Met andere ogen
Hoofdstuk 1: Het soort onderzoek waar dit boek op gericht is
Praktijkgericht en praktijkgestuurd onderzoek hebben beide met de praktijk van doen. Bij
praktijkgericht onderzoek gaat het echter om een beweging vanuit de wetenschap naar de praktijk,
het is ‘top-down’ onderzoek, terwijl bij praktijkgestuurd onderzoek de beweging precies andersom is,
dus ‘bottom-up’, vanuit de praktijk naar de wetenschap met de praktijk aan het stuur.
1.3 Aan de slag
Voor je aan een onderzoek begint, moet je je 3 zaken realiseren:
1. Onderzoek verloopt volgens een planmatige onderzoekscyclus, met logische stappen die
steeds om reflectie en besluitvorming vragen.
2. Onderzoek vereist een persoon met kennis en kunde om de cyclus te doorlopen.
3. Onderzoek vereist een context waarbinnen de cyclus doorlopen wordt.
Daarnaast dienen je context en jijzelf als persoon van de onderzoeker over een aantal
‘benodigdheden’ te beschikken. Jullie moeten beide belang hebben bij het onderzoek, bereid en
bekwaam zijn het onderzoek uit te voeren, er beschikbaar voor zijn en van meet af aan uit zijn op
benutting van resultaten. We noemen dit de 5B’s van praktijkgestuurd onderzoek.
Als onderzoeker moet je je verhouden tot je context. Je probeert zowel de personen als de systemen
in je context bereid en rijp te maken voor onderzoek en wordt zelf door die personen en systemen
ook weer beïnvloed. Door dit ‘tweerichtingsverkeer’ binnen het onderzoeksmodel wordt het denk- en
doekader voor praktijkgestuurd onderzoek interactief. De uitkomst van deze interactie bepaalt de
bruikbaarheid of relevantie van het onderzoek. Als de balans tussen het doorlopen van de
onderzoekscyclus en de 5B’s van persoon en context optimaal is, dan is het onderzoek
wetenschappelijk verantwoord én praktisch relevant. Naarmate de balans naar een kant doorslaat,
zal de bruikbaarheid afnemen.
1.4 Onderzoekscyclus
De onderzoekscyclus bestaat uit een opeenvolgende serie van logische en doelgerichte activiteiten.
Deze zijn gericht op het verwerven van kennis en inzicht waarmee een probleem kan worden
opgelost of een verbetering kan worden doorgevoerd. De stappen zijn als volgt:
- Het nader verkennen van het probleem (probleemstelling)
In de probleemstelling wordt omschreven wat de aanleiding was voor het onderzoek.
- Kiezen op welk deel van het probleem ingezoomd zal worden (doelstelling)
- Welke specifieke vragen leven bij dit deel van het probleem (vraagstelling)
Vanuit de probleemstelling worden doelstellingen en vraagstelling geformuleerd, waarbij ook gekeken
wordt naar de wetenschappelijke literatuur. Wat is er al bekend? Hoe is eerder onderzoek opgezet en
wat kan ik daar van leren? Wat kan jouw onderzoek toevoegen aan de reeds bestaande kennis?
- Opzetten en uitvoeren van een concrete onderzoeksopzet (onderzoeksopzet)
Wie, wat, wanneer, hoe?
- Gegevens worden verzameld (dataverzameling)
- Verzamelde gegevens worden geanalyseerd (dataverwerking)
- Over deze gegevens wordt gerapporteerd (rapportage)
Bij de rapportage wordt ook beoordeeld of de opzet geslaagd is. Zijn de beoogde resultaten
verkregen? Hebben die de beoogde kennis of informatie opgeleverd waarmee het probleem (deels)
opgelost kan worden? Er worden conclusies getrokken over de betekenis van resultaten, met inbegrip
,van de inbedding in de bestaande kennis en het voortschrijdend inzicht dat jouw onderzoek oplevert
voor jouw praktijk. De rapportage eindigt met aanbevelingen. Daarmee zijn we terug aan het begin.
