Begrippenlijst
H1. De eigen aard van de samenleving
Paradigma: fundamenteel denkkader dat bepaalt hoe je naar de samenleving kijkt/begrijpt.
Samenlevingsspel: idee dat samenleven verloopt volgens gedeelde regels en rollen.
Sociologische verbeelding: vermogen om persoonlijke ervaringen te verbinden met maatschappelijke
structuren.
Contingent: niet noodzakelijk, het had anders kunnen zijn.
Arbitrair: willekeurig of gebaseerd op afspraken zonder natuurlijke noodzaak.
Latente deprivatiemodel: stelt dat werkeloosheid schaadt doordat de verborgen functies van werk wegvallen:
structureren van tijd, belangrijke bron van sociale contacten en sociale ervaringen, verbinder met groter geheel
en doeleinden die verder reiken dan persoonlijke doelen, status en identiteit, en dwingen tot activiteit en
zelfontplooiing.
Artefactverklaring: gevonden verband dat ontstaat door meet- of onderzoeksfouten
Patronen: terugkerende, voorspelbare structuren of gedragingen in de samenleving.
H2. Tegengestelde krachten
Perverse effecten: onbedoelde, vaak tegengestelde gevolgen van handelen of beleid.
Centrifugaal: uit elkaar drijvend; krachten die groepen uiteen doen gaan.
Centripetaal: samenbindend; krachten die groepen naar elkaar toe trekken.
Vervreemding: gevoel van los te staan van jezelf, anderen of de samenleving.
Collectief conformisme: groepsdruk die leidt tot aanpassing van gedeelde normen.
Actor-factor dilemma: spanning tussen individuele keuzes en structurele invloeden.
Mogelijkheden: handelingsopties die iemand daadwerkelijk heeft.
Mattheus effect: voordelen stapelen zich bij wie al voordelen heeft.
Beperkingen: grenzen die bepalen wat iemand niet kan doen.
• Impliciete handelingsmarges: niet-uitgesproken ruimte waarin handelen mogelijk is; ongeschreven regels
of verwachtingen die bepalen wat hoor of kan in een situatie.
• Institutionele beperkingen: grenzen opgelegd door regels, wetten, normen en structuren.
• Situationele beperkingen: grenzen opgelegd door huidige omgeving.
• Dispositionele beperkingen: grenzen door persoonlijke eigenschappen, gewoonte of attitude.
• Routines: vaste, herhaalde patronen van handelen.
Solidariteit: gevoel van verbondenheid en bereidheid elkaar te steunen.
• Warme solidariteit: solidariteit gebaseerd op nabijheid en persoonlijke banden.
• Koude solidariteit: solidariteit gebaseerd op regels, rechten en systemen.
• Mechanische solidariteit: samenhang gebaseerd op gelijkenis; mensen delen dezelfde religie, normen,
waarden en levenswijze; gemeenschap centraal; traditionele en premoderne samenleving.
• Organische solidariteit: samenhang gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid; iedereen heeft specifieke
functie; moderne of industriële samenleving.
, Paradox van de individualisering: meer individuele vrijheid leidt tot nieuwe vormen van onafhankelijkheid.
Strijd (conflict): botsing tussen tegengestelde belangen of waarden.
• Manifeste conflicten: openlijke, zichtbare conflicten.
• Latente conflicten: verborgen, (nog) niet uitgesproken conflicten.
• Waardeconflicten: botsing over overtuiging of normen.
• Belangenconflicten: botsing over materiële of strategische voordelen.
Paradox van het conflict: conflict is functioneel, maar wordt vaak vermeden; conflicten verdelen en creëren
tegelijk samenhang.
Ongelijkheid: ongelijke verdeling van middelen, kansen of macht.
• Gelijkheid: streven naar gelijke behandeling of uitkomsten.
• Juridische gelijkheid: iedereen wordt gelijk behandelt volgens de wet.
• Uitkomsten gelijkheid: gelijke resultaten of verdelingen.
• Kansen gelijkheid: gelijke startpositie of mogelijkheden.
H3. Waarmee zijn sociologen bezig
Sociale wetten: regelmatigheden in menselijk gedrag die zo stabiel zijn dat je er algemene uitspraken over kunt
doen; minder absoluut dan natuurwetten, maar wel voorspelbare patronen.
