Het nut van cognitieve gedragstherapie bij ouderen
Angst is een gevoel van dreiging of controleverlies. Niet iedereen ervaart angst op dezelfde
manier, angst is subjectief. In sommige gevallen neemt deze angst een extreme vorm aan.
Wanneer angst zorgt voor subjectief lijden en het dagelijks functioneren verhindert, is er sprake
van een angststoornis (Trimbos-instituut, 2014). Een angststoornis kan behandeld worden, maar
niet elke leeftijdsgroep kan hier al evenveel van genieten. Er is weinig bekend over het
behandelen van 65-plussers met een angststoornis. Daarnaast worden ze ook minder
doorverwezen naar psychotherapie, in de leeftijdsgroep 70-74 jaar oud was dit maar 6% (Pettit et
al., 2017). Er is echter een hoge prevalentie angststoornissen onder 65-plussers. De
jaarprevalentie 65-plussers met een angststoornis is 17% en de puntprevalentie van 65-plussers
met een angststoornis is 11% (Andreas et al., 2017; de Graaf et al., 2012). Maar is het volgens
de huidige wetenschap wel zinvol om cliënten met een angststoornis van 65 jaar en ouder te
behandelen met cognitieve gedragstherapie (CGT)?
Bij 65-plussers ligt de effectgrootte van CGT voor gegeneraliseerde angststoornis (GAS) op 0,55,
wat lager is dan de effectgrootte bij 18-tot 64-jarige, namelijk 0,94 (Kishita en Laidlaw, 2017).
Hieruit blijkt dat CGT voor ouderen minder effectief is. Er wordt echter in deze studie geen
rekening gehouden met het verschil in grootte van onderzochte leeftijdsgroepen, wat een
vertekend beeld kan geven (Hendriks en collega’s, 2021). Daarnaast blijkt uit IAPT-data dat 70%
van de 65-plussers die een psychologische behandeling ondergaat, waarin voornamelijk gebruik
wordt gemaakt van CGT, is hersteld of verbeterd. Dit aantal ligt juist hoger dan 18- tot 64-jarige,
voor hen was dit 60% (Chaplin en collega’s, 2015). Ook duidt onderzoek er op dat CGT betere
resultaten oplevert voor een paniekstoornis en agorafobie bij 65-plussers dan bij 18- tot 64-
jarigen. Een behandeling met CGT voor GAS is dus, in vergelijking met geen behandeling,
effectief. Het is echter niet duidelijk of CGT beter werkt dan andere behandelingen (Hendriks et
al., 2014).
Om CGT bij 65-plussers goed te laten verlopen moet er met een aantal zaken rekening worden
gehouden. Naarmate mensen ouder worden, nemen de executieve cognitieve functies af
(Mohlman, 2013). Als resultaat hiervan is CGT voor sommige 65-plussers minder effectief, omdat
executieve cognitieve functies nodig zijn in het verkrijgen van CGT-vaardigheden (Johnco et al.,
2013, 2014, 2015). Om dit te voorkomen kan er voorafgaand aan de CGT-behandeling voor 65-
plussers met een angststoornis getest worden op het executief functioneren. Als het blijkt uit de
test dat dit nodig is, kan er een werkgeheugentraining gegeven worden vóór het beginnen met de
behandelingen, zodat de behandeling het meest effectief is (Mohlman, 2020). 65-plussers lopen
ook tegen het verhoogde gebruik van digitale middelen op. Een voorbeeld hiervan is het online
invullen van een zelfrapportagevragenlijst (van Deursen, 2019). In een studie die ouderen betrok
bleek dat minder dan een kwart van de deelnemers genoeg vertrouwen had in hun digitale
vaardigheden om de digitale vragenlijst in de vullen (Hendriks en collega’s, 2021). Hieruit is te
concluderen dat het vermijden van digitale ondersteuningen ouderen zou helpen tijdens een
CGT-behandeling. Met deze twee aanpassingen zou een CGT-behandeling beter aansluiten op
de behoeften van 65-plussers, en dus ook effectiever zijn.
Naar mijn mening is het volgens de huidige wetenschap zinvol om cliënten met een angststoornis
van 65 jaar en ouder te behandelen met cognitieve gedragstherapie. Ondanks een lagere
effectgrootte dan bij jongere leeftijdscategorieën, blijkt dat het merendeel van 65-plussers met
een angststoornis hersteld of verbeterd na een CGT-behandeling. Dit aantal zal alleen maar
stijgen na het toepassen van veranderingen die ervoor zorgen dat de behandeling goed past bij
65-plussers. Daarom is het zinvol om 65-plussers te behandelen met CGT.
595 woorden
Angst is een gevoel van dreiging of controleverlies. Niet iedereen ervaart angst op dezelfde
manier, angst is subjectief. In sommige gevallen neemt deze angst een extreme vorm aan.
Wanneer angst zorgt voor subjectief lijden en het dagelijks functioneren verhindert, is er sprake
van een angststoornis (Trimbos-instituut, 2014). Een angststoornis kan behandeld worden, maar
niet elke leeftijdsgroep kan hier al evenveel van genieten. Er is weinig bekend over het
behandelen van 65-plussers met een angststoornis. Daarnaast worden ze ook minder
doorverwezen naar psychotherapie, in de leeftijdsgroep 70-74 jaar oud was dit maar 6% (Pettit et
al., 2017). Er is echter een hoge prevalentie angststoornissen onder 65-plussers. De
jaarprevalentie 65-plussers met een angststoornis is 17% en de puntprevalentie van 65-plussers
met een angststoornis is 11% (Andreas et al., 2017; de Graaf et al., 2012). Maar is het volgens
de huidige wetenschap wel zinvol om cliënten met een angststoornis van 65 jaar en ouder te
behandelen met cognitieve gedragstherapie (CGT)?
Bij 65-plussers ligt de effectgrootte van CGT voor gegeneraliseerde angststoornis (GAS) op 0,55,
wat lager is dan de effectgrootte bij 18-tot 64-jarige, namelijk 0,94 (Kishita en Laidlaw, 2017).
Hieruit blijkt dat CGT voor ouderen minder effectief is. Er wordt echter in deze studie geen
rekening gehouden met het verschil in grootte van onderzochte leeftijdsgroepen, wat een
vertekend beeld kan geven (Hendriks en collega’s, 2021). Daarnaast blijkt uit IAPT-data dat 70%
van de 65-plussers die een psychologische behandeling ondergaat, waarin voornamelijk gebruik
wordt gemaakt van CGT, is hersteld of verbeterd. Dit aantal ligt juist hoger dan 18- tot 64-jarige,
voor hen was dit 60% (Chaplin en collega’s, 2015). Ook duidt onderzoek er op dat CGT betere
resultaten oplevert voor een paniekstoornis en agorafobie bij 65-plussers dan bij 18- tot 64-
jarigen. Een behandeling met CGT voor GAS is dus, in vergelijking met geen behandeling,
effectief. Het is echter niet duidelijk of CGT beter werkt dan andere behandelingen (Hendriks et
al., 2014).
Om CGT bij 65-plussers goed te laten verlopen moet er met een aantal zaken rekening worden
gehouden. Naarmate mensen ouder worden, nemen de executieve cognitieve functies af
(Mohlman, 2013). Als resultaat hiervan is CGT voor sommige 65-plussers minder effectief, omdat
executieve cognitieve functies nodig zijn in het verkrijgen van CGT-vaardigheden (Johnco et al.,
2013, 2014, 2015). Om dit te voorkomen kan er voorafgaand aan de CGT-behandeling voor 65-
plussers met een angststoornis getest worden op het executief functioneren. Als het blijkt uit de
test dat dit nodig is, kan er een werkgeheugentraining gegeven worden vóór het beginnen met de
behandelingen, zodat de behandeling het meest effectief is (Mohlman, 2020). 65-plussers lopen
ook tegen het verhoogde gebruik van digitale middelen op. Een voorbeeld hiervan is het online
invullen van een zelfrapportagevragenlijst (van Deursen, 2019). In een studie die ouderen betrok
bleek dat minder dan een kwart van de deelnemers genoeg vertrouwen had in hun digitale
vaardigheden om de digitale vragenlijst in de vullen (Hendriks en collega’s, 2021). Hieruit is te
concluderen dat het vermijden van digitale ondersteuningen ouderen zou helpen tijdens een
CGT-behandeling. Met deze twee aanpassingen zou een CGT-behandeling beter aansluiten op
de behoeften van 65-plussers, en dus ook effectiever zijn.
Naar mijn mening is het volgens de huidige wetenschap zinvol om cliënten met een angststoornis
van 65 jaar en ouder te behandelen met cognitieve gedragstherapie. Ondanks een lagere
effectgrootte dan bij jongere leeftijdscategorieën, blijkt dat het merendeel van 65-plussers met
een angststoornis hersteld of verbeterd na een CGT-behandeling. Dit aantal zal alleen maar
stijgen na het toepassen van veranderingen die ervoor zorgen dat de behandeling goed past bij
65-plussers. Daarom is het zinvol om 65-plussers te behandelen met CGT.
595 woorden