Week 1A
Decentralisatieparadox: de gemeente is de eerste overheid, dus taken worden daar belegt.
Maar door de toename van taken vergroot de afstand tot de burger (professionalisering en
schaalvergroting).
Feitelijke situaties:
- Veel gemeenten fuseren waardoor het aantal gemeenten in absolute zin afneemt.
- Door de fusies neemt het aantal inwoners per gemeente sterk toe.
- Grote verschillen tussen gemeenten (stedelijk, landelijk, eiland)
- Gemeenteraadslid is een deeltijdfuncties, maar het aantal raadsleden met burn-outs
neemt toe.
Grondwettelijke regelingen over gemeenten:
De grondwet regelt..:
a. het bestaansrecht van gemeenten
b. het bestaan van decentralisatie
i. Het hebben van een eigen open huishouding (autonomie) [124 lid 1 Gw]
ii. De mogelijkheid van het rijk om medewerking te vorderen (medebewind)
[124 lid 2 Gw]
c. dat er rechtstreekse verkiezingen zijn voor de gemeenteraad/provinciale staten
d. het hoofdschap van de gemeenteraad/provinciale staten [125 Gw]
e. de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad/provinciale staten [127 Gw]
f. dat inrichting, samenstelling en bevoegdheden bij (organieke) wet worden
geregeld (wet in formele zin) [132 lid 1 Gw]
i. Gemeentewet
ii. Provinciewet
g. de interbestuurlijke verhoudingen
i. interbestuurlijk = tussen bestuurslagen (provincie v.s. gemeente)
ii. intrabestuurlijk = tussen organen binnen 1 bestuurslaag (raad v.s. college)
Ook bestaat er het EHLA (Europees Handvest inzake de Lokale Autonomie).
- Bepalingen van het EHLA zijn niet een ieder verbindend (dus niet inroepbaar in
gerechtelijke geschillen)
- Overheid is wel gebonden aan het EHLA (afdwingen via parlement)
, Week 1B
Er zijn twee verschijningsvormen van decentralisatie, namelijk:
a. Autonomie
i. Regeling en bestuur zijn overgelaten aan de gemeente/provincie in het geval
van de eigen huishouding.
Autonomie is het naar eigen inzicht regelen van eigen aangelegenheden (gemeentelijke
belangen). Alles wat in de Gemeentewet wordt bepaald is autonomie (art. 108 lid 2 Gemw).
De gemeenteraad wijst autonome bevoegdheden toe aan eigen organen (art. 128 Gemw).
b. Medebewind
i. Regeling en bestuur kunnen tot medewerking worden gevorderd.
Medebewind is het inschakelen van decentrale overheidsorganen bij de uitvoering van
Rijkstaken en Rijksbeleid (opdracht van Rijk). Dit moet middels een wet in formele zin.
Medebewind kan ook facultatief zijn, dit betekent dat decentrale overheden de keuze
hebben om mee te werken.
Hoofdrolspelers decentrale overheid
1. De gemeenteraad en de provinciale staten
a. Hebben actief en passief kiesrecht
b. Stemmen met vrij mandaat (stemgedrag mag niet worden voorgeschreven)
c. Kennen parlementaire onschendbaarheid tijdens vergaderingen
d. Vergaderen in het openbaar
e. Lidmaatschap is een deeltijdsfunctie
f. Mogen niet tevens wethouder/gedeputeerde of burgemeester/commissaris
van de koning zijn.
2. Het college van B&W en de gedeputeerde staten
a. Betreft een samengesteld ambt (wethouder + burgemeester / gedeputeerde
+ commissaris van de koning)
b. Vergaderen achter gesloten deuren
c. Hebben het collegialiteitsbeginsel; het ambt is het bevoegde orgaan, niet de
personen afzonderlijk
d. Vertrouwensregel (art. 49/50 Gemw)
3. De burgemeester en de commissaris van de Koning
a. Bezit 3 petten:
i. Voorzitter van de gemeenteraad / provinciale staten
ii. Onderdeel van het college van B&W / gedeputeerde staten
iii. Burgemeesterschap (openbare orde) / Rijksambtenaar (Rijkstaken)
1. Bijzonderheid Rijksambtenaarschap CvdK: geen
verantwoordingsrelatie jegens PS (art. 182 Provw).
b. Benoemt bij Koninklijk Besluit voor zes jaar
c. Geen vertrouwensregel, wel ‘verstoorde verhoudingen’
Decentralisatieparadox: de gemeente is de eerste overheid, dus taken worden daar belegt.
