Hoorcollege 1: een inleiding.
Classificatie: symptomen worden ondergebracht in vaste categorieën. Het is een beschrijvende stap:
je benoemt wat er te zien is, maar verklaart niet waarom het zo is.
Diagnostiek: richt zich op het verkrijgen van een uniek, compleet en dynamisch beeld van het
individu en zijn omgeving. Het doel is niet alleen te beschrijven, maar ook te begrijpen: welke
factoren liggen ten grondslag aan de problemen, en hoe kunnen die worden beïnvloedt?
- Gericht op handelingskeuzes.
- Het moet leiden tot concrete interventies die de ontwikkeling van het kind bevorderen.
- Holistisch en transactioneel proces: de wisselwerking tussen kind, opvoeders, school en de
brede omgeving staat centraal.
- Kind = onderdeel van dynamisch geheel.
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD): ontwikkeld om het diagnostisch proces te structureren op
een manier die praktisch bruikbaar is in de pedagogische praktijk. Bestaat uit verschillende fases:
1. Intake: verzamelen van eerste informatie + formuleren hulpvraag.
2. Strategie: bepalen van onderzoeksvragen en methode.
3. Onderzoek: uitvoeren van observaties, gesprekken en tests.
4. Indicatie: trekken van conclusies en het formuleren van diagnose of hypothese.
5. Advies: resultaten worden vertaald naar concrete handelingsadviezen.
Handelingsgerichte diagnostiek kent zes belangrijke uitganspunten die richtinggevend zijn voor het
handelen van de pedagoog:
Doelgerichtheid. Het diagnostisch proces is nooit vrijblijvend,
maar altijd gericht op het verbeteren van de
situatie van het kind.
Transactioneel denken. De pedagoog bekijkt de interactie tussen kind
en omgeving samenspel van factoren.
Behoeftebenadering. De vraag is niet alleen wat er misgaat, maar wat
het kind en zijn omgeving nodig hebben om tot
ontwikkeling te komen.
,2
Positieve focus. Naast het benoemen van het probleem wordt
nadruk gelegd op krachten, veerkracht en wat
wél werkt.
Samenwerking. Diagnostiek wordt uitgevoerd mét betrokkenen,
niet over hen heen. Ouders, leerkrachten en
kind zijn partners in het proces.
Systematisch werken. De pedagoog werkt planmatig en onderbouwd,
waarbij hij kritisch blijft op zijn eigen redenering
en vooroordelen.
Valkuilen binnen diagnostisch denken:
- Correlatie en causaliteit: het feit dat twee verschijnselen samen voorkomen, betekent niet
automatisch dat het één het ander veroorzaakt.
- Cirkelredenering: het probleem wordt als verklaring voor zichzelf gebruikt.
- Reificatie en verdinglijking: abstract begrip wordt behandeld alsof het tastbaar is en het
gedrag rechtstreeks veroorzaakt kan leiden tot stigmatisering.
De objectiviteit van een pedagoog kan beïnvloedt worden door bias:
Verankeringsbias. De neiging om te blijven hangen aan de eerste
indruk.
Bevestigingsbias. Alleen informatie zoeken die de eigen
hypothese ondersteunt.
Beschikbaarheidsbias. Oordelen op basis van wat het meest voor de
hand ligt of recent is meegemaakt.
Affectbias. Emoties kleuren oordeel.
Culturele bias. Opvoedgedrag en ontwikkeling moeten altijd
bekeken worden binnen de culturele context.
Goede diagnostiek vraagt om kritisch denken en zelfreflectie. De pedagoog moet voortdurend
nagaan of zijn conclusies logisch zijn opgebouwd en of ze echt bijdragen aan het formuleren van
effectieve hulp. Professionele houding = nieuwsgierig, systematisch, mensgericht en samenwerkend.
,3
Literatuur hoorcollege 1:
Pagina 10-12: de trap van pedagogische ondersteuning.
Binnen het domein van de pedagogische wetenschappen wordt de
volledige breedte van de opvoeding bestudeert moderne pedagogiek
heeft aandacht voor de ontwikkeling van alle kinderen en jongeren, en
van volwassenen in een afhankelijkheidsrelatie.
De meeste ouders leren het opvoeden met vallen en opstaan en groeien als ouder met hun kind mee.
Zeker voor nieuwe ouders geldt dat enige onzekerheid over de opvoedvaardigheden heel normaal is.
Zorgen en onzekerheden horen bij de dagelijkse praktijk van opvoeden. Toch zijn er ook situaties
waarin ouders het opvoeden erg lastig vinden, zich niet competent voelen en voor langere tijd
worstelen met de opvoeding van hun kind.
Problemen in de opvoeding worden geordend in toenemende mate van ernst:
Opvoedingsonzekerheid. Vragen hebben betrekking op specifieke praktische problemen in de
opvoeding vragen over slaap en voeding.
Ouders maken zich niet ongerust, maar willen graag advies van een
expert over hoe zij problemen kunnen aanpakken.
