Psychology: The Science of Mind and Behaviour, Holt et al. (5e)
Hoofdstuk 1
● Psychologie = de wetenschappelijke studie van gedrag en de geest.
● Fundamenteel onderzoek = onderzoek dat de zoektocht naar kennis weerspiegelt,
alleen om kennis te verkrijgen, zonder praktisch doel.
● Toegepast onderzoek = onderzoek ontworpen om specifieke, praktische problemen
op te lossen.
● Gegeneraliseerde angststoornis (GAD) = overmatige niet-proportionele angst over
verschillende aspecten van het leven.
● Geest-lichaam-dualisme = het geloof dat de geest een spirituele entiteit is die niet
onderhevig is aan de fysieke wetten die het lichaam beheersen.
● Monisme = het geloof dat de geest en het lichaam één zijn en dat de geest geen
afzonderlijke spirituele entiteit is.
● Empirisme = stroming die stelt dat alle ideeën en kennis empirisch worden
verworven - dat wil zeggen, via de zintuigen.
● Structuralisme = de analyse van de geest in termen van zijn basiselementen.
● Functionalisme = stelde dat de psychologie de functies van het bewustzijn zou
moeten bestuderen in plaats van de structuur ervan
● Psychodynamisch perspectief = zoekt naar de oorzaken van gedrag binnen de
innerlijke werking van onze persoonlijkheid (ons unieke patroon van trekken, emoties
en motieven), waarbij de rol van onbewuste processen wordt benadrukt.
● Psychoanalyse = de analyse van interne en voornamelijk onbewuste
psychologische krachten.
● Afweermechanismen = psychologische technieken die ons helpen omgaan met
angst en de pijn van traumatische ervaringen.
● Objectrelatietheorieën = theorieën die zich richten op hoe vroege ervaringen met
verzorgers de opvattingen vormen die mensen over zichzelf en anderen ontwikkelen.
● Behavioristisch perspectief = richt zich op de rol van de externe omgeving bij het
bepalen van ons handelen.
● Cognitief behaviorisme = stelt dat leerervaringen en de omgeving onze
verwachtingen en gedachten beïnvloeden, en vervolgens beïnvloeden onze
gedachten hoe wij ons gedragen.
● Humanistisch perspectief (of humanisme) = benadrukt vrije wil, persoonlijke groei
en de poging om betekenis te vinden in iemands bestaan.
● Positieve psychologie beweging = benadrukt de studie van menselijke kracht,
vervulling en optimaal leven.
● Cognitief perspectief = onderzoekt de aard van de geest en hoe mentale processen
gedrag beïnvloeden.
● Gestaltpsychologie = onderzoekt hoe elementen van ervaring worden
georganiseerd tot gehelen.
● Cognitieve psychologie = richt zich op de studie van mentale processen en
belichaamt het cognitieve perspectief.
,● Cognitieve neurowetenschap = gebruikt geavanceerde elektrische registraties en
hersenbeeldvormingstechnieken om hersenactiviteit te onderzoeken terwijl mensen
cognitieve taken uitvoeren.
● Sociaal constructivisme = stelt dat wat wij als ‘realiteit’ beschouwen grotendeels
onze eigen mentale constructie is.
● Sociocultureel perspectief = onderzoekt hoe de sociale omgeving en cultureel
leren ons gedrag, onze gedachten en gevoelens beïnvloeden.
● Cultuur = de blijvende waarden, overtuigingen, gedragingen en tradities die door
een grote groep mensen worden gedeeld en van de ene generatie op de volgende
worden doorgegeven.
● Normen = regels (vaak ongeschreven) die vastleggen welk gedrag aanvaardbaar en
verwacht is voor leden van een groep.
● Socialisatie = het proces waarbij cultuur wordt overgedragen aan nieuwe leden en
door hen wordt geïnternaliseerd.
● Gedragsgenetica = de studie van hoe gedragstendensen worden beïnvloed door
genetische factoren.
● Cross-culturele psychologie = onderzoekt hoe cultuur wordt overgedragen aan
haar leden, en bestudeert psychologische overeenkomsten en verschillen tussen
mensen uit verschillende culturen.
● Individualistisch = een nadruk op persoonlijke doelen en zelfidentiteit die
voornamelijk is gebaseerd op iemands eigen eigenschappen en prestaties.
