Week 1: Subjectieve belastingplicht
De kern van de vennootschapsbelasting
Er vallen grofweg twee typen bedrijven onder de vennootschapsbelasting: (1) het
midden en kleinbedrijf (MKB) en (2) het grootbedrijf (multinationale
ondernemingen).
Tarief
De afgelopen jaren zijn de tarieven van de vennootschapsbelasting gedaald,
maar de belastinggrondslag waarop dat tarief geldt, is verhoogd, zoals door het
afschaffen van bepaalde aftrekposten en het beperken van de mogelijkheden om
een verlies in de tijd te verrekenen.
- Een effectieve belastingdruk is dus niet zoveel gedaald, maar de
redenering van de wetgever om toch voor een lager tarief te kiezen, is dat
buitenlandse investeerders Nederland eerder zullen zien staan indien het
optische tarief laag is.
- Het huidige tarief van de vpb is opgenomen in art. 22 Wet Vpb:
a. De winst tot €200.000 wordt belast tegen 19%
b. De winst vanaf €200.000 wordt belast tegen 25,8%
Subjectieve belastingplicht
Er wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen binnenlands
belastingplichtige lichamen (art. 2 Wet Vpb) en buitenlands belastingplichtigen
(art. 3 Wet Vpb).
- Juridische entiteiten kunnen echter slechts belastingplichtig zijn indien
sprake is van een lichaam. Hiermee worden bedoeld: de fiscaal niet-
transparantie lichamen.
a. Fiscaal niet-transparant: BV (art. 2:175 BW), NV (art. 2:64 BW),
vereniging (art. 2:26 BW), stichting (art. 2:285 BW) > deze zijn
belastingplichtig voor de Wet Vpb!
Het gaat om entiteiten waarvan de winst niet rechtstreeks kan
worden toegerekend aan de individueel deelgerechtigden.
b. Fiscaal transparant: eenmanszaak, VOF (art. 16 WvK), CV (art. 19
WvK) > we kijken door de vennootschap heen en de natuurlijke
persoon die achter de vennootschap zit, die wordt belast voor de
Wet IB
- Rechtsvormneutraliteit: keuze van rechtsvorm moet niet teveel invloed
hebben op de belastingdruk
Ook entiteiten opgericht naar buitenlands recht kunnen een lichaam zijn. Als
uitgangspunt geldt de rechtsvormvergelijkingsmethode: indien de
buitenlandse entiteit lijkt op een Nederlandse rechtsvorm die niet-transparant is,
dan is sprake van een lichaam > buitenlands belastingplichtig
,Indien de buitenlandse rechtsvorm niet te vergelijken is met een
Nederlandse rechtsvorm, dan kan de rechtsvormvergelijkingsmethode niet
worden toegepast. Dan geldt het volgende:
- Is de buitenlandse rechtsvorm in Nederland gevestigd > dan ziet
Nederland de entiteit als lichaam (de vaste methode).
- Is de buitenlandse rechtsvorm in het buitenland gevestigd > dan ziet
Nederland de entiteit alleen als lichaam als de andere staat de rechtsvorm
als zelfstandig belastingplichtige ziet; dus daar ook als lichaam wordt
gezien (de symmetrische methode).
Binnenlands- en buitenlands belastingplichtigen
Binnenlands belastingplichtigen (art. 2 Wet Vpb) zijn de in Nederland gevestigde
lichamen die in de vpb-heffing worden betrokken voor hun wereldwijde winst.