Sociale fenomenen: waarneembare gebeurtenissen in de samenleving, ontstaan door interacties tussen
mensen.
Ceteris paribus: als al het andere gelijk blijft; gebruikt om een variabele te bestuderen zonder dat andere
factoren meeveranderen.
Natuurwetenschap: wetenschap die fysieke, meetbare wereld onderzoekt; werkt met universele
reproduceerbare wetten.
Sociale wetenschap: wetenschap die menselijk gedrag en sociale structuren onderzoekt; werkt met
interpretatie, context en probabilistische patronen.
Hawthorne-effect (experimentele-effect): mensen veranderen hun gedrag omdat ze weten dat ze
geobserveerd worden, waardoor dus het experiment zelf de resultaten beïnvloed.
Sociale werkelijkheid: de wereld zoals mensen die samen maken via betekenissen, normen, rollen en
interacties; niet puur objectief, ze bestaat omdat we er collectief in geloven.
Sociale feiten: externe, dwingende krachten die ons gedrag sturen (taal, wetten, religie, geld, etc.); ze bestaan
buiten het individu en oefenen druk uit.
Sociologische Imagination: vermogen om persoonlijke problemen te verbinden met bredere
maatschappelijke structuren.
H4. Dagelijkse naar wetsch. waarneming
Selectieve waarneming: je ziet wat past binnen je verwachtingen, ervaringen en waarden; de rest filter je weg.
Referentiekader: het geheel van waarden, normen, kennis en ervaringen waarmee je de wereld interpreteert.
Socialisatieproces: proces waarbij je leert hoe je je moet gedragen in een samenleving; waarden, normen en
rollen.
Cultuurpatronen: terugkerende, stabiele manier van denken en doen binnen een cultuur.
Thomas theorema: wat mensen geloven dat waar is heeft echte gevolgen.
• Self-fulilling prophecy/Pygmalioneffect/Rosenthalt-effect: een verwachting zorgt ervoor dat het
verwachte gedrag daadwerkelijk gebeurt.
• Self-destroying-prophecy: voorspelling die zichzelf ongeldig maakt omdat mensen hun gedrag aanpassen.
H1. De eigen aard van de samenleving
Paradigma: fundamenteel denkkader dat bepaalt hoe je naar de samenleving kijkt/begrijpt.
Samenlevingsspel: idee dat samenleven verloopt volgens gedeelde regels en rollen.
Sociologische verbeelding: vermogen om persoonlijke ervaringen te verbinden met maatschappelijke
structuren.
Contingent: niet noodzakelijk, het had anders kunnen zijn.
Arbitrair: willekeurig of gebaseerd op afspraken zonder natuurlijke noodzaak.
Latente deprivatiemodel: stelt dat werkeloosheid schaadt doordat de verborgen functies van werk wegvallen:
structureren van tijd, belangrijke bron van sociale contacten en sociale ervaringen, verbinder met groter geheel
en doeleinden die verder reiken dan persoonlijke doelen, status en identiteit, en dwingen tot activiteit en
zelfontplooiing.
Artefactverklaring: gevonden verband dat ontstaat door meet- of onderzoeksfouten
Patronen: terugkerende, voorspelbare structuren of gedragingen in de samenleving.
H2. Tegengestelde krachten
Perverse effecten: onbedoelde, vaak tegengestelde gevolgen van handelen of beleid.
Centrifugaal: uit elkaar drijvend; krachten die groepen uiteen doen gaan.
Centripetaal: samenbindend; krachten die groepen naar elkaar toe trekken.
Vervreemding: gevoel van los te staan van jezelf, anderen of de samenleving.
Collectief conformisme: groepsdruk die leidt tot aanpassing van gedeelde normen.
Actor-factor dilemma: spanning tussen individuele keuzes en structurele invloeden.
Mogelijkheden: handelingsopties die iemand daadwerkelijk heeft.
Mattheus effect: voordelen stapelen zich bij wie al voordelen heeft.
Beperkingen: grenzen die bepalen wat iemand niet kan doen.
• Impliciete handelingsmarges: niet-uitgesproken ruimte waarin handelen mogelijk is; ongeschreven regels
of verwachtingen die bepalen wat hoor of kan in een situatie.