● Collectivistisch = individuele doelen worden ondergeschikt gemaakt aan die van de
groep, en persoonlijke identiteit wordt grotendeels bepaald door de banden die
iemand verbinden met de uitgebreide familie en andere sociale groepen.
● Biologisch perspectief = onderzoekt hoe hersenprocessen en andere lichamelijke
functies gedrag reguleren.
● Gedragsneurowetenschap = onderzoekt hersenprocessen en andere fysiologische
functies die ten grondslag liggen aan ons gedrag, zintuiglijke ervaringen, emoties en
gedachten.
● Natuurlijke selectie = als een erfelijke eigenschap bepaalde leden een voordeel
geeft ten opzichte van anderen, zullen deze leden een grotere kans hebben om te
overleven en deze kenmerken door te geven aan hun nakomelingen.
● Neurotransmitters = chemische stoffen die door zenuwcellen worden vrijgegeven
en die hen in staat stellen met elkaar te communiceren.
● Evolutionaire psychologie = een groeiende discipline die probeert te verklaren hoe
evolutie het moderne menselijke gedrag heeft gevormd.
● Interactie = de manier waarop één factor gedrag beïnvloedt hangt af van de
aanwezigheid van een andere factor.
, BIOLOGISCH PERSPECTIEF
Hoofdstuk 3
● Evolutie (biologisch) = geleidelijke verandering in de tijd in organisch leven van de
ene vorm in een andere.
● Natuurlijke selectie = kenmerken die de kans op overleving en voortplanting binnen
een bepaalde omgeving vergroten, zullen in de populatie behouden blijven en
daardoor in de loop van de tijd frequenter worden.
● Mutaties = willekeurige gebeurtenissen en toevalligheden in genvermenigvuldiging
tijdens de celdeling.
● Dominant = het specifieke kenmerk dat het controleert zal tot uiting komen.
● Recessief = het kenmerk zal niet tot uiting komen tenzij het partnergen dat van de
andere ouder is geërfd ook recessief is.
● Allel = alternatieve vormen van een gen die verschillende kenmerken voortbrengen.
● Polygenetische overerving = wanneer een aantal genparen hun invloeden
combineren om één fenotypisch kenmerk te creëren.
● Genotype = de specifieke en volledige genetische samenstelling van het individu.
● Fenotype = de uiterlijke waarneembare kenmerken van het individu.
● Adaptaties = fysieke of gedragsmatige veranderingen die organismen in staat
stellen terugkerende omgevingsuitdagingen voor hun overleving het hoofd te bieden,
waardoor hun voortplantingsvermogen toeneemt.
● Genen = functionele segmenten van het lange molecuul DNA, die coderen voor
eiwitten.
● Chromosoom = een enkel- of dubbelstrengige structuur die bestaat uit eiwitten en
DNA.
● Diploïd = het aantal chromosomen dat door een cel met twee volledige sets
chromosomen (één van elke ouder) wordt gedragen wordt het diploïde aantal
chromosomen genoemd.
● Gameten = geslachtscellen (eicellen en zaadcellen).
● Haploïd = het aantal chromosomen dat door een gameet wordt gedragen, wat de
helft is van het aantal chromosomen dat in een typische cel wordt gedragen, wordt
het haploïde aantal chromosomen genoemd.
● Zygote = een bevruchte eicel die 46 paren chromosomen bevat.
● Nucleotiden = stikstofhoudende base-, fosfaat- en suikergroepen.
● Geërfde gedragsadaptaties = kenmerken waarmee organismen worden geboren
die helpen hun kansen op overleving en voortplantingssucces te vergroten.
● Vast actiepatroon (FAP) = een aangeboren reactie die automatisch wordt uitgelokt
door een bepaalde stimulus.
● Releasing stimuli = externe stimuli die vaste actiepatronen uitlokken.
● Gedragsgenetica = een vakgebied binnen de psychologische wetenschap dat is
gewijd aan het onderzoeken hoe genen en omgevingsfactoren tijdens de
ontwikkeling op elkaar inwerken en zo gedrag beïnvloeden.
● Gedeelde omgeving = de omgevingsfactoren die bepaalde individuen (bijv.
tweelingen) gemeen hebben (zoals dezelfde ouders of fysieke thuisomgeving).
● Niet-gedeelde omgeving = de omgevingsfactoren die bepaalde individuen (bijv.
tweelingen) niet met elkaar delen (zoals specifieke vriendengroepen of unieke
individuele ervaringen).