College 3 (H15 en 21)
Rol en overheid begrensd kerk en staat. 5 modellen:
1. Totalitair (dogmatisch) secularisme (religie minder vrij): religie mag geen enkele rol
spelen. De overheid probeert alle vormen van religieuze invloed uit te bannen uit het
publieke en politieke leven. Het doel is om een samenleving te creëren waarin religie
en religieuze organisaties volledig gescheiden zijn van de staat, en vaak ook worden
onderdrukt. Voorbeeld: Noord-Korea, oude Sovjet-Unie
2. Klassiek seculier model: er bestaat een strikte scheiding tussen kerk en staat, maar
zonder actieve onderdrukking van religie. De staat behoudt een neutrale houding ten
opzichte van religie, wat betekent dat de zaak zich niet bemoeit met religieuze
praktijken en omgekeerd religieuze instellingen mochten zich niet mengen in politieke
zaken. Voorbeeld: Frankrijk
3. Pluralistische coöperatie: er is geen strikte scheiding maar ook geen dominante kerk.
Verschillende religies kunnen naast elkaar bestaan en werken samen binnen de
samenleving. De staat houdt een neutrale houding tegenover religies en gelijkheid
van religies wordt gegarandeerd. De overheid erkent dat religie van betekenis is voor
het maatschappelijke leven. Religie is niet slechts beperkt tot de privésfeer. (H15.1)
Voorbeeld: Nederland en Zwitserland
4. Gevestigde/ geprivilegieerd kerkmodel: er is een officiële, gevestigde religie die een
voorrang heeft boven andere religies. De staat is vaak verbonden met een bepaalde
religie en kan de religie actief ondersteunen. Andere religies kunnen ook actief zijn
maar hebben vaak minder invloed op het openbare leven en de staat. Voorbeeld:
Griekenland, of Scandinavië (Denemarken en Zweden) (H14.1.1)
5. Theocratie (religie minder vrij): valt buiten het toelaatbare pallet in de liberale
democratische Europese landen. In een theocratie is de staat zelf gebaseerd op
religieuze principes en de wereldlijke macht en religieuze macht zijn versmolten.
Godsdienst en staat vallen samen. De wereldlijke gezaghebbers zijn tegelijkertijd
godsdienstige gezaghebbers. Voorbeeld: Iran en Vaticaanstad
Ongeschreven rechtsbeginsel, mede voortvloeiend uit:
- Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (art. 6 Gw)
- Gelijkheidsbeginsel/ discriminatieverbod (art. 1 Gw)
Betekenis:
- Geen zeggenschap over elkaars organisatie op institutioneel en inhoudelijk terrein:
staat en kerk fungeren als zelfstandige lichamen (organisatieautonomie).
- Neutraliteit overheid: deze behandelt genootschappen gelijk (volgens EHRM: neutral
and impartial (onpartijdigheid) organiser of religions)
Neutraliteit (als onpartijdigheid). Dus: geen wederzijdse zeggenschap, maar contact niet
ontoelaatbaar. (H15.1)
- Exclusieve neutraliteit: niets laten zien en daardoor neutraal zijn. Je laat je nergens
over uit en negeert het als het ware. Er is een strikte scheiding tussen de publieke en
private sfeer.
, - Inclusieve neutraliteit: religie wordt erkend in de openbare ruimte (met andere
woorden: inclusief) en de overheid geeft iedere burger evenveel steun voor het
beleven van zijn godsdienst of levensovertuiging. Laat 1000 bloemen bloeien. Je kan
je ook uitlaten over verschillende zaken. Dit is Nederland (samen met pluralistische
coöperatie).
- Compenserende neutraliteit: betekent dat de overheid in bijzondere gevallen (extra)
steun geeft aan minderheden, die deze steun nodig hebben om hun religie te kunnen
beleven. Er is sprake van een zetje extra geven in groepen in de samenleving door die
op eigen benen te laten staan. Je haalt een achterstand in en compenseert een
bepaalde groep. De neutraliteit wordt tijdelijk onderbroken om de neutraliteit
uiteindelijk te herstellen.
Artikel 6 Grondwet:
1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in
gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid
volgens de wet (wet in formele zin). Geloofsuitoefening binnen gebouwen en
besloten plaatsen
In geval van lid 1 kan de formele wetgever de godsdienstvrijheid beperken. Om een
grondrecht als art. 6 Gw te beperken heb je een wet in formele zin nodig. Zo’n wet in formele
zin moet overigens wel een voldoende specifieke beperking van art. 6 Gw zijn, met andere
woorden: bedoeld zijn ter beperking van het grondrecht (H15.2.1.)
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten
plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het
verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Lid 2 voorziet niet in de mogelijkheid van beperkingen wegens belangen van ruimtelijke
ordening, of daarmee verband houdend, van geluidsoverlast of welstand, terwijl
beperkingen wegens ruimtelijke ordening toch vooral betrekking hebben op belangen buiten
gebouwen en besloten plaatsen (namelijk geen wet in formele zin zoals vereist in lid 1 en
voldoet niet aan doelcriteria lid 2). Toch aanvaardt de rechter dat geloofsgemeenschappen
gebonden zijn aan bestemmingsplannen, veiligheidseisen, vergunningsvoorschriften etc. De
rechter past dan niet de beperkingssystematiek toe, maar hij geeft een ‘redelijke uitleg’ aan
het grondrecht. Dat houdt in dat de rechter de reikwijdte van het grondrecht slechts beperkt
opvat. De redelijke uitleg kan niet de inhoud van godsdienst betreffen (H15.2.3. Jezus Redt).
- Er is een grondrecht in het geding, waardoor het college grote mate van
zorgvuldigheid in acht moet nemen (Evangeliegemeente De Deur)
- In abstracto: het feit dat sprake is van uitoefening van een grondrecht brengt niet
met zich dat de voorschriften van het bestemmingsplan hun betekenis zouden
verliezen. Het geven van voorschriften of het nemen van maatregelen mag niet zover
gaan dat de uitoefening van het grondrecht onmogelijk wordt gemaakt.
- In concreto: de toepassing van het voorschrift of de maatregel moet redelijk zijn. Er
moet ruimte zijn voor de uitoefening van de godsdienst. (H15.2.1.)
In art. 9 EVRM heb je deze redelijke uitleg niet nodig omdat voorschriften van ruimtelijke
ordening wel binnen de beperkingssystematiek van lid 2 kunnen vallen. Het woord ‘wet’ in