Introductie
De geest is een verzameling cognitieve competenties waaronder:
Probleem oplossen, beslissen, geheugen, kennis, perceptie, bewustzijn,
aandacht, taal & leren.
Helmholtz stimuleerde de zenuw van een kikker, hoelang daarna de poot
beweegt.
Maar hoelang duurt een mentaal proces? → Donders (19e eeuw) reactietijd
(RT).
- Simpele RT taak: druk zo snel mogelijk als de lamp aan gaat.
Stimulus detectie + motor respons.
- Keuze RT taak: druk links als de linker lamp aan gaat, rechts als
rechter aan gaat.
Stimulus detectie + stimulus discriminatie + kiezen + motor
respons.
- Go/no go RT taak: stimulus detectie + stimulus discriminatie +
motor respons.
Stimulus-discriminatie = RT (go/no go) – RT (simpel).
Beslissingstijd = RT (keuze) – RT (go/no go).
Weber (19e eeuw): een waarneembaar verschil is absoluut niet relatief.
Zintuigen registreren relatieve verschillen. Wet van Weber: waarneembare
verschil is constant. (Kijk dus naar % verschil)
Wundt & James, introspectie = de inhoud van ons bewustzijn is een parade
van sensaties, gevoelens, gedachten beelden etc. Maar volgens
behaviorisme is introspectie niet wetenschappelijk, bewustzijn is te vaag →
gedrag bestaat uit aangeleerde stimulus-respons relaties.
Rond 1960 ontwikkeling van taal: Skinner, positieve bekrachtiging.
Chomsky, spontaan en aangeboren. In jaren 50 kwamen de eerste
computers, metafoor voor de hersenen.
Neisser (1967), het brein als informatieverwerker. 1970-nu moderne
cognitieve psychologie.
Structurele modellen beschrijven de fysieke (biologische) structuren →
hardware.
Proces modellen beschrijven cognitieve processen → software.
Signaal detectie theorie
SDT helpt met hoe je moet omgaan met onzekere beslissingen.
Bij binaire toets hangt de uitslag direct af van de goede antwoorden
(score) en het criterium (cut off).
*detector is het metafoor, om erachter te komen hoe goed ze onderscheid maken en welk
criterium) *
Target absent trial = ruis trial, Target present trial = ruis + signaal.
Hit rate = aantal keer dat je ja zegt in het aantal trials dat een hit bevatte.
*Fractie hits, proporties hits = hetzelfde als hit rate.
,Model = rekenmachine die fractie hits en fractie false verschil
onderscheidt?
- Een maat voor criterium (c) en een maat voor onderscheidend
vermogen (d). Hoe groter d, hoe nauwkeuriger uitkomst.
Voorkeur nee zeggen → hoog criterium → weinig hits & weinig false alarms.
Voorkeur ja zeggen → laag criterium → veel hits & veel false alarms.
- Nooit d onder 0 (bij ROC), dan is er een fout in de test.
- Grafieken waarbij op x en y as iets van dezelfde orde en zelfde
metriek → maak vierkante grafiek (niet uitrekken).
H (=hit rate) FA (=false alarms)
C = hoe ver je van het midden afligt. D = afstand van onderscheiden
vermogen.
- EXCEL: d’= NORMSINV (H) & NORMSINV (FA)
Onderzoeker kan SDT descriptief inzetten, gebruikt het om de test of
detector te beschrijven met bijvoorbeeld d’ en c.
- Kan ook prescriptief, je hebt specialisten die kijken hoe goed de
diagnostische testen zijn en stellen criteria bij (kijken hoe de
testuitslag beter kan).
Waarneming: Zintuigensystemen
Deel 1: Waarnemingen onderzoeken
Sensatie = de meer vroege stadia van verwerking van stimuli.
Waarnemen (perceptie) = betekenisvol, georganiseerd.
