Samenvatting tentamen 1 – periode 1
Lukes:
Pluralisme: het bestaan van verschillende sociale en culturele subsystemen in een
samenleving, zoals de overheid, de rechtspraak, het bedrijfsleven, de vakbeweging, de pers
en de kerk met elk eigen belangen waarbij er sprake is van een zekermachtsevenwicht.
Een dimensionale macht
The concept of power: beschrijft Dahl zijn intuïtieve idee van macht als iets als dit: A heeft
macht over b in die zin dat hij b zover kan krijgen iets te doen dat hij anders niet zou doen.
Concluderend:
• A wint het besluit -> A heeft macht
• B verliest -> b heeft (in dit geval) geen macht.
• Macht is dus iets wat je observeert in de uitkomst van een conflict, niet iets dat onder
de oppervlakte kan spelen.
Kritiek: in de eendimensionale visie telt alleen wie wint in een openlijk conflict.
Toevoeging: sommige groepen of partijen komen helemaal niet aan tafel of hun problemen
worden niet besproken.
Gevolg hiervan is dat hun machteloosheid onzichtbaar wordt.
Twee dimensionale macht
Centrale punt: in de mate waarin een persoon of groep – bewust of onbewust
belemmeringen creëert of versterkt voor het openbaar maken van beleidsconflicten, heeft die
persoon of groep macht.
Kritiek: Het eendimensionale beeld is te beperkt.
Toevoeging: macht is ook het vermogen om te bepalen welke onderwerpen wel of niet op de
agenda komen.
• Dus naast besluitvorming ook aandacht voor niet besluitvorming (non decisions).
• Belangen kunnen ook tot uiting komen in grieven (openlijk of verborgen).
Beperking: nog steeds afhankelijk van waarneembare conflicten.
Drie dimensionale macht
Kritiek: ook het 2d beeld schiet te kort, omdat het conflict nog steeds centraal staat.
Toevoeging: macht kan ook werken zonder zichtbaar conflict -> door vorming van
overtuigingen, voorkeuren en verlangens.
Dit betekent dat mensen soms niet eens beseffen dat hun belangen worden geschaad,
omdat hun ideeën zijn gevormd door dominante waarden, instituties of ideologie.
Voorbeeld: mensen accepteren ongelijkheid als natuurlijk of onveranderlijk.
Sterkte: dit perspectief maakt verborgen, subtiele en structurele vormen van macht zichtbaar.
,Hoorcollege 1 (1 september)
Politiek-> polis-> stadsstaat
De gezaghebbende toedeling van waarden (easton (1965)
Who get’s what, when and how (lasswell 1936)
Wat is poltiek -> kernconcepten
1. Collectieve activiteit: groepen staan centraal
2. Verschillende gezichtspunten: het gaat om conflicten oplossen.
3. Gezaghebbend beleid, in uiterste geval, dwang.
Gezag: macht die als legitiem wordt ervaren.
Webbers 3 vormen van gezag:
1. Traditioneel gezag: respect voor traditie en gewoonte.
2. Charismatisch gezag: gaat om de persoonlijkheid van de machthebber.
3. Rationeel-legalistisch gezag: respect voor de regels.
De staat: 3 hoofd theorieën over het ontstaan van staten
• Politiek, economisch en cultureel:
• Politiek: oorlog, conflict en gebiedsuitbreiding
• Economisch: infrastructuur
• Cultureel: mensen voelen zich steeds meer als groep
5 kerneigenschappen van de staat:
• Legitiem bestuur
• Populatie
• Terretorium
• Soevereiniteit
• Geweldsmonopolie
Functies van de staat:
• Defensie -> bescherming
• Politie -> handhaven
• Belasting
• Organisatie
De natie en het nationalisme:
Taal -> overeenkomsten en verschillen
Soort community: je kan het niet zien maar mensen voelen het wel.
Ideologieën: een soort blauwdruk van hoe de samenleving er uit zou moeten zien.
, 3 onderdelen:
• Visie nu
• Visie straks
• Visie hoe van nu naar straks.
De klassieke 3:
Liberalisme:
• Individualismee, vrijheid, rationaliteit
• Klassiek liberalisme, sociaal liberalisme
Conservatisme:
• Traditie, pragmatisme, hiërarchie
• Christendemocratie, nieuw rechts
Socialisme:
• Gelijkheid, gemeenschap, sociale klasse
• Communisme (meest extreme vorm)
• Sociaal democratie
De 4 nieuwe varianten:
Ecologisme
• Ecologie, holisme, duurzaamheid
Kosmopolitisme:
• Wereldgemeenschap, mensenrechten, multiculturalisme
Nativisme:
• Natie vs gevaarlijke andere (migratie bijvoorbeeld)
Populisme:
• Volk vs elite -> volk wordt uitgebuit door de elite
Lukes:
Pluralisme: het bestaan van verschillende sociale en culturele subsystemen in een
samenleving, zoals de overheid, de rechtspraak, het bedrijfsleven, de vakbeweging, de pers
en de kerk met elk eigen belangen waarbij er sprake is van een zekermachtsevenwicht.
