Theoretical Psychology
Samenvatting – Verkort
Thema 1 – Van frenologie tot wetenschappelijke theorie
Aristoteles: tabula rasa, common sense (waar sensorische beelden samenkomen) & law of
contiguity.
Hebb: lange termijn potentiatie.
Locke: empirisme & associatietheorie met 4 aannames.
Connectionisme: huidig associationisme (met computerprogramma’s).
Horizontale faculteit: domein-algemeen (1 functie voor meer domeinen).
Verticale faculteit: domein-specifiek.
Gall: verticale faculteiten, lokalisationisme & frenologie (over schedelbulten).
Flourens: laesies bij duiven en konijnen holisme voor perceptie en geheugen.
Breinstam = vitale functies. Cerebellum = coördinatie. Cerebrale cortex = hogere level
functies (perceptie, geheugen).
Broca: Leborgne (meneer ‘Tan’), spraakproductie gelokaliseerd.
Wernicke: associatiemodel over Wernickes en Broca’s gebied.
Embodied cognitie: idee dat conceptbeelden alleen bestaan uit perceptuele
eigenschappen (uiterlijk) en motoreigenschappen (gevoel).
Conductie afasie: moeite met woorden herhalen door schade aan vezelbaan tussen
Wernickes en Broca’s gebied.
Johannes Müller: noemde verwerkingssnelheid oneindig snel.
Helmholz: zenuwimpuls meetkost tijd en is meetbaar (onderzocht kikkerzenuw en elektrisch
circuit).
Donders: substraction methode mentale processen kosten tijd en zijn meetbaar.
Taak A (simpele reactie), taak B (keuzereactie) & taak C (go/no-go).
C - A = duur van herkenning.
B - C = duur van keuze.
Sternberg: additieve factors methode om stadia te identificeren (bv. aantal keuzes heeft
invloed op keuzestadium).
Weber: ΔR/R = k voor net merkbaar verschil (Webers wet).
, Fechner: S = k x log(R) voor verband tussen stimulus-intensiteit en sensatie (fysiek gelijke
verschillen zijn psychologisch anders).
Drempelwaarde (limen) van stimulus-sterkte voor waarneembaarheid (impliceert
subliminal verwerking).
Geschwind: blies nieuw leven in werk van Wernicke.
Fodor: Modularity of Mind gelokaliseerde modules en holistische centrale systemen.
Input modules voor perceptie.
Centrale systemen voor herkenning en keuze (soms overgeslagen, bv. bij
woordherkenning zonder begrip).
Output modules voor motoractie.
9 eigenschappen van modules volgens Fodor:
1. Domein-specifiek.
2. Verplichte werking.
3. Beperkte toegang tot mentale representaties (stappen niet kunnen rapporteren).
4. Snel.
5. Informationeel ingekapseld (bv. alleen kennis over gezichten).
6. Oppervlakkige output.
7. Geassocieerd met gefixeerde neurale architectuur (breingebied).
8. Specifieke afbreekpatronen (bv. prosopagnosie bij schade aan gebied voor
gezichtsherkenning).
9. Ontwikkeling op bepaald tempo en volgorde.
Sacks: schreef Man Who Mistook His Wife for a Hat (miste ‘wat’; geen onderscheid tussen
gezichten en objecten). Sacks zelf miste ‘wie’.
Anderson: centrale systemen als computerprogramma (kon volgens Fodor niet onderzocht
worden).
Gedreven door doel uit werkgeheugen wordt kennis uit declaratieve geheugen
(weten dat) opgehaald door kennis uit procedurele geheugen (weten hoe) toe te
passen).
Kanwisher: modules voor perceptie van verschillende dingen (bv. voor gedachtes van
anderen; is verslechterd bij autisme).
Centrale systemen (net als Fodor), maar dan gelokaliseerd.
Wundt dacht ook gelokaliseerd over verwerking, bewustzijn en intelligentie.
Wundt: opening psychologisch lab gezien als begin van wetenschappelijke psychologie.
Die Sprache kritiek op associatief model van Wernicke.
o Wundt zag ook non-associatief (apperceptie; nu executieve controle
genoemd).
Hij zag associatie als passief en apperceptie actief.
Simpele appercetieve functies (relateren en vergelijken) en complexe (analyse; voor
intelligentietest).