- Zintuigen hebben een eigen soort receptoren, eigen soort van
sensorische neuronen (transport), eigen gebied in de hersenen waar
naar toe de informatie wordt vervoerd. Binnen het gebied vaak nog
een eigen ‘plekje’.
Sensoren: zien, horen, proeven, ruiken, voelen (& evenwicht).
Waarnemen:
1. Fysische signalen die binnenkomen (energie uit de wereld)
2. Sensoren vertalen het, naar signalen waar hersenen wat aan hebben
(transducer)
3. Bekabeling, naar de hersenen toe.
4. Thalamus een verdeelstation.
5. De cortex, verdere verwerking.
Sensatie is niet altijd het zelfde, sensorische systemen passen zich aan,
aan de omgeving. Onze hersenen zijn met name geïnteresseerd in
veranderingen (adaptatie)
- Bewegingsnaeffect = resultaat van competitie en adaptatie in de
hersenen.
Deel 2: Chemische zintuigen
Smaak opgepikt door papillen, op de tong. Supertaster heeft veel papillen,
nontaster weinig/minder, moet homozygoot zijn om 1 van de 2 te krijgen.
- Papillen: erin zitten sensor cellen, verbonden met zenuwuiteinden
van onze smaak zenuwen → naar brein. De receptoren zijn gelijk
, verdeeld, maar de plaats aspecten worden door het brein bepaald.
Verschillende neuronen uit verschillende delen van
de tong.
Direct via limbisch systeem (hypothalamus en
amygdala), niet via thalamus.
Reuk zit linksvoor in de hersenen. Olfactory bulb:
honderden typen olfactorische sensorische neuronen,
onder de cribiforme plaat. Glomeruil → naar limbisch
systeem voor emoties/motivaties en orbitofrontale
cortex (via thalamus) voor het
onderscheidingsvermogen.
- Vrouwen zijn beter in onderscheiden van geuren.
Informatie reuk komt via neus binnen, maar ook via de mondholte (→ nasal
pharynx). Samen verantwoordelijk voor de psychologische gewaarwording.
- Feromonen (geur en communicatie).
Deel 3: Tast en lichaamssensoren
Veel huidrecptoren (moet weten welk soort signalen, waar sommige op
reageren).
o Warmte receptor meer actiepotentialen afgeven bij hogere
temperatuur, na bepaalde hoogte constant. Pijn receptor doet niet
veel tot bepaalde grens, dan meer actiepotentialen.
Als membranen vervormen → ion kanalen open → neurotransmitter
afgegeven → actiepotentialen → signaal (tastreceptoren) =
mechanoreceptoren
- Dieper liggende receptoren vervormen → (Ruffini = langzaam &
Pacinian = snel).
- Oppervlakkige receptoren vervormen alleen als je precies op die
plek drukt (Merkel = langzaam & Meissner = snel)
Veel verschillende receptoren, voor goed onderscheid. Veel verschillende
paden, om informatie te herkennen → coderen/decoderen.
- Labeld lines zijn in bijna ieder zintuig aanwezig (sensor A naar
receptor A).
Tast: receptieve velden. Corticale cel reageert met actiepotentialen, als er
een stimulus wordt gegeven in het ‘receptieve veld’ van de cel.
Daarbuiten niet (of niet anders dan ‘spontane activiteit’). Hoe sterker de
stimulus (of hoe gevoeliger de cel) hoe meer actiepotentialen.
Tastgevoelige cellen hebben vaak ‘center-surround’ organisatie. In het
centrale deel zorgt stimulatie voor activatie van de cel. In het gebied er
omheen (surround) zorgt het juist voor ‘inhibitie’
Evenwicht zit in ons oor. Rotatie pikken we op met half cirkel vormige
kanalen, gevuld met vloeistof. Ene kant bewegen, vloeistof blijft half
achter → de haarcellen (haren) verbuigen. Het gaat hier om versnelling!!
Zijn mechanoreceptoren.