- Fictie (art. 2 lid 5 Wet Vpb): eenmaal opgericht naar Nederlands recht, dan
wordt het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd
Buitenlands belastingplichtigen (art. 3 Wet Vpb) zijn de niet in Nederland
gevestigde lichamen, die wel Nederlands inkomen (art. 17 Wet Vpb) genieten
door …
- Een in Nederland gedreven onderneming met behulp van een vaste
inrichting of een in Nederland gelegen onroerende zaak (art. 17 lid 3 sub a
Wet Vpb)
- Definitie vaste inrichting (art. 3 lid 4 Wet Vpb):
a. In verdragssituatie: het begrip zoals dat geldt voor toepassing van
dat verdrag
b. In niet-verdragssituatie: een vaste bedrijfsinrichting met behulp
waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of
gedeeltelijk worden uitgeoefend
Met dien verstande dat de uitvoering van ene bouwwerk of
van constructie of installatiewerkzaamheden slechts dan een
vaste inrichting is, indien de duur ervan twaalf maanden
overschrijdt (meer dan 12 maanden)
- Geen vaste inrichting (art. 3 lid 5 Wet Vpb):
a. Het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag,
uitstalling …
b. Het aanhouden van een voorraad voor opslag, uitstalling, aflevering
…
c. Het aanhouden van een voorraad voor bewerking of verwerking …
d. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor aankopen of
inlichtingen ...
e. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor andere
werkzaamheid …
f. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor een combinatie
van …
- De vraag waar een naar vreemd recht opgericht lichaam is gevestigd,
moet naar de omstandigheden worden beoordeeld (art. 4 AWR):
a. Volgens jurisprudentie is de plaats waar het lichaam zijn werkelijke
leiding heeft, doorslaggevend;
, b. Bovendien moet in beginsel worden uitgegaan dat de werkelijke
leiding van een lichaam berust bij het bestuur.
c. Andere locaties, zoals de plaats waar de onderneming wordt
gedreven, de plaats van de AVA en de plaats waar het lichaam
statutair gevestigd is, dienen slechts als hulpmiddel om aan te
tonen waar de werkelijke leiding is gelegen.
- Buitenlands belastingplichtigen worden alleen in de vpb-heffing
betrokken voor de winst dat in Nederland is behaald.
Onbeperkt belastingplichtigen
BV’s, NV’s, coöperaties, fondsen voor gemene rekening, SE’s, SCE’s,
woningcorporaties, andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld
kapitaal, omgekeerde hybrides (reverse hybrid), zijn lichamen die onbeperkt
belastingplichtig zijn.
- Zij worden geacht met behulp van hun gehele vermogen een onderneming
te drijven.
Bepaalde verenigingen en stichtingen
Subjectieve belastingplicht ‘indien en voor zover’ zij een onderneming drijven.
4.5.2 Personenvennootschappen – 4.7
Subjectieve vrijstellingen
In art. 5 Wet Vpb zijn vrijstellingen opgenomen die veelal een sociale achtergrond
hebben of hun grondslag vinden in het algemeen maatschappelijk belang:
- Natuurschoonlichamen, grote pensioenfondsen en ziekenhuizen
In art. 6 Wet Vpb zijn vrijstellingen opgenomen voor Nederlandse stichtingen,
verenigingen en kerkgenootschappen. Zij zijn vrijgesteld als hun winst niet
uitstijgt boven het winstplafond.
- Er is voldaan aan het winstplafond indien de winst van het jaar niet meer
bedraagt dan €15.000, dan wel van het jaar en de daaraan voorafgaande
vier jaren samen niet meer bedraagt dan €75.000.
- De winstdrempel voorkomt dat grote verenigingen en stichtingen met
professionele ondernemingen ook een beroep op de vrijstelling kunnen
doen.
- Op grond van art. 6 lid 3 Wet Vpb kan een lichaam afzien van de
vrijstelling. Door het afzien van de vrijstelling, kan een eindafrekening over
stille reserves en goodwill worden voorkomen.
- Door het in werking treden van de vrijstelling van art. 6 Wet Vpb, houdt de
stichting of vereniging op in Nederland belastbare winst te genieten,
waardoor de stille reserves en goodwill tot de belastbare winst gerekend
moeten worden (art. 15d Wet Vpb).
Subjectieve vrijstelling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen
Art. 6a Wet Vpb bevat een subjectieve vrijstelling voor een bepaalde type
beleggingsinstelling: de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI).