De cyclus kent drie fasen met in totaal zeven onderdelen, waarbinnen stappen plaatsvinden die uit
concrete onderzoeksactiviteiten bestaan. In de eerste fase wordt het onderzoek
geconceptualiseerd/inperking. Vervolgens wordt het onderzoek ingericht. Dan volgt de fase van
uitvoering/concretisering van het onderzoek. En vervolgens het analyseren en
rapporteren/verbreden. Het oplossen van het probleem zelf maakt geen deel uit van het onderzoek,
onderzoek draagt hieraan bij in de vorm van aanbevelingen. Deze aanbevelingen kunnen logisch uit
het onderzoek voortvloeien, maar kunnen ook onderwerp van vervolgonderzoek zijn. Zo draait de
cyclus door.
De onderzoekscyclus brengt een theoretische en methodologische disciplinering met zich mee die je
onderzoek transparant maakt voor anderen en daarmee controleerbaar en (in principe) ook
herhaalbaar. Dit laatste is een essentiële vereiste voor wetenschappelijk onderzoek. Herhaalbaarheid
maakt je onderzoek betrouwbaar. Een andere essentiële vereiste voor wetenschappelijk onderzoek is
dat de kennis die je onderzoek oplevert ‘ergens op slaat’. Dat betekent dat het kennis moet opleveren
die geldig is, dus ook klopt met de verschijnselen in het deel van de werkelijkheid wat je onderzoekt.
Dat maakt je onderzoek ‘valide’. Hier gaat het om de ‘werkelijkheidswaarde’ of het
‘waarheidsgehalte’ van je onderzoek.
1.5 Persoon en context
Als de vijf benodigdheden bij jouzelf of in de context van je onderzoek niet of te weinig aanwezig zijn,
dan belemmeren ze de opzet en uitvoering van je onderzoek, als ze voldoende aanwezig zijn
bevorderen ze het juist. Omgekeerd bevordert of belemmert de wijze waarop je de onderzoekscyclus
doorloopt ook weer de 5B’s van persoon en context en daarmee het denken en doen in de
organisatie waarin je onderzoek doet.
1.5.1 De persoon van de onderzoeker
Er zijn 5 soorten rolopvattingen tussen onderzoek en praktijk:
A. Intuïtief practicus: stelt praktisch handelen voorop, heeft weinig met onderzoek en zal ook
niet gauw kennis uit onderzoek benutten om zijn praktisch handelen te sturen. Kenmerkend
voor zijn praktijkkennis is dat deze grotendeels impliciet is, waardoor hij zich er vaak niet eens
bewust van is. Het voorvoegsel intuïtief verwijst daarom niet primair naar intuïtie, maar naar
het achterwege blijven van het gebruik van kennis. Hij handelt in zorg en onderwijs ‘op zijn
gevoel’.
B. Klinisch wetenschapper: heeft weinig met de praktijk, hij onderzoekt misschien wel
verschijnselen in de praktijk, maar doet dit vooral vanuit een theoretische interesse en de
wens daarover te publiceren. Dat zijn werk praktische toepassingen kan hebben is mooi
meegenomen, maar hij is er niet op uit.
C. Reflectieve practicus: reflecteert systematisch op zijn handelen en vraagt zich af waarom hij
de dingen doet zoals hij ze doet. Met andere woorden, hij probeert zijn intuïtieve kennis te
expliciteren. Het eist van de practicus dat hij zich bewust wordt van wat hij doet, dat hij een
onderzoekende houding heeft. Hij moet er voor open staan dat er ook andere, misschien wel
betere wegen zijn om zijn doel te bereiken en de drang voelen die andere wegen ook te
vinden. Kennis uit wetenschappelijk onderzoek kan hierbij behulpzaam zijn, maar deze kennis
is niet leidend in de zin van ‘voorschrijvend’. Ze helpt de reflectieve practicus vooral zichzelf
(en anderen) kritisch, van een afstand te bekijken.