• Institutionele beperkingen: grenzen opgelegd door regels, wetten, normen en structuren.
• Situationele beperkingen: grenzen opgelegd door huidige omgeving.
• Dispositionele beperkingen: grenzen door persoonlijke eigenschappen, gewoonte of attitude.
• Routines: vaste, herhaalde patronen van handelen.
Solidariteit: gevoel van verbondenheid en bereidheid elkaar te steunen.
• Warme solidariteit: solidariteit gebaseerd op nabijheid en persoonlijke banden.
• Koude solidariteit: solidariteit gebaseerd op regels, rechten en systemen.
• Mechanische solidariteit: samenhang gebaseerd op gelijkenis; mensen delen dezelfde religie, normen,
waarden en levenswijze; gemeenschap centraal; traditionele en premoderne samenleving.
• Organische solidariteit: samenhang gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid; iedereen heeft specifieke
functie; moderne of industriële samenleving.
, Paradox van de individualisering: meer individuele vrijheid leidt tot nieuwe vormen van onafhankelijkheid.
Strijd (conflict): botsing tussen tegengestelde belangen of waarden.
• Manifeste conflicten: openlijke, zichtbare conflicten.
• Latente conflicten: verborgen, (nog) niet uitgesproken conflicten.
• Waardeconflicten: botsing over overtuiging of normen.
• Belangenconflicten: botsing over materiële of strategische voordelen.
Paradox van het conflict: conflict is functioneel, maar wordt vaak vermeden; conflicten verdelen en creëren
tegelijk samenhang.
Ongelijkheid: ongelijke verdeling van middelen, kansen of macht.
• Gelijkheid: streven naar gelijke behandeling of uitkomsten.
• Juridische gelijkheid: iedereen wordt gelijk behandelt volgens de wet.
• Uitkomsten gelijkheid: gelijke resultaten of verdelingen.
• Kansen gelijkheid: gelijke startpositie of mogelijkheden.
H3. Waarmee zijn sociologen bezig
Sociale wetten: regelmatigheden in menselijk gedrag die zo stabiel zijn dat je er algemene uitspraken over kunt
doen; minder absoluut dan natuurwetten, maar wel voorspelbare patronen.
Sociale fenomenen: waarneembare gebeurtenissen in de samenleving, ontstaan door interacties tussen
mensen.
Ceteris paribus: als al het andere gelijk blijft; gebruikt om een variabele te bestuderen zonder dat andere
factoren meeveranderen.
Natuurwetenschap: wetenschap die fysieke, meetbare wereld onderzoekt; werkt met universele
reproduceerbare wetten.
Sociale wetenschap: wetenschap die menselijk gedrag en sociale structuren onderzoekt; werkt met
interpretatie, context en probabilistische patronen.
Hawthorne-effect (experimentele-effect): mensen veranderen hun gedrag omdat ze weten dat ze
geobserveerd worden, waardoor dus het experiment zelf de resultaten beïnvloed.
Sociale werkelijkheid: de wereld zoals mensen die samen maken via betekenissen, normen, rollen en
interacties; niet puur objectief, ze bestaat omdat we er collectief in geloven.
Sociale feiten: externe, dwingende krachten die ons gedrag sturen (taal, wetten, religie, geld, etc.); ze bestaan
buiten het individu en oefenen druk uit.
Sociologische Imagination: vermogen om persoonlijke problemen te verbinden met bredere
maatschappelijke structuren.
H4. Dagelijkse naar wetsch. waarneming
Selectieve waarneming: je ziet wat past binnen je verwachtingen, ervaringen en waarden; de rest filter je weg.
Referentiekader: het geheel van waarden, normen, kennis en ervaringen waarmee je de wereld interpreteert.
Socialisatieproces: proces waarbij je leert hoe je je moet gedragen in een samenleving; waarden, normen en
rollen.
Cultuurpatronen: terugkerende, stabiele manier van denken en doen binnen een cultuur.
Thomas theorema: wat mensen geloven dat waar is heeft echte gevolgen.
• Self-fulilling prophecy/Pygmalioneffect/Rosenthalt-effect: een verwachting zorgt ervoor dat het
verwachte gedrag daadwerkelijk gebeurt.
• Self-destroying-prophecy: voorspelling die zichzelf ongeldig maakt omdat mensen hun gedrag aanpassen.