De kern van de vennootschapsbelasting
Er vallen grofweg twee typen bedrijven onder de vennootschapsbelasting: (1) het
midden en kleinbedrijf (MKB) en (2) het grootbedrijf (multinationale
ondernemingen).
Tarief
De afgelopen jaren zijn de tarieven van de vennootschapsbelasting gedaald,
maar de belastinggrondslag waarop dat tarief geldt, is verhoogd, zoals door het
afschaffen van bepaalde aftrekposten en het beperken van de mogelijkheden om
een verlies in de tijd te verrekenen.
- Een effectieve belastingdruk is dus niet zoveel gedaald, maar de
redenering van de wetgever om toch voor een lager tarief te kiezen, is dat
buitenlandse investeerders Nederland eerder zullen zien staan indien het
optische tarief laag is.
- Het huidige tarief van de vpb is opgenomen in art. 22 Wet Vpb:
a. De winst tot €200.000 wordt belast tegen 19%
b. De winst vanaf €200.000 wordt belast tegen 25,8%
Subjectieve belastingplicht
Er wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen binnenlands
belastingplichtige lichamen (art. 2 Wet Vpb) en buitenlands belastingplichtigen
(art. 3 Wet Vpb).
- Juridische entiteiten kunnen echter slechts belastingplichtig zijn indien
sprake is van een lichaam. Hiermee worden bedoeld: de fiscaal niet-
transparantie lichamen.
a. Fiscaal niet-transparant: BV (art. 2:175 BW), NV (art. 2:64 BW),
vereniging (art. 2:26 BW), stichting (art. 2:285 BW) > deze zijn
belastingplichtig voor de Wet Vpb!
Het gaat om entiteiten waarvan de winst niet rechtstreeks kan
worden toegerekend aan de individueel deelgerechtigden.
b. Fiscaal transparant: eenmanszaak, VOF (art. 16 WvK), CV (art. 19
WvK) > we kijken door de vennootschap heen en de natuurlijke
persoon die achter de vennootschap zit, die wordt belast voor de
Wet IB
- Rechtsvormneutraliteit: keuze van rechtsvorm moet niet teveel invloed
hebben op de belastingdruk
Ook entiteiten opgericht naar buitenlands recht kunnen een lichaam zijn. Als
uitgangspunt geldt de rechtsvormvergelijkingsmethode: indien de
buitenlandse entiteit lijkt op een Nederlandse rechtsvorm die niet-transparant is,
dan is sprake van een lichaam > buitenlands belastingplichtig
,Indien de buitenlandse rechtsvorm niet te vergelijken is met een
Nederlandse rechtsvorm, dan kan de rechtsvormvergelijkingsmethode niet
worden toegepast. Dan geldt het volgende:
- Is de buitenlandse rechtsvorm in Nederland gevestigd > dan ziet
Nederland de entiteit als lichaam (de vaste methode).
- Is de buitenlandse rechtsvorm in het buitenland gevestigd > dan ziet
Nederland de entiteit alleen als lichaam als de andere staat de rechtsvorm
als zelfstandig belastingplichtige ziet; dus daar ook als lichaam wordt
gezien (de symmetrische methode).
Binnenlands- en buitenlands belastingplichtigen
Binnenlands belastingplichtigen (art. 2 Wet Vpb) zijn de in Nederland gevestigde
lichamen die in de vpb-heffing worden betrokken voor hun wereldwijde winst.