, D. Evidence-based practicus: laat zijn handelen leiden door wetenschappelijke kennis, hij volgt
richtlijnen en protocollen die op basis daarvan zijn opgesteld. Conform de definitie van
‘evidence-based’ wordt de beste oplossing voor een probleem niet alleen bepaald door de
wetenschap, maar ook door de wensen van de klant, zijn eigen expertise en de context
waarin hij werkt. Het is geen passieve volger van wetenschappelijke richtlijnen, maar past die
toe al naar gelang de situatie dit vereist.
E. Practicus-onderzoeker: het zelf doen van onderzoek en daarbij volgen van de
methodologische regels. Hij is bezig met het expliciteren en toetsen van praktijkkennis. Hij
heeft eenzelfde houding als de reflectieve en de evidence-based practicus: hij reflecteert
actief op zijn eigen professioneel handelen en gedraagt zich daarbij als wetenschapper die
nieuwsgierig is, zich voortdurend de vraag stelt naar het waarom en voortdurend op zoek is
naar betere antwoorden en meer inzicht, waarbij het zich zoveel mogelijk baseert op de
nieuwste inzichten van zijn vakgebied. Maar anders dan deze practicussen is hij erop uit om
zelf ook nieuwe kennis te generen voor oplossingen van een praktijkprobleem. Hij is in een
voortdurende dialoog met zichzelf en met zijn omgeving, waarbij er zowel erkenning is voor
de waarde van praktijk en klinische intuïtie als voor wetenschappelijke kennis.
Volgorde van meest praktijkgericht naar meest wetenschappelijk: A-C-E-D-B
1.5.2 De context van het onderzoek
Organisaties kennen een structuur en een cultuur. Idealiter moet het onderzoek ‘landen’ in die
structuur en cultuur en krijgt het van daaruit ook weer verder vorm en inhoud.
De structuur van een organisatie kan omschreven worden als ‘het totaal van de verschillende
manieren waarop het werk in afzonderlijke taken is verdeeld en de wijze waarop deze taken
vervolgens worden gecoördineerd’ (formele kant). De cultuur is ‘de som van alle gemeenschappelijke
en als vanzelfsprekend ervaren veronderstellingen die een groep in de loop van haar bestaan heeft
geleerd’ (informele kant). Het onderzoek heeft de meeste kans van slagen als jouw organisatie jou in
je rol als onderzoeker erkent en je hiervoor ondersteuning biedt (structuur). En tevens als het
onderzoek wordt gedragen door personen in die organisatie, die jou de onderzoeksrol gunnen en zelf
ook een bijdrage aan het onderzoek willen leveren (cultuur).
1.6 Kwantitatief of kwalitatief onderzoek?
Er zijn twee hoofvormen van onderzoek te onderscheiden, namelijk kwantitatief en kwalitatief
onderzoek. Beide staan voor allerlei specifieke onderzoeksopzetten.
Kwantitatief onderzoek kent over het algemeen een gesloten vraagstelling die bedoeld is om na te
gaan in welke mate iets voorkomt, of om bepaalde vooropgestelde hypotheses te toetsen. Dit
betekent dat je in dit type onderzoek sterker gestuurd wordt door reeds aanwezige praktische of
theoretische kennis. Literatuurstudie is daarom belangrijk. Op basis daarvan kan de vraagstelling een
specifieke invulling krijgen, die vaak neerkomt op het doen van een voorspelling. Gegevens worden
verzameld met bestaande of speciaal voor het onderzoek geconstrueerde meetinstrumenten die zo
gekozen worden dat nagegaan kan worden of de voorspelling uitkomt. Deze gegevens zullen altijd
getalsmatig zijn. Statistische analyse van deze gegevens is dan ook een belangrijk kenmerk van dit
onderzoek. Voor dat doel streeft men vaak naar relatief grote onderzoeksgroepen.
