Beco: hoofdstuk 18
Paragraaf 1
Uitbreidingsinvesteringen = investeringen van een onderneming die
de voorraad vaste kapitaalgoederen uitbreidt. De productiecapaciteit = de
maximaal haalbare productieomvang die een onderneming in een
bepaalde periode kan realiseren met de beschikbare productiemiddelen.
Deze neemt toe.
Vaste kapitaalgoederen hebben last van technische (minder waarde door
gebruik) en economische (minder waarde door andere technische
veranderingen) veroudering. Het vervangen van versleten of verouderde
machines door andere machines = vervangingsinvesteringen. De
productiecapaciteit blijft hetzelfde.
Niet genoeg vermogen om alle investeringen te doen, dan investeert
onderneming in project dat naar verwachting het meest winstgevend is.
Risicoreductie = een onderneming probeert onzekerheden zo klein
mogelijk te maken. Onzekerheden bij investering in een nieuwe machine
voor een nieuw product of nieuwe productiemethode:
Hoe hoog aanvullende uitgaven zijn: noodzakelijke onderzoeks- en
ontwikkelingskosten van nieuwe product/productiemethode en ook
uitgaven voor grondstofkosten en loonkosten.
Hoe hoog ontvangsten door verkoop.
Verschil tussen geldstroom die onderneming door investering ontvangt en
geldstroom die zij uitgeeft = cashflow (kasstroom). De cashflow van een
investeringsproject bestaat uit alle ontvangsten en uitgaven die
voortkomen uit dat project.
Cashflow aan begin van de looptijd
Door inkoop van vaste en vlottende activa is er een negatieve cashflow
ter grootte van de nodige investeringen. Formule:
(negatieve) cashflow begin looptijd = investeringen (in vaste en vlottende
activa)
Cashflow tijdens de looptijd
Ontvangsten (cashflows en desinvestering) - uitgaven (investering)
Nettoresultaat (resultaat na belastingen) + afschrijvingskosten
Cashflow aan eind van de looptijd
Paragraaf 1
Uitbreidingsinvesteringen = investeringen van een onderneming die
de voorraad vaste kapitaalgoederen uitbreidt. De productiecapaciteit = de
maximaal haalbare productieomvang die een onderneming in een
bepaalde periode kan realiseren met de beschikbare productiemiddelen.
Deze neemt toe.
Vaste kapitaalgoederen hebben last van technische (minder waarde door
gebruik) en economische (minder waarde door andere technische
veranderingen) veroudering. Het vervangen van versleten of verouderde
machines door andere machines = vervangingsinvesteringen. De
productiecapaciteit blijft hetzelfde.
Niet genoeg vermogen om alle investeringen te doen, dan investeert
onderneming in project dat naar verwachting het meest winstgevend is.
Risicoreductie = een onderneming probeert onzekerheden zo klein
mogelijk te maken. Onzekerheden bij investering in een nieuwe machine
voor een nieuw product of nieuwe productiemethode:
Hoe hoog aanvullende uitgaven zijn: noodzakelijke onderzoeks- en
ontwikkelingskosten van nieuwe product/productiemethode en ook
uitgaven voor grondstofkosten en loonkosten.
Hoe hoog ontvangsten door verkoop.
Verschil tussen geldstroom die onderneming door investering ontvangt en
geldstroom die zij uitgeeft = cashflow (kasstroom). De cashflow van een
investeringsproject bestaat uit alle ontvangsten en uitgaven die
voortkomen uit dat project.
Cashflow aan begin van de looptijd
Door inkoop van vaste en vlottende activa is er een negatieve cashflow
ter grootte van de nodige investeringen. Formule:
(negatieve) cashflow begin looptijd = investeringen (in vaste en vlottende
activa)
Cashflow tijdens de looptijd
Ontvangsten (cashflows en desinvestering) - uitgaven (investering)
Nettoresultaat (resultaat na belastingen) + afschrijvingskosten
Cashflow aan eind van de looptijd