Opvoedingsspanning. Er is al langere tijd sprake van opvoedingsproblemen en ongerustheid.
Ouders voelen zich vaak onzeker over hun opvoedvaardigheden of
schuldig dat ze niet in staat zijn een bepaald probleem op te lossen.
Als problemen en spanningen zich opstapelen = crisis.
Opvoedingscrisis. Ouders voelen zich onmachtig en incompetent.
Er is meer intensieve hulp nodig om de problemen op te lossen.
Opvoedingsnood. Er zijn al langere tijd complexe problemen en de situatie wordt als
uitzichtloos ervaren.
Pedagogisch adviseren is alleen zinvol bij opvoedingsonzekerheid en opvoedingsspanning.
Pedagogische ondersteuning
Opvoedingsonzekerheid Het normaliseren van en informeren over ervaren opvoedproblemen.
Opvoedingsspanning Laagdrempelige advisering en ondersteuning om de spanning en
ongerustheid bij ouders weg te nemen.
Opvoedingscrisis Meer intensieve hulp is noodzakelijk (inzetten pedagogische
hulpverlening thuis).
Opvoedingsnood Wanneer er sprake is van ernstige gedrags- en opvoedingsproblemen.
Noodzaak tot het inzetten van complexe zorg via gespecialiseerde
jeugdzorg.
Dit is een maatschappelijke taak, dit ook als verplichting geldt voor de
overheid internationaal verdrag inzake de rechten van het kind.
, 4
Hoofdstuk 1: De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces.
Psychodiagnostisch onderzoek: vindt plaats binnen een proces waarbij hulp wordt gezocht voor
klachten van of zorgen over een kind. De relatie tussen de hulpverlener en het kind en zijn verzorgers
is van groot belang voor een goed hulpverleningsproces.
Therapeutische alliantie: de mate waarin de hulpverlener weet aan te sluiten bij de hulpvraag en hier
een gezamenlijk proces van weet te maken.
Diagnostiek: heeft als doel een situatie door-en-door te leren kennen, om op grond van dat inzicht
een verantwoorde beslissing te nemen over de volgende stap binnen het hulpverleningsproces.
Diagnostische beschrijvingen en verklaringen.
- Betrouwbaar: ze dienen zo onafhankelijk mogelijk te zijn van de onderzoeker of het specifieke
moment van onderzoek.
- Valide: instrumenten dienen datgene te meten wat ze beogen te meten.
De empirische cyclus van het diagnostisch proces bestaat uit vijf fasen:
1. Observatie: het verzamelen van gegevens.
2. Inductie: het formuleren van hypothesen op basis van waarnemingen.
3. Deductie: het afleiden van toetsbare voorspellingen uit de hypothese
Operationalisatie: de deductie wordt voortgezet door bij iedere voorspelling adequate
onderzoeksmiddelen te kiezen om deze voorspelling te kunnen toetsen.
4. Toetsing: het onderzoeksplan wordt uitgevoerd, nieuwe gegevens worden verzameld.
5. Evaluatie: de uitkomsten van het onderzoek worden teruggekoppeld aan de hypothesen.
Bij het volgen van de empirische cyclus in de psychodiagnostiek ligt de nadruk op voorspellen en
toetsen. Psychdiagnostiek betekent echter ook de start van een hulpverleningsproces dat als doel
heeft bij te dragen aan de gewenste verandering in het leven van het kind regulatieve cyclus.
Regulatieve cyclus: gericht op het transparant en verantwoord nemen van beslissingen om de
gevraagde verandering te bewerkstelligen. Iedere fase kent eigen diagnostische vragen en zijn eigen
type onderzoek om de hypothese te toetsen en te onderbouwen. Bestaat uit de volgende fasen:
Probleemherkenning: blik is nog breed en georiënteerd op alle mogelijk betekenisvolle biologische,
psychische en sociale factoren uit de context van het kind.
- Oriënterend onderzoek.
- Korte, eenvoudig af te nemen tests, vragenlijsten of observatielijsten.
- Veel conclusies hebben in deze fase een voorlopig karakter = kansuitspraak.
- Uitkomsten geven vaak aanleiding om hypothesen te formuleren die richting geven aan
verdiepend onderzoek.
Probleemdefiniëring: verdiepend psychodiagnostisch onderzoek verloopt gerichter, met focus op het
toetsen van de hypothesen. Bij dit onderzoek worden meer specifieke instrumenten gebruikt en zijn
meerdere disciplines betrokken.
- Casusconceptualisatie kan ontstaan: een narratief over de klachten of zorgen van en over het
kind. Verschillende factoren worden vastgesteld, en de wisselwerking hiertussen wordt in
verband gebracht met het ontstaan of voortduren van de klachten.
Kiezen van de interventie: op basis van casusconceptualisatie wordt in overleg met betrokkenen
gekozen uit de mogelijke interventies. Afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau van kind.