In dit document zijn mijn flashcards als vragen neergezet. Nadat alle
vragen van een hoofdstuk zijn geweest, volgen de antwoorden. De vragen
staan per hoofdstuk random door elkaar, dus niet op volgorde van het
begin van het hoofdstuk tot het einde. Ik heb deze flashcards gebruikt om
mij voor te bereiden op het examen en deze behaald met een 10!
,Hoofdstuk 1 Sociale hygiëne
Vragen
1. Wat wordt bedoeld met sociale hygiëne?
2. Wat houdt het doelgroepenbeleid in?
3. Definitie ethisch
4. Definitie leidinggevende
5. Welke eisen stelt de Alcoholwet aan leidinggevenden?
6. Wat is een voorlichting?
7. Wat is ethiek?
8. Wat zijn paracommerciële rechtspersonen?
9. Waaruit bestaat het sociaal-hygiënisch beleid onder andere?
10. Definitie referentiekader?
11. Wat zijn de regels voor paracommerciële rechtspersonen voor
het schenken van alcohol?
12. Welke verplichtingen zijn er vanuit de Arbowet voor goede
arbeidsomstandigheden?
13. Wie houdt toezicht op de naleving van de Arbowet?
14. Wat is gastvrijheid?
15. Welke bedrijfssoorten zijn er in de horeca?
16. Wat is immoreel gedrag?
17. Wat is moreel gedrag?
18. Wat gebruik je om de bedrijfsformule op te stellen?
19. Wat zijn voedselverstrekkende bedrijven?
20. Wat zijn logiesverstrekkende bedrijven?
21. Wat zijn drankverstrekkende bedrijven?
22. Stappenplan risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)
23. Een belangrijke Arbowet vereiste voor de RI&E
24. Definitie waarden
25. Definitie normen
26. Hoe worden drankverstrekkende bedrijven onderverdeeld
27. Wat is sociaal gedrag?
28. Waar richt de gastvrijheidsformule zich op?
29. Wat voor middel is sociale hygiëne?
30. Definitie instructie
31. Wie is het bestuursorgaan voor het beheren van het Register
Sociale hygiëne?
,Hoofdstuk 1 Sociale hygiëne
Antwoorden
1. Dat mensen rekening met elkaar houden en respect hebben voor
elkaars en lichamelijke en geestelijke gezondheid.
2. Welke doelgroep een bedrijf aantrekt en wil werven. Dit is de
combinatie van de bedrijfsformule en de gastvrijheidsformule.
3. Gezamenlijke waarden en fatsoensnormen geven aan wat iemand
wel en niet hoort te doen.
4. - De (gevolmachtigde) eigenaar van het bedrijf
- De persoon die de algemene leiding geeft aan de onderneming
- De persoon die de dagelijkse leiding geeft aan de werkvloer.
5. – Voldoende kennis en inzicht hebben sociale hygiëne
-Ingeschreven staan in het Register Sociale Hygiëne
-Minimaal 21 jaar oud
6. Geef je aan medewerkers om te informeren over werkzaamheden
en/of risico’s. Dit doe je door:
- Uitleg te geven of
- Medewerkers folders of lesmateriaal te laten lezen
7. De vraag naar wat moreel en wat immoreel gedrag is.
8. Dit zijn stichtingen en verenigingen die zich richten op recreatieve,
sportieve, educatieve en godsdienstige activiteiten. De verkoop van
alcohol is niet de hoofdzaak.
9. – Wetten en regels die gehandhaafd worden
- Maatregelen die je treft om ongewenst gedrag te voorkomen
- Hoe je reageert in onverwachte situaties
10. De lens waardoor jij de wereld bekijkt en het gedrag van jezelf
en anderen beoordeelt. Jouw referentiekader wordt gevormd door
jouw waarden en normen samen met jouw ervaringen, kennis en
overtuigingen.
11. Er moet altijd iemand aanwezig zijn met:
- Sociale hygiëne (leidinggevende) of
- Een vrijwilliger met IVA (Instructie Verantwoord Alcoholschenken)
12. De werkgever moet zorgen:
- dat medewerkers voorlichting krijgen
- dat medewerkers instructies krijgen
- voor een veilige en gezonde werkomgeving
- dat er toezicht wordt gehouden om veilige en gezonde
arbeidsomstandigheden te waarborgen
- dat er werkoverleg wordt gevoerd met medewerkers.
13. De inspectie Sociale zaken en werkgelegenheid (SZW)
14. Is het gevoel dat de gast krijgt bij de geboden service.
, 15. – Logiesverstrekkende bedrijven
- Drankverstrekkende bedrijven
- Voedselverstrekkende bedrijven
16. Iemand die zich niet aan fatsoensnormen en waardenhoudt.
17. Iemand die zich aan fatsoensnormen en waarden houdt.
18. De 6P’s (marketingmix):
- Prijs (bijvoorbeeld hoog/laag segment)
- Product (bijvoorbeeld eenvoudige/uitgebreide menukaart)
- Plaats (bijvoorbeeld omgeving, concurrentie)
- Promotie (bijvoorbeeld krant, sociale media)
- Personeel (bijvoorbeeld studenten of oudere medewerkers)
- Presentatie (bijvoorbeeld aankleding)
19. Verstrekken maaltijden, kleine gerechten en dranken.
Voorbeelden zijn restaurants, lunchrooms en snackbars.
20. Bieden overnachtingen aan met eventueel eten en drinken.
Voorbeelden zijn pensions en hotels.
21. Richten zich op dranken, eten is een bijzaak. Voorbeelden zijn
koffiebars, discotheken en cafés.
22. 1. Evalueer hoe groot de mogelijke risico’s zijn. Het grootste
risico zet je bovenaan
2. Maak een plan om het risico te voorkomen. Je bepaalt wie wat
doet en wanneer.
3. Stel vast of de RI&E voldoet aan de Arbowet
Dit is verplicht vanuit de Arbowet
23. De RI&E moet regelmatig worden aangepast op basis van:
- Ervaringen,
- Veranderingen in werkmethoden of -omstandigheden of
- Nieuwe inzichten uit wetenschap en professionele dienstverlening
24. Dingen die je waardevol vindt om na te leven, bijvoorbeeld
eerlijk zijn.
25. Richtlijnen voor je gedrag in sociale situaties. Bijvoorbeeld
opstaan voor ouderen zodat zij kunnen zitten of een deur voor
iemand openhouden.
26. – Alcoholgebruik ter plaatse, cafés, bars
- Alcohol voor thuisgebruik:
1. Slijterijketens
2. Zelfstandige slijters
3. Levensmiddelenhandelszaken (supermarkt, groothandel)
4. Speciaalzaken
27. Elkaar respecteren op basis van normen en waarden
28. Dit is de gastheerschap + gastgerichtheid en richt zich op:
– Product
- Gedrag