FINANCE 2
Leerjaar 2
Commerciële economie
Periode 2
,Inhoudsopgave
1. Vier principes van accountancy...................................................................2
1.1 Toerekeningsprincipe (accrual).................................................................................2
1.2 Voorzichtigheidsbeginsel.......................................................................................... 2
1.3 Realisatieprincipe..................................................................................................... 2
1.4 Matchingprincipe...................................................................................................... 3
2. Onderscheid tussen kosten en uitgaven......................................................4
3. Onderscheid tussen opbrengsten en inkomsten/ontvangsten.......................4
4. Integrale kostprijs en break-even afzet berekenen.......................................5
4.1 Basisbegrippen......................................................................................................... 5
4.2 Integrale kostprijs..................................................................................................... 5
4.3 Winstmarge (uit jullie Finance 1/prijsstuk)................................................................5
4.4 Dekkingsbijdrage en break-even afzet......................................................................6
4.5 Btw omrekenen (komt vaak terug)...........................................................................6
5. Investeringsbegroting opstellen..................................................................7
6. Financieringsbegroting opstellen................................................................7
7. Liquiditeitsbegroting versus exploitatiebegroting toepassen........................8
8. Start- en eindbalans opstellen....................................................................9
Debiteuren- en crediteurenpost berekenen (klassieke tentamenvraag).........................9
9. Winst berekenen......................................................................................11
10. Financiële feiten verwerken in de boekhouding (kosten, inkopen, verkopen,
memoriaal).................................................................................................. 11
11. Input- en output KPI’s toepassen.............................................................13
Oefentoetsen............................................................................................... 13
Oefentoets 1:................................................................................................................ 13
Antwoorden toets 1:..................................................................................................... 16
Oefentoets 2:................................................................................................................ 18
Antwoorden oefentoets:................................................................................................20
Oefentoets 3:................................................................................................................ 22
Antwoorden toets 3:..................................................................................................... 23
1
, 1. Vier principes van accountancy
1.1 Toerekeningsprincipe (accrual)
Het toerekeningsprincipe betekent dat je kosten en opbrengsten toewijst
aan de periode waar ze bij horen. Het gaat dus niet om het betaalmoment,
maar om het moment waarop de prestatie geleverd wordt of waarop iets
verbruikt wordt. Dit is de kern waarom winst en geld vaak niet gelijk lopen.
Als je op rekening verkoopt en pas later geld ontvangt, hoort de opbrengst
bij het moment van verkoop en levering, niet bij het moment van betaling.
Als je een jaarverzekering in januari betaalt, horen de kosten niet volledig
in januari, maar verspreid over het jaar (want je “gebruikt” de verzekering
elke maand een stukje).
Bij open vragen scoor je punten als je dit heel letterlijk benoemt: “Deze
post hoort bij periode X, daarom is het een kost/opbrengst in periode X. De
betaling/ontvangst is in periode Y en is dus een uitgave/ontvangst in
periode Y.”
1.2 Voorzichtigheidsbeginsel
Het voorzichtigheidsbeginsel betekent: niet te vroeg winst nemen, maar
verlies op tijd meenemen. Winsten boek je pas als het voldoende zeker is
dat je ze echt hebt verdiend. Verliezen neem je zodra ze waarschijnlijk of
zichtbaar worden, ook als later blijkt dat het misschien meevalt.
Typische toepassing in vragen: een klant die waarschijnlijk niet meer
betaalt (failliet) betekent dat de post debiteuren feitelijk minder waard is.
Je neemt dat verlies dus eerder, niet pas als je definitief zeker bent dat er
helemaal niets meer komt.
1.3 Realisatieprincipe
Het realisatieprincipe gaat over het moment waarop je opbrengst mag
boeken. De hoofdregel is: opbrengst ontstaat wanneer je de prestatie hebt
geleverd. Bij goederen is dat doorgaans “verkocht én geleverd”. Bij
diensten: “dienst uitgevoerd”. Het moment van betaling is niet leidend.
Dit komt vaak terug bij aanbetalingen en vooruitbetalingen. Vooruit
ontvangen geld is meestal nog geen opbrengst, omdat je nog moet
leveren. Pas bij levering “realiseer” je de opbrengst.