Samenvatting – Verkort
Thema 1 – Van frenologie tot wetenschappelijke theorie
Aristoteles: tabula rasa, common sense (waar sensorische beelden samenkomen) & law of
contiguity.
Hebb: lange termijn potentiatie.
Locke: empirisme & associatietheorie met 4 aannames.
Connectionisme: huidig associationisme (met computerprogramma’s).
Horizontale faculteit: domein-algemeen (1 functie voor meer domeinen).
Verticale faculteit: domein-specifiek.
Gall: verticale faculteiten, lokalisationisme & frenologie (over schedelbulten).
Flourens: laesies bij duiven en konijnen holisme voor perceptie en geheugen.
Breinstam = vitale functies. Cerebellum = coördinatie. Cerebrale cortex = hogere level
functies (perceptie, geheugen).
Broca: Leborgne (meneer ‘Tan’), spraakproductie gelokaliseerd.
Wernicke: associatiemodel over Wernickes en Broca’s gebied.
Embodied cognitie: idee dat conceptbeelden alleen bestaan uit perceptuele
eigenschappen (uiterlijk) en motoreigenschappen (gevoel).
Conductie afasie: moeite met woorden herhalen door schade aan vezelbaan tussen
Wernickes en Broca’s gebied.
Johannes Müller: noemde verwerkingssnelheid oneindig snel.
Helmholz: zenuwimpuls meetkost tijd en is meetbaar (onderzocht kikkerzenuw en elektrisch
circuit).
Donders: substraction methode mentale processen kosten tijd en zijn meetbaar.
Taak A (simpele reactie), taak B (keuzereactie) & taak C (go/no-go).
C - A = duur van herkenning.
B - C = duur van keuze.
Sternberg: additieve factors methode om stadia te identificeren (bv. aantal keuzes heeft
invloed op keuzestadium).
Weber: ΔR/R = k voor net merkbaar verschil (Webers wet).
, Fechner: S = k x log(R) voor verband tussen stimulus-intensiteit en sensatie (fysiek gelijke
verschillen zijn psychologisch anders).
Drempelwaarde (limen) van stimulus-sterkte voor waarneembaarheid (impliceert
subliminal verwerking).
Geschwind: blies nieuw leven in werk van Wernicke.
Fodor: Modularity of Mind gelokaliseerde modules en holistische centrale systemen.
Input modules voor perceptie.
Centrale systemen voor herkenning en keuze (soms overgeslagen, bv. bij
woordherkenning zonder begrip).
Output modules voor motoractie.
9 eigenschappen van modules volgens Fodor:
1. Domein-specifiek.
2. Verplichte werking.
3. Beperkte toegang tot mentale representaties (stappen niet kunnen rapporteren).
4. Snel.
5. Informationeel ingekapseld (bv. alleen kennis over gezichten).
6. Oppervlakkige output.
7. Geassocieerd met gefixeerde neurale architectuur (breingebied).
8. Specifieke afbreekpatronen (bv. prosopagnosie bij schade aan gebied voor
gezichtsherkenning).
9. Ontwikkeling op bepaald tempo en volgorde.
Sacks: schreef Man Who Mistook His Wife for a Hat (miste ‘wat’; geen onderscheid tussen
gezichten en objecten). Sacks zelf miste ‘wie’.
Anderson: centrale systemen als computerprogramma (kon volgens Fodor niet onderzocht
worden).
Gedreven door doel uit werkgeheugen wordt kennis uit declaratieve geheugen
(weten dat) opgehaald door kennis uit procedurele geheugen (weten hoe) toe te
passen).
Kanwisher: modules voor perceptie van verschillende dingen (bv. voor gedachtes van
anderen; is verslechterd bij autisme).
Centrale systemen (net als Fodor), maar dan gelokaliseerd.
Wundt dacht ook gelokaliseerd over verwerking, bewustzijn en intelligentie.
Wundt: opening psychologisch lab gezien als begin van wetenschappelijke psychologie.
Die Sprache kritiek op associatief model van Wernicke.
o Wundt zag ook non-associatief (apperceptie; nu executieve controle
genoemd).
Hij zag associatie als passief en apperceptie actief.
Simpele appercetieve functies (relateren en vergelijken) en complexe (analyse; voor
intelligentietest).