Kwalitatief onderzoek wordt meestal ingegeven door een open vraag waarmee nieuwe, nog
onbekende kennis kan worden opgedaan. Je weet nog niet goed wat er allemaal aan nieuwe
informatie boven tafel zal komen. Bij het zoeken naar deze informatie gaat het je niet zozeer om
Hoofdstuk 1: Het soort onderzoek waar dit boek op gericht is
Praktijkgericht en praktijkgestuurd onderzoek hebben beide met de praktijk van doen. Bij
praktijkgericht onderzoek gaat het echter om een beweging vanuit de wetenschap naar de praktijk,
het is ‘top-down’ onderzoek, terwijl bij praktijkgestuurd onderzoek de beweging precies andersom is,
dus ‘bottom-up’, vanuit de praktijk naar de wetenschap met de praktijk aan het stuur.
1.3 Aan de slag
Voor je aan een onderzoek begint, moet je je 3 zaken realiseren:
1. Onderzoek verloopt volgens een planmatige onderzoekscyclus, met logische stappen die
steeds om reflectie en besluitvorming vragen.
2. Onderzoek vereist een persoon met kennis en kunde om de cyclus te doorlopen.
3. Onderzoek vereist een context waarbinnen de cyclus doorlopen wordt.
Daarnaast dienen je context en jijzelf als persoon van de onderzoeker over een aantal
‘benodigdheden’ te beschikken. Jullie moeten beide belang hebben bij het onderzoek, bereid en
bekwaam zijn het onderzoek uit te voeren, er beschikbaar voor zijn en van meet af aan uit zijn op
benutting van resultaten. We noemen dit de 5B’s van praktijkgestuurd onderzoek.
Als onderzoeker moet je je verhouden tot je context. Je probeert zowel de personen als de systemen
in je context bereid en rijp te maken voor onderzoek en wordt zelf door die personen en systemen
ook weer beïnvloed. Door dit ‘tweerichtingsverkeer’ binnen het onderzoeksmodel wordt het denk- en
doekader voor praktijkgestuurd onderzoek interactief. De uitkomst van deze interactie bepaalt de
bruikbaarheid of relevantie van het onderzoek. Als de balans tussen het doorlopen van de
onderzoekscyclus en de 5B’s van persoon en context optimaal is, dan is het onderzoek
wetenschappelijk verantwoord én praktisch relevant. Naarmate de balans naar een kant doorslaat,
zal de bruikbaarheid afnemen.
1.4 Onderzoekscyclus
De onderzoekscyclus bestaat uit een opeenvolgende serie van logische en doelgerichte activiteiten.
Deze zijn gericht op het verwerven van kennis en inzicht waarmee een probleem kan worden
opgelost of een verbetering kan worden doorgevoerd. De stappen zijn als volgt:
- Het nader verkennen van het probleem (probleemstelling)
In de probleemstelling wordt omschreven wat de aanleiding was voor het onderzoek.
- Kiezen op welk deel van het probleem ingezoomd zal worden (doelstelling)
- Welke specifieke vragen leven bij dit deel van het probleem (vraagstelling)
Vanuit de probleemstelling worden doelstellingen en vraagstelling geformuleerd, waarbij ook gekeken
wordt naar de wetenschappelijke literatuur. Wat is er al bekend? Hoe is eerder onderzoek opgezet en
wat kan ik daar van leren? Wat kan jouw onderzoek toevoegen aan de reeds bestaande kennis?
- Opzetten en uitvoeren van een concrete onderzoeksopzet (onderzoeksopzet)
Wie, wat, wanneer, hoe?
- Gegevens worden verzameld (dataverzameling)
- Verzamelde gegevens worden geanalyseerd (dataverwerking)
- Over deze gegevens wordt gerapporteerd (rapportage)
Bij de rapportage wordt ook beoordeeld of de opzet geslaagd is. Zijn de beoogde resultaten
verkregen? Hebben die de beoogde kennis of informatie opgeleverd waarmee het probleem (deels)
opgelost kan worden? Er worden conclusies getrokken over de betekenis van resultaten, met inbegrip
,van de inbedding in de bestaande kennis en het voortschrijdend inzicht dat jouw onderzoek oplevert
voor jouw praktijk. De rapportage eindigt met aanbevelingen. Daarmee zijn we terug aan het begin.