2
Leerjaar 2
Commerciële economie
Periode 2
,Inhoudsopgave
1. Vier principes van accountancy...................................................................2
1.1 Toerekeningsprincipe (accrual).................................................................................2
1.2 Voorzichtigheidsbeginsel.......................................................................................... 2
1.3 Realisatieprincipe..................................................................................................... 2
1.4 Matchingprincipe...................................................................................................... 3
2. Onderscheid tussen kosten en uitgaven......................................................4
3. Onderscheid tussen opbrengsten en inkomsten/ontvangsten.......................4
4. Integrale kostprijs en break-even afzet berekenen.......................................5
4.1 Basisbegrippen......................................................................................................... 5
4.2 Integrale kostprijs..................................................................................................... 5
4.3 Winstmarge (uit jullie Finance 1/prijsstuk)................................................................5
4.4 Dekkingsbijdrage en break-even afzet......................................................................6
4.5 Btw omrekenen (komt vaak terug)...........................................................................6
5. Investeringsbegroting opstellen..................................................................7
6. Financieringsbegroting opstellen................................................................7
7. Liquiditeitsbegroting versus exploitatiebegroting toepassen........................8
8. Start- en eindbalans opstellen....................................................................9
Debiteuren- en crediteurenpost berekenen (klassieke tentamenvraag).........................9
9. Winst berekenen......................................................................................11
10. Financiële feiten verwerken in de boekhouding (kosten, inkopen, verkopen,
memoriaal).................................................................................................. 11
11. Input- en output KPI’s toepassen.............................................................13
Oefentoetsen............................................................................................... 13
Oefentoets 1:................................................................................................................ 13
Antwoorden toets 1:..................................................................................................... 16
Oefentoets 2:................................................................................................................ 18
Antwoorden oefentoets:................................................................................................20
Oefentoets 3:................................................................................................................ 22
Antwoorden toets 3:..................................................................................................... 23
1
, 1. Vier principes van accountancy
1.1 Toerekeningsprincipe (accrual)
Het toerekeningsprincipe betekent dat je kosten en opbrengsten toewijst
aan de periode waar ze bij horen. Het gaat dus niet om het betaalmoment,
maar om het moment waarop de prestatie geleverd wordt of waarop iets
verbruikt wordt. Dit is de kern waarom winst en geld vaak niet gelijk lopen.
Als je op rekening verkoopt en pas later geld ontvangt, hoort de opbrengst
bij het moment van verkoop en levering, niet bij het moment van betaling.
Als je een jaarverzekering in januari betaalt, horen de kosten niet volledig
in januari, maar verspreid over het jaar (want je “gebruikt” de verzekering
elke maand een stukje).
Bij open vragen scoor je punten als je dit heel letterlijk benoemt: “Deze
post hoort bij periode X, daarom is het een kost/opbrengst in periode X. De
betaling/ontvangst is in periode Y en is dus een uitgave/ontvangst in
periode Y.”
1.2 Voorzichtigheidsbeginsel
Het voorzichtigheidsbeginsel betekent: niet te vroeg winst nemen, maar
verlies op tijd meenemen. Winsten boek je pas als het voldoende zeker is
dat je ze echt hebt verdiend. Verliezen neem je zodra ze waarschijnlijk of
zichtbaar worden, ook als later blijkt dat het misschien meevalt.
Typische toepassing in vragen: een klant die waarschijnlijk niet meer
betaalt (failliet) betekent dat de post debiteuren feitelijk minder waard is.
Je neemt dat verlies dus eerder, niet pas als je definitief zeker bent dat er
helemaal niets meer komt.
1.3 Realisatieprincipe
Het realisatieprincipe gaat over het moment waarop je opbrengst mag
boeken. De hoofdregel is: opbrengst ontstaat wanneer je de prestatie hebt
geleverd. Bij goederen is dat doorgaans “verkocht én geleverd”. Bij
diensten: “dienst uitgevoerd”. Het moment van betaling is niet leidend.
Dit komt vaak terug bij aanbetalingen en vooruitbetalingen. Vooruit
ontvangen geld is meestal nog geen opbrengst, omdat je nog moet
leveren. Pas bij levering “realiseer” je de opbrengst.
2