Maar door de toename van taken vergroot de afstand tot de burger (professionalisering en
schaalvergroting).
Feitelijke situaties:
- Veel gemeenten fuseren waardoor het aantal gemeenten in absolute zin afneemt.
- Door de fusies neemt het aantal inwoners per gemeente sterk toe.
- Grote verschillen tussen gemeenten (stedelijk, landelijk, eiland)
- Gemeenteraadslid is een deeltijdfuncties, maar het aantal raadsleden met burn-outs
neemt toe.
Grondwettelijke regelingen over gemeenten:
De grondwet regelt..:
a. het bestaansrecht van gemeenten
b. het bestaan van decentralisatie
i. Het hebben van een eigen open huishouding (autonomie) [124 lid 1 Gw]
ii. De mogelijkheid van het rijk om medewerking te vorderen (medebewind)
[124 lid 2 Gw]
c. dat er rechtstreekse verkiezingen zijn voor de gemeenteraad/provinciale staten
d. het hoofdschap van de gemeenteraad/provinciale staten [125 Gw]
e. de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad/provinciale staten [127 Gw]
f. dat inrichting, samenstelling en bevoegdheden bij (organieke) wet worden
geregeld (wet in formele zin) [132 lid 1 Gw]
i. Gemeentewet
ii. Provinciewet
g. de interbestuurlijke verhoudingen
i. interbestuurlijk = tussen bestuurslagen (provincie v.s. gemeente)
ii. intrabestuurlijk = tussen organen binnen 1 bestuurslaag (raad v.s. college)
Ook bestaat er het EHLA (Europees Handvest inzake de Lokale Autonomie).
- Bepalingen van het EHLA zijn niet een ieder verbindend (dus niet inroepbaar in
gerechtelijke geschillen)
- Overheid is wel gebonden aan het EHLA (afdwingen via parlement)
, Week 1B
Er zijn twee verschijningsvormen van decentralisatie, namelijk:
a. Autonomie
i. Regeling en bestuur zijn overgelaten aan de gemeente/provincie in het geval
van de eigen huishouding.
Autonomie is het naar eigen inzicht regelen van eigen aangelegenheden (gemeentelijke
belangen). Alles wat in de Gemeentewet wordt bepaald is autonomie (art. 108 lid 2 Gemw).
De gemeenteraad wijst autonome bevoegdheden toe aan eigen organen (art. 128 Gemw).
b. Medebewind
i. Regeling en bestuur kunnen tot medewerking worden gevorderd.
Medebewind is het inschakelen van decentrale overheidsorganen bij de uitvoering van
Rijkstaken en Rijksbeleid (opdracht van Rijk). Dit moet middels een wet in formele zin.
Medebewind kan ook facultatief zijn, dit betekent dat decentrale overheden de keuze
hebben om mee te werken.
Hoofdrolspelers decentrale overheid
1. De gemeenteraad en de provinciale staten
a. Hebben actief en passief kiesrecht
b. Stemmen met vrij mandaat (stemgedrag mag niet worden voorgeschreven)
c. Kennen parlementaire onschendbaarheid tijdens vergaderingen
d. Vergaderen in het openbaar
e. Lidmaatschap is een deeltijdsfunctie
f. Mogen niet tevens wethouder/gedeputeerde of burgemeester/commissaris
van de koning zijn.
2. Het college van B&W en de gedeputeerde staten
a. Betreft een samengesteld ambt (wethouder + burgemeester / gedeputeerde
+ commissaris van de koning)
b. Vergaderen achter gesloten deuren
c. Hebben het collegialiteitsbeginsel; het ambt is het bevoegde orgaan, niet de
personen afzonderlijk
d. Vertrouwensregel (art. 49/50 Gemw)
3. De burgemeester en de commissaris van de Koning
a. Bezit 3 petten:
i. Voorzitter van de gemeenteraad / provinciale staten
ii. Onderdeel van het college van B&W / gedeputeerde staten
iii. Burgemeesterschap (openbare orde) / Rijksambtenaar (Rijkstaken)
1. Bijzonderheid Rijksambtenaarschap CvdK: geen
verantwoordingsrelatie jegens PS (art. 182 Provw).
b. Benoemt bij Koninklijk Besluit voor zes jaar
c. Geen vertrouwensregel, wel ‘verstoorde verhoudingen’