De cyclus kent drie fasen met in totaal zeven onderdelen, waarbinnen stappen plaatsvinden die uit
concrete onderzoeksactiviteiten bestaan. In de eerste fase wordt het onderzoek
geconceptualiseerd/inperking. Vervolgens wordt het onderzoek ingericht. Dan volgt de fase van
uitvoering/concretisering van het onderzoek. En vervolgens het analyseren en
rapporteren/verbreden. Het oplossen van het probleem zelf maakt geen deel uit van het onderzoek,
onderzoek draagt hieraan bij in de vorm van aanbevelingen. Deze aanbevelingen kunnen logisch uit
het onderzoek voortvloeien, maar kunnen ook onderwerp van vervolgonderzoek zijn. Zo draait de
cyclus door.
De onderzoekscyclus brengt een theoretische en methodologische disciplinering met zich mee die je
onderzoek transparant maakt voor anderen en daarmee controleerbaar en (in principe) ook
herhaalbaar. Dit laatste is een essentiële vereiste voor wetenschappelijk onderzoek. Herhaalbaarheid
maakt je onderzoek betrouwbaar. Een andere essentiële vereiste voor wetenschappelijk onderzoek is
dat de kennis die je onderzoek oplevert ‘ergens op slaat’. Dat betekent dat het kennis moet opleveren
die geldig is, dus ook klopt met de verschijnselen in het deel van de werkelijkheid wat je onderzoekt.
Dat maakt je onderzoek ‘valide’. Hier gaat het om de ‘werkelijkheidswaarde’ of het
‘waarheidsgehalte’ van je onderzoek.
1.5 Persoon en context
Als de vijf benodigdheden bij jouzelf of in de context van je onderzoek niet of te weinig aanwezig zijn,
dan belemmeren ze de opzet en uitvoering van je onderzoek, als ze voldoende aanwezig zijn
bevorderen ze het juist. Omgekeerd bevordert of belemmert de wijze waarop je de onderzoekscyclus
doorloopt ook weer de 5B’s van persoon en context en daarmee het denken en doen in de
organisatie waarin je onderzoek doet.
1.5.1 De persoon van de onderzoeker
Er zijn 5 soorten rolopvattingen tussen onderzoek en praktijk:
A. Intuïtief practicus: stelt praktisch handelen voorop, heeft weinig met onderzoek en zal ook
niet gauw kennis uit onderzoek benutten om zijn praktisch handelen te sturen. Kenmerkend
voor zijn praktijkkennis is dat deze grotendeels impliciet is, waardoor hij zich er vaak niet eens
bewust van is. Het voorvoegsel intuïtief verwijst daarom niet primair naar intuïtie, maar naar
het achterwege blijven van het gebruik van kennis. Hij handelt in zorg en onderwijs ‘op zijn
gevoel’.
B. Klinisch wetenschapper: heeft weinig met de praktijk, hij onderzoekt misschien wel
verschijnselen in de praktijk, maar doet dit vooral vanuit een theoretische interesse en de
wens daarover te publiceren. Dat zijn werk praktische toepassingen kan hebben is mooi
meegenomen, maar hij is er niet op uit.
C. Reflectieve practicus: reflecteert systematisch op zijn handelen en vraagt zich af waarom hij
de dingen doet zoals hij ze doet. Met andere woorden, hij probeert zijn intuïtieve kennis te
expliciteren. Het eist van de practicus dat hij zich bewust wordt van wat hij doet, dat hij een
onderzoekende houding heeft. Hij moet er voor open staan dat er ook andere, misschien wel
betere wegen zijn om zijn doel te bereiken en de drang voelen die andere wegen ook te
vinden. Kennis uit wetenschappelijk onderzoek kan hierbij behulpzaam zijn, maar deze kennis
is niet leidend in de zin van ‘voorschrijvend’. Ze helpt de reflectieve practicus vooral zichzelf
(en anderen) kritisch, van een afstand te bekijken.
