2026
1. Becommentarieer de volgende stelling: De “duurzaamheid” (sustainability) van
onze welvaart hangt af van de mate waarin ons huidige niveau van welvaart
verenigbaar is met het doorgeven van zodanig grote kapitaalvoorraden aan
volgende generaties, dat ook zij eenzelfde welvaartsniveau kunnen genieten.
De duurzaamheid van welvaart heeft betrekking op de vraag in hoeverre het huidige niveau
van welvaart te verenigen is met het behoud van voldoende kapitaal voor toekomstige
generaties, zodat ook zij een vergelijkbare mate van welvaart kunnen realiseren. Het geeft
inzicht in de mate waarin onze huidige welvaart steunt op, en mogelijk ten koste gaat van,
beschikbare hulpbronnen.
Welvaart komt tot stand door verschillende typen kapitaal. Hieronder vallen natuurlijk
kapitaal, zoals ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, fysiek kapitaal in de vorm van
gebouwen en machines, menselijk kapitaal bestaande uit kennis en gezondheid, en sociaal
kapitaal, waaronder instituties en wederzijds vertrouwen. Van duurzame welvaart is sprake
wanneer deze kapitaalvoorraden niet blijvend worden aangetast, maar behouden blijven of
zelfs worden uitgebreid.
Vooral het in stand houden van natuurlijk kapitaal is van groot belang. Als de huidige
generatie natuurlijke systemen en grondstoffen uitput om de welvaart op korte termijn te
vergroten, leidt dit voor toekomstige generaties tot tekorten en milieuproblemen. Dit
onderstreept dat duurzame welvaart vraagt om een verschuiving van korte- naar
langetermijngericht beleid, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van keuzes
voor komende generaties.
Naast natuurlijk kapitaal spelen ook menselijk en sociaal kapitaal een belangrijke rol.
Investeringen in bijvoorbeeld onderwijs, volksgezondheid en sterke instituties leveren niet
altijd onmiddellijke voordelen op, maar vormen wel de basis voor welvaart en welzijn op de
lange termijn. Het behoud en de ontwikkeling van deze kapitaalvormen vereisen daarom
weloverwogen beslissingen, waarbij huidige belangen worden afgewogen tegen toekomstige
mogelijkheden.
Samenvattend is duurzame welvaart nauw verbonden met het zorgvuldig doorgeven van
kapitaal aan volgende generaties. Alleen door bewuste keuzes te maken en een balans te
zoeken tussen het vervullen van huidige behoeften en het veiligstellen van toekomstige
perspectieven, kan welvaart worden gerealiseerd die ook op de lange termijn standhoudt.
, 2. Becommentarieer de volgende stelling: De GPI (Genuine Progress Indicator) is op
een aantal belangrijke punten een betere welvaartsindicator dan het BBP (Bruto
Binnenlandsproduct, of GDP, Gross Domestic Product).
Zowel het BBP als de GPI zijn manieren om welvaart te meten. Ik dit essay zal ik betogen
waarom de GPI een betere welvaartsindicator is dan het BBP.
Het BBP is het totaal van het in het transformatieproces toegevoegde waarde. Het BBP meet
dus de totale economische activiteit in een land maar wordt vaak gebruikt als indicator voor
welvaart. Het BBP kent een aantal tekortkomingen die invloed hebben op de geschiktheid als
welvaartsmaat:
- BBP is zuiver individualistisch
Externaliteiten worden niet meegewogen: het gaat enkel over wat individuen bereid
zijn te betalen voor een goed: de negatieve externaliteiten van productie of
consumptie worden niet in prijs meegenomen (= onbeprijste schaarste).
- Goederen zonder marktprijs worden niet meegeteld:
De waarde van producten waarvoor geen markten bestaan (bijvoorbeeld
mantelzorger of overheidsdiensten) moet geschat worden (= imputaties). Dit is een
probleem want: groot deel welvaart komt dus tot stand o.b.v. schattingen.
Probleem interpersoonlijke nutsvergelijking:
- Consumentensurplus wordt niet meegeteld:
Ik ontleen meer welvaart uit consumptie dan uit mijn betalingen blijkt, maar dat
komt niet terug in het BBP omdat er vaste prijzen zijn.
- Grensnut van geld wordt veronachtzaamd
Geld is niet voor iedereen evenveel waard (denk aan rijk vs arm, de rijke persoon
ontleent niet meer welvaart dan de arme persoon, maar dit lijkt wel zo in het BBP
doordat de rijke meer kan kopen)
- Waarde van vrije tijd niet meegerekend
Het omtoveren van een land tot werkkamp zou volgens het BBP de welvaart laten
Stijgen. In werkelijkheid is dat natuurlijk slecht voor het welzijn van mensen.
