtbank bevoegd omdat het CBb niet deugdelijk
was (voldeed niet aan eisen eerlijk proces).
Deugdelijke rechtsgang: Burgerlijke rechter niet bevoegd, College van
Beroep voor het Hoger onderwijs was bevoegd.


3. De dagvaarding
Het burgerlijk proces begint met een dagvaarding of een verzoekschrift
(volgende par).
De dagvaarding is een schriftelijk stuk waarin de eiser de gedaagde
oproept om op een bepaalde dag voor te rechter te verschijnen, hier staat
ook de eis in. In deze paragraaf wordt de dagvaarding voor de burgerlijke
rechter (1e aanleg) besproken. Dagvaardingen voor andere gerechten
wijken op slechts enkele punten hiervan af.

De dagvaarding wordt gemaakt door een advocaat. De advocaat is de
rechtsgeleerde raadsman of raadsvrouw van de rechtzoekende, hij schrijft
alle processtukken en overlegd met zijn cliënt. Eigenlijk alle processuele
dingen worden door de advocaat gedaan.
De dagvaarding wordt door een deurwaarder aan de gedaagde afgeleverd,
dit gebeurd in persoon of aan een van zijn huisgenoten. Dit wordt de
‘betekening’ genoemd. Als de gedaagde niet reageert op de (goed
betekende) dagvaarding, dan wijst de rechter de vordering in principe toe.
Het vonnis wordt dan bij verstek gewezen (art. 139 Rv). Zodat de
gedaagde weet wat hem te wachten staat, en op de hoogte is van het
geschil, wordt aan de dagvaarding strenge eisen gesteld (art. 111 Rv). Er
moet staan:
1. De naam en woonplaats van de eiser (en afhankelijk van procedure
naam van zijn advocaat/gemachtigde).
2. De eis met de gronden daarvan. De eis wordt petitum genoemd, de
gronden fundamentum petendi.
3. De aanwijzing van het gerecht dat de zaak zal behandelen.
4. De dag (roldatum) en het uur waarop de gedaagde bij de rechter
moet verschijnen.
5. De verwering die de gedaagde voordat de procedure begon tegen de
eis heeft aangevoerd, en de gronden.
6. De bewijsmiddelen die de eiser op verzoek kan overleggen, en de
namen van getuigen die hij desgevraagd door de rechter kan laten
horen.


4. Het verzoekschrift
Naast de dagvaarding, zijn er ook burgerlijke procedures die met een
verzoekschrift beginnen (art. 261 Rv e.v.). Voor procedures die met een
€9,56
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
jochemwaser

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
jochemwaser Hogeschool van Amsterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
0
Lid sinds
1 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
2
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen