NB: Termen met een * zijn al eerder aan de orde geweest
Medische term NLse term Engelse term Omschrijving (bijv. functie); definitie; synoniem
Conceptie. Bevruchting. Conception. Het moment waarop een mannelijke zaadcel een vrouwelijke eicel
binnendringt en samen versmelt, wat het begin is van een
zwangerschap. Bevruchting.
Embryo. Embryo. Een vroeg stadium van een zich ontwikkelend organisme, vanaf de
bevruchting tot een bepaald punt (bij mensen ongeveer 8 weken),
waarin de basis wordt gelegd voor alle lichaamsdelen en organen
door snelle celgroei en celdifferentiatie; het is een uniek individu
met eigen DNA. Kiem.
Foetus. Fetus. De naam voor een ongeboren baby vanaf ongeveer de negende
week van de zwangerschap tot aan de geboorte; daarvoor wordt
het een embryo genoemd, en daarna een baby. Ongeboren kind.
Prenataal. Prenatal. ‘Vóór de geboorte’ en verwijst naar alles wat te maken heeft met de
periode waarin een vrouw zwanger is, zoals onderzoek, zorg en
begeleiding voor het ongeboren kind en de aanstaande ouders,
bijvoorbeeld via echo’s (13/20 weken), de NIPT-test
(bloedonderzoek) of huisbezoeken van de jeugdverpleging om een
gezonde start te garanderen. Voor de geboorte.
Postnataal. Postnatal. ‘Na de geboorte’ en verwijst naar de periode en zorg voor zowel de
moeder als de baby ná de bevalling, terwijl ‘postpartum’ vaak
specifieker wordt gebruikt voor de moeder en ‘postnataal’ meer
gericht is op de baby, hoewel de termen vaak door elkaar gebruikt
worden, zoals bij postnatale depressie (die eigenlijk postpartum
depressie is). Na de geboorte.
Gameten*. Geslachtscellen. Gametes. Geslachtscellen (zoals zaadcellen en eicellen) die een organisme
voortplanten bij geslachtelijke voortplanting; ze zijn haploïd
(bevatten de helft van het aantal chromosomen) en versmelten
, tijdens de bevruchting tot een diploïde zygote, de eerste cel van een
nieuw individu. Geslachtscellen.
Zygote. Bevruchte eicel. Zygote. De allereerste cel die ontstaat na de bevruchting, wanneer een
zaadcel en een eicel samensmelten, en bevat een volledige set
genetische informatie van beide ouders (een combinatie van de
helft van de moeder en de helft van de vader). Bevruchte eicel.
Monozygoot. Eeneiig. Monozygote. Betekent dat een tweeline ontstaat uit één enkele bevruchte eicel
(zygote) die zich splitst in twee embryo’s, waardoor de tweeling
genetisch vrijwel identiek is en altijd hetzelfde geslacht heeft.
Eeneiig.
Dizygoot. Twee-eiig. Dizygote. Twee-eiig, wat verwijst naar een tweeling (of meerling) die ontstaat
uit twee verschillende bevruchte eicellen, waardoor de kinderen
genetisch net zo verschillend zijn als ‘gewone’ broers en zussen, en
dus ook van verschillend geslacht kunnen zijn. Twee-eiig.
Capacitatie*. Capacitation. Het natuurlijke rijpingsproces van zaadcellen in het vrouwelijke
voortplantingssysteem, waarbij ze chemische en fysiologische
veranderingen ondergaan die hen in staat stellen een eicel te
bevruchten; dit proces zorgt voor veranderde beweging en een
membraan dat kan samensmelten met de eicel. Rijpingsproces van
zaadcellen.
Gestatie. Zwangerschap. Gestation, pregnancy. Het medische en biologische woord voor zwangerschap: de periode
waarin een embryo of foetus zich ontwikkelt in de baarmoeder van
een vrouwelijk (levendbarend) dier, van bevruchting tot geboorte,
wat bij mensen gemiddeld zo’n 40 weken duurt. Zwangerschap.
1e trimester. 1st trimester. De eerste drie maanden (ongeveer week 1 tot en met week 12)
waarin de belangrijkste organen en structuren van de baby worden
gevormd en je als moeder veel fysieke veranderingen ervaart, zoals
vermoeidheid, misselijkheid en stemmingswisselingen door
hormonale schommelingen. Eerste zwangerschapsdrie maanden.