College 1 (H17)
De theologische opvattingen zijn vaak neergelegd in een geloofsbelijdenis die op haar beurt
weer verwijst naar de theologische grondslag van de geloofsgemeenschap. Expliciet geldt dat
het in strijd handelen, spreken en het besluiten van (de organen van) de
geloofsgemeenschap niet in strijd mogen zijn met die grondslag. Hoewel de grondslag, het
heilige boek(en) die in een geloofsgemeenschap als fundamenteel gelden, niet als juridische
teksten kunnen worden beschouwd, bepalen zij wel mede de normen en waarden en
daarmee het recht binnen de geloofsgemeenschap. (H17.1)
De burgerlijke rechter is bevoegd om geschillen te beoordelen wanneer deze van
privaatrechtelijke aard zijn. Het eigen recht van het kerkgenootschap wordt zoveel mogelijk
gerespecteerd. De rechter toetst marginaal. Hij zal de opvattingen binnen het
kerkgenootschap meewegen bij het vaststellen of het besluit in strijd is met de redelijkheid
en billijkheid. Bij dit oordeel weegt het belang van de rechtspersoon zwaarder dan die van
een enkeling. (H17.4.3)
Er is geen verplichting voor het kerkgenootschap om het interne recht in een notarieel
document vast te leggen. Bij kerkelijk statuut wordt niet zoals verenigingen en stichtingen
onderscheid gemaakt tussen statuten en regelementen. De vrijheid van godsdienst die
geloofsgemeenschappen genieten geeft hun echter niet de keuze om de wettelijke regels
voor de vereniging of stichting te negeren. Wanneer een besluit inhoudelijk in strijd is met de
statuten van een private rechtspersoon is het volgens art. 2:14 BW nietig. Bij strijd met
statutaire procedurevoorschriften en reglementen is er sprake van vernietigbaarheid (art.
2:15 BW). Ook bij toetsing van besluiten van organen van verenigingen en stichtingen zal de
rechter zich niet begeven op theologisch gebied. (H17.3)
Voor een kerkgenootschap en een vereniging is het kenmerkend dat de rechtspersoon aan
zijn leden verplichtingen op kan leggen. Wat betreft regels en verplichtingen staat het de
geloofsgemeenschap vrij om regels te stellen in verband met het bewaren van het geloof en
de gemeenschap noodzakelijk acht. De enige grens die wordt gesteld aan het handelen van
de geloofsgemeenschap ten opzichte van haar leden, is dat zij niet in strijd handelt met de
redelijkheid en billijkheid. Het opleggen van een verbintenis in kerkelijk verband dien te
berusten op een expliciete bepaling in het kerkelijk statuut. Als een vereniging een
afdwingbare materiele verplichting (verbintenis) aan hun leden wil opeggen dient dat op de
statuten te berusten (art. 2:34a BW). Een stichting heeft geen leden. Bij een stichting
betrokkenen kunnen slechts op grond van een contract met de stichting verplichtingen
tegenover de stichting krijgen. (H17.3.1) Boele van Broek: of een kerkelijke verplichting
een verbintenis is, hangt af van de intenties waarmee deze is gegeven. De band tussen het
kerkgenootschap en het lid kan alleen berusten op vrijwilligheid. Moge naar intern recht de
band op andere gronden berusten (doop), naar privaatrecht (vermogensrecht) moet dit
berusten op wederzijdse instemming. Is die er niet, dan kan het kerkgenootschap niet de
nakoming van de voor de leden geldende verplichting afdwingen.
, De vrijheid van godsdienst zoals deze in internationale verdragen (art. 9 EVRM) en de
grondwet (art. 6 Gw) is gegarandeerd, houdt tevens in dat een individueel lid zijn band met
de geloofsgemeenschap onvoorwaardelijk kan beëindigen. Zou het interne recht van de
geloofsgemeenschap dit niet toestaan, dan doorbreekt het wereldlijke recht hier het gezan=g
van die interne regels van de geloofsgemeenschap. (H17.3.3)
Drie invalshoeken recht en religie:
1. Relatie overheid en geloofsgemeenschappen. In hoeverre kan de overheid
bijvoorbeeld subsidies toekennen?
2. Extern perspectief: de overheid geeft ruimte aan geloofsgemeenschappen en stelt
grenzen. Het kerkgenootschap krijgt meer ruimte dan andere rechtspersonen om de
eigen organisatievorm te geven
3. Intern perspectief: gemeenschappen vullen ruimte eigen organisatie, eigen interne
(kerk)recht(sorde)
Wetsvoorstel informeel onderwijs. Inhoud:
- Informeel onderwijs: zondagscholen, Koranscholen etc. Expliciet niet wat ouders hun
kinderen leren in de huiskamer.
- Onder toezicht onderwijsinspectie
- Meldingen natuurlijke personen: het toezicht is signaalgestuurd, wat betekent dat de
inspectie alleen optreedt bij gegronde vermoedens van overtredingen die gebaseerd
zijn op meldingen.
- Aanwijzingsbevoegdheid (verbod): het voorgestelde wetsvoorstel 'Toezicht op
informeel onderwijs' beoogt toezicht te houden op informeel onderwijs dat aanzet
tot haat, geweld of discriminatie. Wanneer de Inspectie van het Onderwijs
constateert dat een instelling de wet overtreedt, kan de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW) een aanwijzing opleggen. Deze aanwijzing kan
specifieke maatregelen omvatten, zoals het verbieden van bepaald lesmateriaal of
het sluiten van de betreffende organisatie.
- Het doel van het wetsvoorstel is het tegengaan van haat en geweld
Twee vragen:
1. Om welke rechtsgoederen gaat het hier?
a. De rechtsstaat en grondrechten: vrijheid van godsdienst (art. 6 Gw), vrijheid van
vereniging (art. 8 Gw), vrijheid van onderwijs (art. 23 Gw).
b. Openbare orde en veiligheid
c. Bescherming minderjarigen
d. Onderwijskwaliteit en maatschappelijke participatie
2. Waarom vindt u het wetsvoorstel juridisch wel of niet toelaatbaar?
- Voor: tegengaan strafbare feiten, veiligheid samenleving en tegengaan indoctrinatie.
a. Bescherming van de openbare orde en nationale veiligheid: de staat heeft een
legitiem belang bij het voorkomen van onderwijs dat haat, geweld of discriminatie
verspreidt. Dit kan worden gezien als een rechtvaardiging om in te grijpen.
b. Evenwicht tussen vrijheid van godsdienst en andere grondrechten. Art. 23 Gw
garandeert onderwijsvrijheid maar deze is niet absoluut. Het wetsvoorstel richt
zich op excessen.