- Welke goederen nemen voor berekening?
Nieuwe producten die vroeger nog niet bestonden en quality change maken
vergelijkingen in de tijd lastig (denk bijvoorbeeld aan het vergelijken van computers
nu vs jaren geleden).
- Welke prijzen nemen voor berekening?
Welke getallen je als uitgangspunt neemt, heeft een grote invloed op de uitkomsten.
Dat noemen we het indexcijferprobleem.
- Zegt niks over verdeling
Verdeling is juist belangrijk voor daadwerkelijke welvaart van individuen.
- Zegt niks over sustainability (houdbaarheid) van welvaart
Het effect van het huidige welvaartsniveau op het al dan niet door kunnen geven van
hulpbronnen wordt niet meegewogen.
, - Defensive expenditures tellen mee.
Een natuurramp zorgt voor meer welvaart volgens het BBP, maar eigenlijk is dat een
activiteit gericht op het handhaven van welvaart, die juist in gevaar gebracht is door
de manier waarop wij onze welvaart produceren (= defensive expenditure) ander
voorbeeld: Mensen verhuizen naar een groter huis, maar willen welvaartsniveau
onderhouden. Meer stoken levert niet daadwerkelijk meer welvaart op maar BBP
meet deze uitgaven als welvaartswinst.
De GPI houdt op de volgende manieren rekening met de tekortkomingen van het BBP:
- Inclusieve welzijnsmaatstaf:
De GPI telt positieve factoren mee die het bbp negeert: huishoudelijk werk,
vrijwilligerswerk (sociaal kapitaal), vrije tijd.
- Correctie voor negatieve effecten:
Het trekt kosten af voor zaken als milieuvervuiling, criminaliteit, ziekte en de
uitputting van natuurlijke hulpbronnen, die het BBP juist zouden verhogen.
- Ongelijkheid meegenomen:
De GPI houdt rekening met de inkomensverdeling; een groeiend BBP met
toenemende ongelijkheid kan resulteren in een stagnerende of dalende GPI.
- Sustainability:
Het weerspiegelt of economische groei op lange termijn houdbaar is, door de impact
op het milieu mee te wegen.
Conclusie:
Omdat de GPI toeneemt als een gemeenschap meer vrije tijd, grotere gelijkheid en een
schonere, gezondere omgeving heeft, weerspiegelt deze de veranderingen in de
levenskwaliteit en het welzijn van een gemeenschap nauwkeuriger dan het BBP alleen. Dit
maakt de GPI een betere welvaartsindicator dan het BBP.
, 3. Becommentarieer de volgende stelling: Processen van statuscompetitie vertekenen
de metingen van economische welvaart omdat ze aanleiding geven tot “defensive
expenditures”.
Statuscompetitie verwijst naar het sociale proces waarbij individuen en groepen streven
naar een bepaalde positie of rangorde binnen een sociale hiërarchie. Sociale status is
gekoppeld aan prestige en waardering en wordt vaak zichtbaar gemaakt via consumptie,
zoals luxe goederen, grotere woningen of exclusieve ervaringen. In een context van
statuscompetitie stemmen mensen hun gedrag af op anderen, waardoor consumptie vooral
een relatief doel dient: het behouden of verbeteren van de eigen positie.
Deze competitie leidt tot defensive expenditures: uitgaven die niet primair bedoeld zijn om
het welzijn te verhogen, maar om een bestaand welvaarts- of statusniveau te handhaven in
reactie op het gedrag van anderen. Een voorbeeld is dat gezinnen verhuizen naar grotere
huizen omdat de gemiddelde woonstandaard stijgt. Zij moeten meer stoken om hetzelfde
comfort te ervaren. Hoewel deze uitgaven het BBP verhogen, is de daadwerkelijke welvaart
niet toegenomen en nemen negatieve externaliteiten (zoals energieverbruik) toe.
Hierdoor vertekenen processen van statuscompetitie de metingen van economische
welvaart. Traditionele indicatoren zoals het BBP registreren hogere productie en consumptie
als welvaartswinst, maar maken geen onderscheid tussen uitgaven die het welzijn vergroten
en uitgaven die voortkomen uit sociale druk. Op macroniveau leidt dit tot een collectief
inefficiënt resultaat: individueel rationele statusbeschermende keuzes resulteren in hogere
uitgaven zonder overeenkomstige toename in welzijn. Daarom is het relevant om bij
welvaartsevaluaties rekening te houden met de sociale motieven achter consumptie, om zo
een realistischer en holistischer beeld van welvaart te krijgen.