Casus meneer Velzen
1. Meneer Velzen heeft een CVA gehad
a. Welke gevolgen ondervindt hij van de CVA:
- Lichamelijk: hij loopt moeizaam en maakt daarom gebruik van een rolstoel, dhr.
heeft ook een rechtzijdige hemiplegie.
- Communiceren met uitspraken en losse woorden.
- Dhr. Wordt snel boos en kan snel huilen. Dhr. Neemt weinig initiatief.
b. Welke gevolgen kunnen van invloed zijn op de participatie in het maatschappelijk
verkeer en waarom? De afasie. Hij kan moeilijk communiceren, waardoor het sociale
verkeer en zijn werk belemmerd worden of onmogelijk zijn. Familie en vrienden kunnen
het moeilijk vinden om met meneer te communiceren en zoeken geen contact meer met
hem. De cognitieve problemen maken het moeilijk om weer aan het werk te gaan.
2. Meneer Velzen heeft afasie en communiceert op een specifieke manier.
a. Beschrijf op welke manier meneer Velzen communiceert. Meneer Velzen spreekt in korte
zinnen, een soort telegramstijl, aangevuld met stereotype uitdrukkingen.
b. Welke afasievorm heeft meneer Velzen? Wat zijn de kenmerkende aspecten van deze vorm
van afasie? Motorische afasie wel begrijpen wat er gezegd wordt, niet op woorden kunnen
komen, soms niet de juiste klanken of letters gebruiken, soms kan je alleen nog maar ja of
nee zeggen.
c. Hoe zou ilse de communicatie met dhr. Velzen kunnen verbeteren? Geef vijf voorbeelden:
1. Controleer of de persoon de boodschap begrepen heeft. Een persoon met afasie kan ‘ja’
zeggen terwijl hij/zij eigenlijk ‘nee’ bedoelt.
2. Stimuleer dhr. Om te praten.
3. Geef de persoon voldoende tijd om te verwoorden wat hij wil zeggen.
4. Verbeter iemand niet voortdurend. Dit kan frustraties uitlokken.
5. Indien de persoon niet tot spreken komt, stimuleer hem om ‘ja/nee’-vragen te
beantwoorden door met het hoofd te knikken.
3. A. Ilse heeft een cursus Revaliderend werken gevolgd. Beschrijf kort wat revaliderend
werken inhoudt. Revaliderend werken betekent dat je steeds als je werkt met een
zorgvrager zoekt naar manieren om buiten de therapietijd intensief vaardigheden te oefenen
die van belang zijn voor zijn dagelijks functioneren.
b. Wanneer werkt Ilse volgens het principe van revaliderend werken en wanneer niet?
Ilse laat meneer Velzen zo veel mogelijk zelf uit bed komen.
Ilse moedigt hem aan zich van boven te wassen. Niet volgens het principe van
revaliderend werken:
Meneer Velzen heeft een rechtszijdige hemiplegie en Ilse begint met uitkleden aan de
niet-aangedane zijde.
Ilse legt de kleren klaar voor meneer Velzen.
Ilse neemt kordaat het washandje van meneer over en begint hem te wassen.
Ilse droogt meneer af.
Ilse kleedt meneer aan.
1. Meneer Velzen heeft een CVA gehad
a. Welke gevolgen ondervindt hij van de CVA:
- Lichamelijk: hij loopt moeizaam en maakt daarom gebruik van een rolstoel, dhr.
heeft ook een rechtzijdige hemiplegie.
- Communiceren met uitspraken en losse woorden.
- Dhr. Wordt snel boos en kan snel huilen. Dhr. Neemt weinig initiatief.
b. Welke gevolgen kunnen van invloed zijn op de participatie in het maatschappelijk
verkeer en waarom? De afasie. Hij kan moeilijk communiceren, waardoor het sociale
verkeer en zijn werk belemmerd worden of onmogelijk zijn. Familie en vrienden kunnen
het moeilijk vinden om met meneer te communiceren en zoeken geen contact meer met
hem. De cognitieve problemen maken het moeilijk om weer aan het werk te gaan.
2. Meneer Velzen heeft afasie en communiceert op een specifieke manier.
a. Beschrijf op welke manier meneer Velzen communiceert. Meneer Velzen spreekt in korte
zinnen, een soort telegramstijl, aangevuld met stereotype uitdrukkingen.
b. Welke afasievorm heeft meneer Velzen? Wat zijn de kenmerkende aspecten van deze vorm
van afasie? Motorische afasie wel begrijpen wat er gezegd wordt, niet op woorden kunnen
komen, soms niet de juiste klanken of letters gebruiken, soms kan je alleen nog maar ja of
nee zeggen.
c. Hoe zou ilse de communicatie met dhr. Velzen kunnen verbeteren? Geef vijf voorbeelden:
1. Controleer of de persoon de boodschap begrepen heeft. Een persoon met afasie kan ‘ja’
zeggen terwijl hij/zij eigenlijk ‘nee’ bedoelt.
2. Stimuleer dhr. Om te praten.
3. Geef de persoon voldoende tijd om te verwoorden wat hij wil zeggen.
4. Verbeter iemand niet voortdurend. Dit kan frustraties uitlokken.
5. Indien de persoon niet tot spreken komt, stimuleer hem om ‘ja/nee’-vragen te
beantwoorden door met het hoofd te knikken.
3. A. Ilse heeft een cursus Revaliderend werken gevolgd. Beschrijf kort wat revaliderend
werken inhoudt. Revaliderend werken betekent dat je steeds als je werkt met een
zorgvrager zoekt naar manieren om buiten de therapietijd intensief vaardigheden te oefenen
die van belang zijn voor zijn dagelijks functioneren.
b. Wanneer werkt Ilse volgens het principe van revaliderend werken en wanneer niet?
Ilse laat meneer Velzen zo veel mogelijk zelf uit bed komen.
Ilse moedigt hem aan zich van boven te wassen. Niet volgens het principe van
revaliderend werken:
Meneer Velzen heeft een rechtszijdige hemiplegie en Ilse begint met uitkleden aan de
niet-aangedane zijde.
Ilse legt de kleren klaar voor meneer Velzen.
Ilse neemt kordaat het washandje van meneer over en begint hem te wassen.
Ilse droogt meneer af.
Ilse kleedt meneer aan.