lage sterfte- en geboortecijfers)
Fase 1: hoge geboorte- en sterftecijfers, vooral kindersterfte (door slechte hygiëne, infectieziekten en
problemen rond geboorte). Bevolking groeit nauwelijks. Europa zat vóór 1750 in deze fase.
Fase 2: bevolking groeit door hoge geboortecijfer en lage sterftecijfer. De sterftedaling komt door
meer en beter voedsel (hogere agrarische productiviteit en gevarieerdere voeding), verbetering
industrialisatie en verstedelijking (betere toegang tot zorg, werk en onderwijs), overheidsmaatregelen
zoals riolering en woningwetgeving, en toenemende medische kennis en hygiëne.
Fase 3: bevolkingsgroei neemt af, geboortecijfer daalt. Gezinnen krijgen minder kinderen doordat
kindersterfte lager is, mensen welvarender worden (kinderarbeid werd verboden), vrouwen meer
rechten krijgen, overheidsbemoeienis (opkomstverzorgingsstaat: gezinsplanning 1-kind politiek
China), betere anticonceptie beschikbaar. Daling geboortecijfer begint in Nederland rond 1880.
Fase 4: geboorte- en sterftecijfers zijn beide laag en ongeveer in evenwicht. De bevolking groeit
nauwelijks en de levensverwachting is hoog.
Fase 5: bevolkingskrimp en vergrijzing, doordat geboortecijfer lager ligt dan sterftecijfer (er ontstaat
sterfteoverschot). Nederland zit sinds 2022 in deze fase. Vergrijzing ontstaat door lage fertiliteit,
mensen krijgen minder kinderen (2,1 kinderen nodig om bevolkingsmigratie op pijl te houden). Door
de grote verzorgingsstaat zijn maatregelen nodig: langer doorwerken, AOW-leeftijd verhogen en
arbeidsmigratie nodig om de druk op vergrijzing te verminderen. Geboortecijfer verhogen.
Door globalisering kunnen landen die later beginnen sneller door de demografische transitie gaan. Ze
nemen kennis, technologie en medische zorg over van andere landen, waardoor sterfte en
geboortecijfers sneller dalen. Transities kunnen worden onderbroken door epidemieën en oorlog.
Mackenbach beschrijft drie grote verschuivende patronen in ziekten en sterfte:
1. Shifts in the burden of disease – van vroeg overlijden naar langer leven met ziekte.
2. Shifting causes of death – van infectieziekten naar chronische ziekten, later naar kanker en
dementie.
3. Disease rise, disease fall – ziekten verschijnen en verdwijnen weer.
, Thomas Malthus (1766–1834) schreef in 1798 het boek An Essay on the Principle of Population.
Daarin stelde hij dat de bevolking sneller groeit (exponentieel) dan de bestaansmiddelen (lineair).
Dit zorgt voor spanningen, die volgens twee manieren opgelost worden:
- Negatieve checks: geboortecijfer neemt af.
Mensen krijgen minder kinderen (later of niet
trouwen, minder of geen kinderen).
- Positieve checks: de sterfte neemt toe door
hongersnood, ziekte of oorlog.
De hongersnood rond 1845, waarbij veel mensen
stierven, kan als een voorbeeld worden gezien.
In arme gebieden krijgen mensen veel kinderen door hoge kindersterfte. In rijke landen krijgen
ouders minder kinderen omdat ze weten dat die overleven. Het redden van arme kinderen verlaagt
juist zowel armoede als bevolkingsgroei.