Methodologie en statistiek:
Week 1:
# R projecten aanmaken:
File → New Project
Selecteer ‘New Directory’
Klik op ‘New Project’
Geef het project de gewenste naam
Klik op <Browse>
Selecteer op je computer de locatie waar je het project wilt opslaan
Klik op <Create Project>
Je kan nu allerlei files opslaan in dit bestand zoals data, scripts en afbeeldingen, opslaan in deze projectmap,
zodat je ze makkelijk kunt terugvinden en openen.
# Eenvoudige berekeningen uitvoeren in R
# Scripts openen en opslaan in R
Nieuw script openen: File → New File → R Script
Bestaand script openen: File → Open File. . . (of via Files rechtsonder
Script opslaan: File → Save as. .
Tips voor scripts:
o Houd je script goed leesbaar door het gebruik van witregels na ieder afgerond commando en spaties
voor en na operatoren (bijv. + en ∗).
o Een rood teken voor een scriptregel geeft aan dat er een fout zit in die regel.
# Waarschuwingen, foutmeldingen en help-functie
Warning:
Er zijn mogelijk problemen zijn met het commando, maar dat het desondanks wel kan worden uitgevoerd.
Error:
Het commando incorrect of incompleet is en het kan niet worden uitgevoerd.
Commando helpfunctie:
?term of commando waar je hulp bij wilt
Je kan ook via het tabblad Help de zoekbalk gebruiken.
, Week 2:
# Objecten een naam geven in R
o De programmeertaal R is hoofdletter gevoelig: B is dus een ander object dan b
o Een object met dezelfde naam als een bestaande object, zal dat object overschrijven (zonder
waarschuwing!)
o Een naam mag cijfers bevatten, maar kan niet beginnen met een cijfer
o Een naam mag underscores en punten bevatten, maar geen andere speciale tekens
# Objecten aanmaken in R
Inhoud bestaande uit getallen:
Naam object <- Inhoud die je wilt toevoegen aan dit object
VB: Object a1 met inhoud 100 geeft a1 <- 100
Inhoud bestaande uit woorden:
Naam object <- “Inhoud die je wilt toevoegen aan dit object”
VB: Object a1 met de inhoud Hello i’m learning R geeft a1 <- “Hello i’m learning R”
# Objecten nader bekijken
o Objecten worden na aanmaken toegevoegd aan het Environment rechtsboven.
o Objecten kunnen vervolgens worden getoond in de Console.
o Bepaalde eigenschappen van de objecten kunnen worden bekeken.
Object in console tonen:
print( )
Kijken hoeveel elementen er in een object zitten:
length( )
Kijken wat voor type object het is (numeriek of categorisch):
class( )
# Objecten verwijderen uit environment
rm ( )
# Vectoren aanmaken
Een vector is een object dat uit een verzameling van waarden bestaat; dus meerdere waarden.
Inhoud bestaande uit getallen:
Naam vector <- c(Inhoud, die, je, aan, de, vector, wilt, toevoegen)
VB: a1 <− c(1, 2, 3, 4, 5) of a2 <− c(10, 20, 30, 40, 50)
Inhoud bestaande uit letters/woorden:
Naam vector <- c(“Inhoud”, “die”, “je”, “aan”, “de”, “vector”, “wilt”, “toevoegen”)
VB: a3 <− c("A", "B", "C")