- Fictie (art. 2 lid 5 Wet Vpb): eenmaal opgericht naar Nederlands recht, dan
wordt het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd
Buitenlands belastingplichtigen (art. 3 Wet Vpb) zijn de niet in Nederland
gevestigde lichamen, die wel Nederlands inkomen (art. 17 Wet Vpb) genieten
door …
- Een in Nederland gedreven onderneming met behulp van een vaste
inrichting of een in Nederland gelegen onroerende zaak (art. 17 lid 3 sub a
Wet Vpb)
- Definitie vaste inrichting (art. 3 lid 4 Wet Vpb):
a. In verdragssituatie: het begrip zoals dat geldt voor toepassing van
dat verdrag
b. In niet-verdragssituatie: een vaste bedrijfsinrichting met behulp
waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of
gedeeltelijk worden uitgeoefend
Met dien verstande dat de uitvoering van ene bouwwerk of
van constructie of installatiewerkzaamheden slechts dan een
vaste inrichting is, indien de duur ervan twaalf maanden
overschrijdt (meer dan 12 maanden)
- Geen vaste inrichting (art. 3 lid 5 Wet Vpb):
a. Het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag,
uitstalling …
b. Het aanhouden van een voorraad voor opslag, uitstalling, aflevering
…
c. Het aanhouden van een voorraad voor bewerking of verwerking …
d. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor aankopen of
inlichtingen ...
e. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor andere
werkzaamheid …
f. Het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor een combinatie
van …
- De vraag waar een naar vreemd recht opgericht lichaam is gevestigd,
moet naar de omstandigheden worden beoordeeld (art. 4 AWR):
a. Volgens jurisprudentie is de plaats waar het lichaam zijn werkelijke
leiding heeft, doorslaggevend;
, b. Bovendien moet in beginsel worden uitgegaan dat de werkelijke
leiding van een lichaam berust bij het bestuur.
c. Andere locaties, zoals de plaats waar de onderneming wordt
gedreven, de plaats van de AVA en de plaats waar het lichaam
statutair gevestigd is, dienen slechts als hulpmiddel om aan te
tonen waar de werkelijke leiding is gelegen.
- Buitenlands belastingplichtigen worden alleen in de vpb-heffing
betrokken voor de winst dat in Nederland is behaald.
Onbeperkt belastingplichtigen
BV’s, NV’s, coöperaties, fondsen voor gemene rekening, SE’s, SCE’s,
woningcorporaties, andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld
kapitaal, omgekeerde hybrides (reverse hybrid), zijn lichamen die onbeperkt
belastingplichtig zijn.
- Zij worden geacht met behulp van hun gehele vermogen een onderneming
te drijven.
Bepaalde verenigingen en stichtingen
Subjectieve belastingplicht ‘indien en voor zover’ zij een onderneming drijven.
4.5.2 Personenvennootschappen – 4.7
Subjectieve vrijstellingen
In art. 5 Wet Vpb zijn vrijstellingen opgenomen die veelal een sociale achtergrond
hebben of hun grondslag vinden in het algemeen maatschappelijk belang:
- Natuurschoonlichamen, grote pensioenfondsen en ziekenhuizen
In art. 6 Wet Vpb zijn vrijstellingen opgenomen voor Nederlandse stichtingen,
verenigingen en kerkgenootschappen. Zij zijn vrijgesteld als hun winst niet
uitstijgt boven het winstplafond.
- Er is voldaan aan het winstplafond indien de winst van het jaar niet meer
bedraagt dan €15.000, dan wel van het jaar en de daaraan voorafgaande
vier jaren samen niet meer bedraagt dan €75.000.
- De winstdrempel voorkomt dat grote verenigingen en stichtingen met
professionele ondernemingen ook een beroep op de vrijstelling kunnen
doen.
- Op grond van art. 6 lid 3 Wet Vpb kan een lichaam afzien van de
vrijstelling. Door het afzien van de vrijstelling, kan een eindafrekening over
stille reserves en goodwill worden voorkomen.
- Door het in werking treden van de vrijstelling van art. 6 Wet Vpb, houdt de
stichting of vereniging op in Nederland belastbare winst te genieten,
waardoor de stille reserves en goodwill tot de belastbare winst gerekend
moeten worden (art. 15d Wet Vpb).
Subjectieve vrijstelling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen
Art. 6a Wet Vpb bevat een subjectieve vrijstelling voor een bepaalde type
beleggingsinstelling: de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI).