Professor Lamberigts Mathijs
Handboek: J.F. Collins, A Primer of Ecclesiastical Latin (verplicht).
Type: Schriftelijk examen tijdens de examenperiode
De studenten krijgen twee vragen.
o Een eerste vraag heeft betrekking op de inhoudelijke
inleidingen op de gelezen teksten (belang; opbouw;
problemen).
o Daarnaast ontvangen ze ook een geziene tekst (ongeveer 20
lijnen). Hier wordt hen gevraagd om deze tekst zelf te
vertalen.
o Wanneer ze hiermee klaar zijn, komen ze hun vertaling
voorstellen. Hierbij worden vragen gesteld van grammaticale
aard, meestal in relatie tot de keuze van de studenten voor
een bepaalde vertaling. Evident wordt ook aandacht besteed
aan de inhoudelijke kant van de tekst.
De puntenverdeling is als volgt: 8 punten voor de inhoudelijke vraag
en 12 punten voor de vertaling en de commentaar bij die vertaling.
o Tekst uit het Nieuwe Testament (één van de vier evangelies,
waarschijnlijk niet Johannes).
o Tekst: ca. 15 lijnen.
o 15 vormen staan cursief → deze moet je ontleden (morfologie).
o Je mag notities, handboek en woordenboek gebruiken.
Zorg dat je evangelieteksten in je notities hebt (vertaald +
morfologisch voorbereid).
o Aanpak examen
1. Begin met ontleden (de cursieve vormen!):
o Kijk naar de uitgang → die bepaalt de functie
(niet de woordvolgorde!).
o Schrijf persoon, getal, tijd, wijs, naamval,
geslacht, etc.
o Voorbeeld: amicum video → amicum (acc. ev.
van amicus), video (1e pers. ev. praes. ind. act.)
→ “ik zie een vriend”.
1
, 2. Vertalen:
o Als je de vorm juist hebt → de helft van de
vertaling is al gedaan.
o Combineer betekenissen met context → hou
rekening met bijbelstijl.
Ontleden
Zelfstandig naamwoord = Nominatief (onderwerp) , mannelijk,
enkelvoud
Werkwoord = actief, indicatief, praesens, 3de persoon, enkelvoud
Bijvoeglijke naamwoorden = adjectief, mannelijk, genitief, meervoud
van bonus zelfstandig gebruikt.
Basisprincipes Latijn
Woordfunctie = uitgang
Anders dan in het Nederlands → plaats in de zin is niet beslissend.
Voorbeeldzin:
o Albertum video = “Ik zie Albert.”
o Albertus me videt = “Albert ziet mij.”
o De uitgang (-um = acc., -us = nom.) bepaalt wie onderwerp
of lijdend voorwerp is.
Praktische tips
Begin systematisch:
1. Zoek de persoonsvorm → onderwerp erbij.
2. Zoek acc. → lijdend voorwerp.
3. Wat is het werkwoord?
4. Werk rest af.
2
,Werkwoordstijden (Indicatief Actief)
🔹 Belangrijke modi
Indicativus = de gewone mededelende wijs (feiten: ik slaap, ik
sliep).
Coniunctivus = wens, mogelijkheid, afhankelijkheid, twijfel,
aansporing (ik zou slapen, moge ik slapen).
Imperativus = gebiedende wijs (slaap!).
Infinitivus = onbepaalde wijs (slapen).
🔹 Actief vs. Passief
Actief = ik doe iets (video = ik zie).
Passief = ik onderga iets (videor = ik word gezien).
3
, Hoe ziet een verbuiging eruit?
Vrouwelijk - aqua, aquae (vr.)
Kenmerk: woorden eindigen in de genitief op -ae (→ stam: aqu-).
Meestal vrouwelijk (enkele uitzonderingen zoals poeta = dichter).
Mannelijke uitzonderingen
Papa = vader, leraar, bisschop, paus
Papa is mannelijk qua betekenis, maar volgt vrouwelijke
uitgangen van de 1e declinatie.
Andere mannelijke woorden in de 1e declinatie:
o poeta = dichter
o agricola = boer
o incola = inwoner, bewoner
o nauta = zeeman
4