Een dimensionale macht
The concept of power: beschrijft Dahl zijn intuïtieve idee van macht als iets als dit: A heeft
macht over b in die zin dat hij b zover kan krijgen iets te doen dat hij anders niet zou doen.
Concluderend:
• A wint het besluit -> A heeft macht
• B verliest -> b heeft (in dit geval) geen macht.
• Macht is dus iets wat je observeert in de uitkomst van een conflict, niet iets dat onder
de oppervlakte kan spelen.
Kritiek: in de eendimensionale visie telt alleen wie wint in een openlijk conflict.
Toevoeging: sommige groepen of partijen komen helemaal niet aan tafel of hun problemen
worden niet besproken.
Gevolg hiervan is dat hun machteloosheid onzichtbaar wordt.
Twee dimensionale macht
Centrale punt: in de mate waarin een persoon of groep – bewust of onbewust
belemmeringen creëert of versterkt voor het openbaar maken van beleidsconflicten, heeft die
persoon of groep macht.
Kritiek: Het eendimensionale beeld is te beperkt.
Toevoeging: macht is ook het vermogen om te bepalen welke onderwerpen wel of niet op de
agenda komen.
• Dus naast besluitvorming ook aandacht voor niet besluitvorming (non decisions).
• Belangen kunnen ook tot uiting komen in grieven (openlijk of verborgen).
Beperking: nog steeds afhankelijk van waarneembare conflicten.
Drie dimensionale macht
Kritiek: ook het 2d beeld schiet te kort, omdat het conflict nog steeds centraal staat.
Toevoeging: macht kan ook werken zonder zichtbaar conflict -> door vorming van
overtuigingen, voorkeuren en verlangens.
Dit betekent dat mensen soms niet eens beseffen dat hun belangen worden geschaad,
omdat hun ideeën zijn gevormd door dominante waarden, instituties of ideologie.
Voorbeeld: mensen accepteren ongelijkheid als natuurlijk of onveranderlijk.
Sterkte: dit perspectief maakt verborgen, subtiele en structurele vormen van macht zichtbaar.
,Hoorcollege 1 (1 september)
Politiek-> polis-> stadsstaat
De gezaghebbende toedeling van waarden (easton (1965)
Who get’s what, when and how (lasswell 1936)
Wat is poltiek -> kernconcepten
1. Collectieve activiteit: groepen staan centraal
2. Verschillende gezichtspunten: het gaat om conflicten oplossen.
3. Gezaghebbend beleid, in uiterste geval, dwang.
Gezag: macht die als legitiem wordt ervaren.
Webbers 3 vormen van gezag:
1. Traditioneel gezag: respect voor traditie en gewoonte.
2. Charismatisch gezag: gaat om de persoonlijkheid van de machthebber.
3. Rationeel-legalistisch gezag: respect voor de regels.
De staat: 3 hoofd theorieën over het ontstaan van staten
• Politiek, economisch en cultureel:
• Politiek: oorlog, conflict en gebiedsuitbreiding
• Economisch: infrastructuur
• Cultureel: mensen voelen zich steeds meer als groep
5 kerneigenschappen van de staat:
• Legitiem bestuur
• Populatie
• Terretorium
• Soevereiniteit
• Geweldsmonopolie
Functies van de staat:
• Defensie -> bescherming
• Politie -> handhaven
• Belasting
• Organisatie
De natie en het nationalisme:
Taal -> overeenkomsten en verschillen
Soort community: je kan het niet zien maar mensen voelen het wel.
Ideologieën: een soort blauwdruk van hoe de samenleving er uit zou moeten zien.
, 3 onderdelen:
• Visie nu
• Visie straks
• Visie hoe van nu naar straks.
De klassieke 3:
Liberalisme:
• Individualismee, vrijheid, rationaliteit
• Klassiek liberalisme, sociaal liberalisme
Conservatisme:
• Traditie, pragmatisme, hiërarchie
• Christendemocratie, nieuw rechts
Socialisme:
• Gelijkheid, gemeenschap, sociale klasse
• Communisme (meest extreme vorm)
• Sociaal democratie
De 4 nieuwe varianten:
Ecologisme
• Ecologie, holisme, duurzaamheid
Kosmopolitisme:
• Wereldgemeenschap, mensenrechten, multiculturalisme
Nativisme:
• Natie vs gevaarlijke andere (migratie bijvoorbeeld)
Populisme:
• Volk vs elite -> volk wordt uitgebuit door de elite