, D. Evidence-based practicus: laat zijn handelen leiden door wetenschappelijke kennis, hij volgt
richtlijnen en protocollen die op basis daarvan zijn opgesteld. Conform de definitie van
‘evidence-based’ wordt de beste oplossing voor een probleem niet alleen bepaald door de
wetenschap, maar ook door de wensen van de klant, zijn eigen expertise en de context
waarin hij werkt. Het is geen passieve volger van wetenschappelijke richtlijnen, maar past die
toe al naar gelang de situatie dit vereist.
E. Practicus-onderzoeker: het zelf doen van onderzoek en daarbij volgen van de
methodologische regels. Hij is bezig met het expliciteren en toetsen van praktijkkennis. Hij
heeft eenzelfde houding als de reflectieve en de evidence-based practicus: hij reflecteert
actief op zijn eigen professioneel handelen en gedraagt zich daarbij als wetenschapper die
nieuwsgierig is, zich voortdurend de vraag stelt naar het waarom en voortdurend op zoek is
naar betere antwoorden en meer inzicht, waarbij het zich zoveel mogelijk baseert op de
nieuwste inzichten van zijn vakgebied. Maar anders dan deze practicussen is hij erop uit om
zelf ook nieuwe kennis te generen voor oplossingen van een praktijkprobleem. Hij is in een
voortdurende dialoog met zichzelf en met zijn omgeving, waarbij er zowel erkenning is voor
de waarde van praktijk en klinische intuïtie als voor wetenschappelijke kennis.
Volgorde van meest praktijkgericht naar meest wetenschappelijk: A-C-E-D-B
1.5.2 De context van het onderzoek
Organisaties kennen een structuur en een cultuur. Idealiter moet het onderzoek ‘landen’ in die
structuur en cultuur en krijgt het van daaruit ook weer verder vorm en inhoud.
De structuur van een organisatie kan omschreven worden als ‘het totaal van de verschillende
manieren waarop het werk in afzonderlijke taken is verdeeld en de wijze waarop deze taken
vervolgens worden gecoördineerd’ (formele kant). De cultuur is ‘de som van alle gemeenschappelijke
en als vanzelfsprekend ervaren veronderstellingen die een groep in de loop van haar bestaan heeft
geleerd’ (informele kant). Het onderzoek heeft de meeste kans van slagen als jouw organisatie jou in
je rol als onderzoeker erkent en je hiervoor ondersteuning biedt (structuur). En tevens als het
onderzoek wordt gedragen door personen in die organisatie, die jou de onderzoeksrol gunnen en zelf
ook een bijdrage aan het onderzoek willen leveren (cultuur).
1.6 Kwantitatief of kwalitatief onderzoek?
Er zijn twee hoofvormen van onderzoek te onderscheiden, namelijk kwantitatief en kwalitatief
onderzoek. Beide staan voor allerlei specifieke onderzoeksopzetten.
Kwantitatief onderzoek kent over het algemeen een gesloten vraagstelling die bedoeld is om na te
gaan in welke mate iets voorkomt, of om bepaalde vooropgestelde hypotheses te toetsen. Dit
betekent dat je in dit type onderzoek sterker gestuurd wordt door reeds aanwezige praktische of
theoretische kennis. Literatuurstudie is daarom belangrijk. Op basis daarvan kan de vraagstelling een
specifieke invulling krijgen, die vaak neerkomt op het doen van een voorspelling. Gegevens worden
verzameld met bestaande of speciaal voor het onderzoek geconstrueerde meetinstrumenten die zo
gekozen worden dat nagegaan kan worden of de voorspelling uitkomt. Deze gegevens zullen altijd
getalsmatig zijn. Statistische analyse van deze gegevens is dan ook een belangrijk kenmerk van dit
onderzoek. Voor dat doel streeft men vaak naar relatief grote onderzoeksgroepen.
Kwalitatief onderzoek wordt meestal ingegeven door een open vraag waarmee nieuwe, nog
onbekende kennis kan worden opgedaan. Je weet nog niet goed wat er allemaal aan nieuwe
informatie boven tafel zal komen. Bij het zoeken naar deze informatie gaat het je niet zozeer om